Berichten uit een afrekencultuur

Een grap van zestien jaar geleden kan de reden zijn voor een afrekening in het hier en nu. Met iemand. Soms zijn sociale media een trechter en een megafoon ineen, giftig, en verplettert een kleine massa een individu.

Publish and be damned, toch? Waarom blijft mijn vinger dan zo lang boven de knop hangen? Vanwaar die plotselinge weerzin? Het is maar een tweet, godbetert. Een foto van een van de presentatoren van Op1 verkleed als Idi Amin. Grapje erbij. Dat je wel eens hoort dat hij een van de best geklede mannen van Nederland zou zijn maar dat jij het niet één-twee-drie ziet. Kom op, gewoon versturen. Toch?

Ik geloof niet dat het woord cancelcultuur iets wezenlijks betekent. Ik geloof dat het voor alles een moral panic is. Een angstbeeld waar mensen die kolommen moeten vullen of krantjes willen verkopen dankbaar gebruik van maken. Zelf geloven ze er misschien wel in, maar dat is omdat ze de hele dag op Twitter rondhangen en daar elk weerwoord interpreteren als een poging hen de mond te snoeren.

Ik geloof wel dat het iets is wat aan allerlei wezenlijke problemen raakt. Aan hoe gemakkelijk mensen soms hun baan verliezen na een kleine misstap, omdat bedrijven of instellingen hun angst voor negatieve publiciteit maskeren als daadkracht. Aan hoe er altijd mensen zijn die, zelfs al snijdt hun kritiek hout, net iets te gretig met een ander willen afrekenen, mensen die uiteindelijk net iets meer bezig zijn met hun eigen gelijk dan met de mogelijkheid een ander nog daarvan te overtuigen. Aan hoe sociale media op sommige momenten een trechter en een megafoon ineen worden, het soort apparaat waarmee zelfs de kleinste massa een individu totaal kan overdonderen. Allemaal zaken die je scherper in beeld kunt krijgen door dat containerbegrip te vermijden.

Mijn vinger hangt nog altijd boven de knop. Wat houdt me tegen? Is het dat de foto zestien jaar oud is? Dat dat het natuurlijk niet minder racistisch maakt, maar dat het gemakkelijk is te vergeten hoeveel vanzelfsprekender zulk alledaags racisme nog maar zo kort geleden toch ook was?

Vanmorgen gebruikte Tommy Wieringa zijn column op pagina 2 van de zaterdagkrant om zijn collega Abdelkader Benali te kleineren. Wieringa dacht zelf dat hij de autonomie van de kunstenaar verdedigde, maar doordat hij selectief citeerde en een anekdote over de verfilming van Turks fruit verhaspelde totdat hij in zijn straatje paste kreeg je niet direct de indruk dat hij uit was op een inhoudelijke discussie. Hij beschuldigde Benali ervan met zijn afkomst te leuren en ik dacht onwillekeurig terug aan het interview in de Volkskrant waarin Wieringa met nogal ostentatief beleden pijn in het hart Europa’s harde buitengrenzen verdedigde. ‘Vriendinnen van me kunnen niet prettig door delen van Amsterdam fietsen. Dat vind ik onaangenaam.’

Mijn vinger hangt nog altijd boven de knop. Wat houdt me tegen?

Wieringa voelde zich zelfs niet te groot om Benali’s 4 mei-lezing, die nooit was uitgesproken nadat er ophef was ontstaan over een antisemitische grap die Benali zestien jaar geleden maakte, nog even af te kraken.

Een paar dagen eerder publiceerde de Nigeriaanse schrijfster Chimamanda Ngozi Adichie een vlammend essay op haar eigen website. Hoe invoelbaar was haar woede over de manier waarop mensen die ze in de echte wereld had gekoesterd en gesteund zich online tegen haar hadden gekeerd. Haar verslag van dit verraad was geschreven met een scherp oog voor de giftige dynamiek op sociale media en de tol die die dynamiek eist van beroemde mensen.

Maar toen ik het stuk nog eens las begon me ook op te vallen hoe raar vlak en eendimensionaal haar eigen stem me toescheen. Hoe duidelijk de verteller de goedheid zelve was, hoe vanzelfsprekend haar morele superioriteit en hoe totaal de afwezigheid van zelfs maar de geringste introspectie, hoe ze haar slechte ervaringen met een handvol mensen en een grotere groep schreeuwers op internet op het activisme van een complete generatie projecteerde. En hoe ook zij woorden leek te verdraaien totdat ze in haar straatje pasten, want de oproep om haar met machetes aan te vallen die ze tot twee keer toe aanhaalde om haar slachtofferschap kracht bij te zetten, bleek in de oorspronkelijke formulering van haar nemesis toch eerder een smakeloze poëtische uitglijder dan een aansporing tot fysiek geweld.

Waarom, als je zo boos bent over de wijze waarop je eigen woorden uit hun verband zijn gerukt en mensen je nuanceringen niet willen horen, dan zelf andermans woorden verdraaien en trots vertellen dat je een schijnbaar oprechte mail met excuses onbeantwoord hebt gelaten?

Mijn vinger zweeft nog steeds boven de knop. Iemand had een dvd afgeleverd. Gevonden tussen het grofvuil van een videoproductiebedrijf in Dordrecht, zei hij. Er stond een knullige behind the scenes-documentaire op, gemaakt tijdens de Quote Challenge 2005. In dat jaar verongelukten tijdens de patjepeeërsrace dwars door Europa twee Italianen. Gezien het hier vereeuwigde rijgedrag van de deelnemers is het niet verwonderlijk dat het een keer misging. Ergens tussendoor ook een kort fragment van de toenmalige hoofdredacteur van het blad. Gitzwart geschminkt en in uniform: ‘Idi Amin AKA Big Daddy’, staat erbij. ‘Er was wel enige discrepantie met de foto in het paspoort’, zegt hij met zijn kenmerkende gevoel voor understatement. Een wonder, noemt hij het, dat hij als donkere man de grens was overgekomen.

Het is allemaal een domme grap natuurlijk en misschien is dat waar de twijfel vandaan komt. Een grap zestien jaar geleden is, hoe dom en racistisch ook, nooit helemaal de juiste aanleiding voor een afrekening in het hier en nu. Maar waarom moest juist die man zo nodig bij de publieke omroep een nationaal debat over racisme leiden? Waarom komen mensen als hij wel overal mee weg? Waarom glijdt alles van ze af? Zou het iets te maken hebben met hun… afkomst?