Berichten uit een schriftloze samenleving

Ons schrift evalueert, en daarmee ons bewustzijn. Hoe we ons dingen herinneren, bijvoorbeeld, wordt in steeds grotere mate bepaald door het scherm. Deze zomer verscheen Memory Palace van Hari Kunzru. De novelle beschrijft een post­apocalyptische wereld waarin het schrift en de herinnering zijn verdwenen. Een magnetische storm heeft alle verbindingen en bijna alle kennis uitgewist. Woorden uit een verloren cultuur – charged, internet, hospital – zweven betekenisloos rond in een wereld die geregeerd wordt door ecofascisten en werkelijkheidsfundamentalisten (The Thing). Ecofascisten: iedereen terug naar de aarde, het nu, voorbij de tijd, de mens en de geschiedenis. Werkelijkheidsfundamentalisten: terug naar het ding zelf, voorbij de woorden en het schrift. Alleen eenvoudige taal mag worden gebruikt. Zelfs het minste spoor van uitgesproken woorden mag niet in de lucht blijven hangen.

Medium kiene brillenburg memory palace

In die wereld zonder sporen vertelt de ik-verteller zijn laatste verhaal. Na vele omzwervingen werd hij lid van een geheim genootschap dat kennis uit de verloren wereld in stand wil houden. Opschrijven kan niet. Herinneren wel. Dat gaat niet altijd goed. De wetten van Newton, ja, maar ook: de relativiteitswetten van milord lady Ayn Stein. Darwin. Alle sporen worden mondeling overgeleverd en zoals dat gaat met herinneringen huist in elke mogelijkheid van behoud de mogelijkheid van verlies. De verteller wordt opgepakt, ondervraagd en gedwongen in het nu te leven. Hoe het afloopt met hem vertel ik niet, maar de wereld waarin hij leeft roept het spookbeeld op van een nieuwe orale cultuur waar al vele filosofen en mediatheoretici over speculeerden.

In 1987 vroeg de mediafilosoof Vilém Flusser zich na Martin Heidegger en Marshall McLuhan af of het schrijven toekomst had. Hij stelde zich deze vraag in Die Schrift: Hat Schreiben Zukunft? De tekst is met een typemachine geschreven, de schermrevolutie moest nog komen. Die Schrift is een vreemd en fascinerend boek dat het midden houdt tussen filosofie, mythologie en poëzie. Ik kan er geen genoeg van krijgen. Flusser vertelt hoe het schrift begon en het mogelijk zal eindigen: als beeld. Volgens hem is het schrift iconoclastisch. Ontwikkeld vanuit het beeld (tekeningen, pictogrammen), verscheurde het schrift ooit het beeld om volledig schrift te kunnen worden. Flusser denkt dat het scheppingsverhaal in feite dit verhaal vertelt van het schrift dat het beeld uitwiste:

God vormde zijn gelijkenis in klei om het zijn adem in te blazen. God schreef geen amorfe klei in [einschreiben] maar een beeld. (…) Hij kerft in de klei om een beeld aan stukken te scheuren.

Uiteen rijten, uitwissen: Flusser houdt van gewelddadige metaforen om de kracht van het schrift uit te drukken. Maar inderdaad: alle schrift is in zekere zin altijd al een uitwissing van de aanwezigheid. Dat uitwissen ziet Flusser al aangekondigd in de etymologie van het woord ‘schrijven’. Het Latijnse scribere betekent ‘schetsen’, maar ook ‘krassen’.

Het schrift is veranderlijk. Ooit begon het in de Soemerische steden van Mesopotamië met het kerven van tekens in klei: groeven, of griffelen, precies zoals Flusser het voor zich ziet in de scheppingsmythe. Dat kerven noemt hij inschrift, inscriptie. Inscriptie is een indringend schrift. Het is ook een tijdrovend schrift. In contrast hiermee staat het ‘strijkend’ of vloeiend schrijven, het schrift dat ontwikkeld werd in Egypte vanaf 2500 voor Christus door het gebruik van papyrus, penselen en kwasten. De inkt vloeide over het materiaal. Dat ging sneller. Flusser noemt dit on_scriptie, _opschrift.

Inschrift en opschrift zijn contrasterende schrifttechnologieën die volgens Flusser ons bewustzijn hebben geïnformeerd. Een veranderend bewustzijn heeft een andere technologie nodig, verklaart hij, zoals een veranderende technologie het bewustzijn vormt en verandert. Als technologie verandert, wordt ze structureel gezien vaak complexer om functioneel gezien eenvoudiger te worden. Zo was het ook met de ontwikkeling van het schrift en zo is het nog steeds, in ons eigen, elektronische tijdperk. In de jaren tachtig van de vorige eeuw keek Flusser goed om zich heen en zag het schrift nog weer sneller worden. Het schrift was schermschrift geworden, het raasde aan hem voorbij. Het was genoeg, zei hij, om naar de ademloze snelheid te kijken waarmee videoteksten verschenen op de informatieschermen in luchthavens. De lineariteit van het schrift was op hol geslagen. Flusser vond dat de literatuurkritiek zich zouden moeten bezighouden met deze nieuwe hectiek van het schrift. Het zou ons beeld van literatuur – letterlijk een kunst van de letters, een hoeveelheid letters – wel eens ingrijpend kunnen veranderen.

Een jaar of zes geleden deed ik mee aan een debatavond over literatuur in de nieuwe media in De Waag. Daar presenteerden Jan Baeke en Alfred Marseille hun cinépoèmes – film- of beeldgedichten – waarin literatuur was veranderd in onderschrift. Het werk heet Wat we hadden is nog niet geweest. De titel doet dromen en verlangens vermoeden die nooit zijn uitgekomen. De beelden van de cinépoèmes bevestigen dat vermoeden. Het begint allemaal met reclamebeelden uit de jaren vijftig waarin een man en een vrouw rondom de nieuwste keukenapparatuur dansen. De muziek, een wals, hoort bij de films uit die tijd: mierzoet, geruststellend, glitterend, inhalig.

Onder in het beeld vliegt in telex-stijl tekst voorbij. De tekst staat stil bij dingen die voorbijgaan en aan ons ontglippen, maar we krijgen de rust niet om dit goed te lezen: in beide richtingen, van rechts naar links en links naar rechts, raast de tekst voorbij. De woorden verwijzen vagelijk naar beelden die nog zullen verschijnen in het filmgedicht, zodat een complex geheel ontstaat van beeld/schrift. Dit beeld/schrift, klaagden sommige critici, frustreert het lezen dusdanig dat van het gedicht alleen maar vorm overblijft. Is dat waar? En zo ja: is dat erg? Nee, in beide gevallen. Dit gedicht zegt veel meer dan enkel vorm. Of juist: het is geen lege vorm. Die vorm zegt iets over ons, nu, in deze tijd.

Het Amerikaans-Koreaanse duo Young Hae Chang Heavy Industries, bestaand uit Marc Voge en Young Hae Chang, werkt al sinds 1999 met flashtechnologie om het schrift in beeld/schrift te doen veranderen. yhchi maakt stelselmatig hetzelfde werk. Grote zwarte letters in Monaco-font (een van de lettertypes ontwikkeld voor Macintosh OS X) tegen een witte achtergrond schieten in razende vaart aan je voorbij, met één tot hooguit zeven woorden per scherm. Terwijl het ene scherm verschijnt, is het andere al weer verdwenen zodat je weinig vast kunnen houden van wat je hebt gelezen – zo je daar al aan toekwam. De woorden verschijnen op het ritme van muziek, zoals ook bij Baeke en Marseille. Hier is het jazz: Duke Ellington of, zoals in het werk Dakota (2002), Art Blakey. In Dakota knipperen de woorden op de slagen van Blakey’s Tobi Ilu. Sommigen krijgen er hoofdpijn van. Hoe lang het gedicht duurt weet je niet. Je bent overgeleverd aan een verblindend schrift. Niks interactiviteit. De lezer is onmachtig.

Toch wil Dakota literatuur zijn. Het is een openlijke herschrijving van Canto I en II van Ezra Pound. Deze Cantos zijn weer een hertaling van de Odyssee, gebaseerd op een vertaling in het Latijn van Andreas Divus, gedrukt in 1538 door Christiaan Wechel. Pound vermeldt deze bron in zijn gedicht, misschien om zo de spanning tussen de orale cultuur van Homerus en het begin van de drukcultuur in de Renaissance te thematiseren. Hoe ‘klinkt’ de Odyssee in druk? Wat ging verloren met het schrift? Dakota verbeeldt een vergelijkbare spanning: die tussen schrift en scherm (en ook tussen filmscherm en computerscherm). Het ene medium herinnert zich een ander medium.

Herschrijven is een vorm van herinneren, herinneren een vorm van schrift. Zoals Pound geserreerd en gefragmenteerd de hellevaart van Odysseus hertaalt, zo vouwt Dakota de Cantos (en de Odyssee) in zich op. Er blijft niet veel van over, een paar steekwoorden: de hellevaart van Odysseus (bij Pound een metafoor voor een gang door de cultuur) wordt een autotocht door Zuid-Dakota, de schapen aan boord van het schip van Odysseus (en het schapenbloed) wordt bier, het eiland van Circe een motel, Odysseus en zijn kompanen ‘the lost souls of youth’, Tiresias wordt Elvis, en Andreas Divus wordt Richard Ellmann (‘Fuck you Ellmann’), criticus van Pound en samensteller van een bloemlezing van de moderne poëzie bij WW Norton uit 1973 (Dakota vermeldt dit).

Het lijkt wel alsof Dakota zich door de resten van het schrift heen werkt. Snel, heel snel, haast niet meer te doorgronden. Deze resten verwijzen niet alleen naar de resten van het alfabetisch schrift, dat in Dakota in feite al vervangen is door een numerieke code die het schrift voorstuwt tot een in zichzelf gekeerd beeld. Ze verwijzen ook naar een lineair bewustzijn (verleden naar toekomst) dat is achtergebleven als een erfenis van het schrift. Volgens Flusser gaat het bij het schrift om het in-lijnen van gedachten, de ene na de andere, in een heldere code, zwart op wit. Geschiedenis en historisch bewustzijn zijn voor hem slechts een effect van deze lineaire code, het gebaar van opeenvolging en voortgang dat het schrift kenmerkt. De verwevenheid van dit historische bewustzijn met lineariteit en het schrift is ook benadrukt in Kunzru’s Memory Palace: omdat het schrift is uitgewist kan en moet men in het nu, in een sfeer voorbij de opeenvolging, leven. In Dakota gebeurt iets anders. Het schrift onderwerpt zich aan de lineaire code, zwart op wit, maar voert haar op totdat ze contraproductief wordt. Dakota overschrijft het schrift.

Over_schrijven, dat is niet alleen: overdrijven (opdrijven) en bedekken, maar ook _over_denken, het schrift opnieuw denken. _Dakota overdenkt het schrift via de code van de onherhaalbaarheid. Of deze code inderdaad ooit een historisch bewustzijn voortbracht blijft vooralsnog onbeslist (de geboorte van het historisch bewustzijn uit het lineaire schrift is zelf het product van een nieuwe mythologie die door denkers als Flusser en Marshall McLuhan in gang is gezet). Maar als Dakota het schrift overschrijft, dan maken de literatuur en film van de laatste vijftien jaar ons inderdaad bewust van de mogelijkheid van de uitwissing van het schrift als de motor van een lineair, historisch bewustzijn. Kijk naar films als Christopher Nolans Memento, romans als The Raw Shark Texts van Steven Hall, of Travels in the Scriptorium van Paul Auster, waarin personages ronddolen zonder herinnering en zichzelf maar heel tijdelijk met geschreven reminders in stand kunnen houden. In deze werken is het handschrift machteloos tegenover de vergetelheid: het schrift borgt weliswaar nog steeds een historisch bewustzijn, maar het gaat om niet-blijvende herinneringen, herinneringen die steeds weer worden gewist door een ander heden, een andere verbinding. Misschien laten dit soort amnesische personages (die gebruik maken van ‘analoge’ technologieën zoals het handschrift en polaroidfotografie om niet steeds weer in een onbegrijpelijke herhaling van de ervaring te vervallen) zien wat het is – om met Hegel te spreken – om te worden wat men niet langer is. Om een heden zonder verleden te hebben, een nieuwe wereld te zijn ingetreden. Dat is een heden waarin het schrift (weer) beeld is geworden: twee-dimensionaal en gelijktijdig.

Deze wederkerigheid van schrift en beeld is in Memory Palace mooi verbeeld. Het boek is gemaakt met twintig illustratoren en grafisch ontwerpers (onder wie Peter Bil’ak en Erik Kessels). Elk beeld roept een deel of een interpretatie van het verhaal op en geeft daarmee diepte en gelijktijdigheid aan de leeservaring. De illustraties zijn tentoongesteld in het Victoria Albert Museum. De curatoren noemen het geheel een walk-in novel. Het lezen van zo’n roman is fysiek en non-lineair – zoals een wandeling door een museum niet noodzakelijk een lineaire ervaring is. Nog lang niet voorbij het schrift is deze roman toch een effect van het digitale tijdperk. Want als het boek er niet meer is om informatie te verspreiden, zo wordt Irma Boom in het nawoord aangehaald, dan is het boek er om iets anders te verspreiden. Misschien is dat wel de toekomst.

Kiene Brillenburg Wurth is universitair hoofddocente literatuurwetenschap en gespecialiseerd in de relaties tussen literatuur, muziek, film en nieuwe media.


De tentoonstelling Memory Palace is tot 20 oktober te zien in het Victoria Albert Museum in Londen. Boek: Hari Kunzru, Memory Palace. Curated by Laurie Britton Newell Ligaya Salazar (Londen, V Publishing 2013)