Toneel - Jac Heijer, in herinnering

Berichten van voor de ijstijd

Jac Heijer (1936-1991), toneelcriticus van NRC Handelsblad tussen 1970 en 1990, zou dit jaar tachtig zijn geworden. Hij stierf een kwart eeuw geleden aan aids. Voor het toneel in Nederland was hij een belangrijk mens, de behoedzame, zorgvuldige verslaggever van wat hij in de theaters zag en beleefde.

Medium beeldloek

Zijn werk straalde liefde uit. Die liefde had met objectiviteit niks en met nieuwsgierigheid alles te maken. Jac Heijer wilde verrast worden. Als dat gebeurde, dan schreef hij je de volgende dag het theater in. Verder keek hij met de open blik van iemand die er niet voor had doorgeleerd. Al doende ontwikkelde hij het vermogen om het oeuvre van kunstenaars (ook gecompliceerde kunstenaars) of de werking van voorstellingen (ook gecompliceerde voorstellingen), in enkele alinea’s of in een paar woorden samen te vatten. Hij was een kroniekschrijver van een belangrijk tijdvak, de jaren waarin het toneel opkrabbelde en veranderde, de twee decennia na de Actie Tomaat van 1969/70.

Er wordt nog vaak aan Jac Heijer gedacht. Hij wordt gemist. Ik ben benieuwd hoe hij in het toneellandschap van nu zou rondlopen. Dat is een reuzencliché, ik weet het, maar de tijd dringt die gedachte op. Het was geen paradijs of luilekkerland, dat toneellandschap waar Jac met zijn kladblok in ronddwaalde. Vergeleken met de huidige woestenij was het kunstenlandschap echter een oase. Er werd nog niet over kunstenaars gesproken als over subsidieslurpers, verwende kinderen of onbetrouwbaar gespuis. De grote kracht van het Nederlandse toneel huisde in de jaren van Jac vooral in het kleinschalig avontuur en in hoe de mentaliteit van de kleine zalen de omgang met bijvoorbeeld wereldrepertoire op grote podia beïnvloeden kon. Het respect en het ontzag voor die ontwikkeling vloeiden voor een belangrijk deel uit de pen van Jac Heijer.

Dat respect is goeddeels verdwenen. Er is een bijna Brits aandoende klassenscheiding in de podiumkunsten ontstaan. Een deel van de avant-garde van toen, die haar eigenzinnige signatuur uitvond op de kleine podia, heeft die oorsprong achter zich gelaten en woont nu in zwaarbewaakte toneelpaleizen of commercieel geëxploiteerde pretparken. Een overgroot deel van de kleinschalig opererende, autonome kunstenaars onder de toneelmakers is ofwel verwurgd ofwel opgeheven of tot de bedelstaf veroordeeld. Veel kunstbobo’s hebben in de jaren na de grote miljoenenroof in de kunsten door het duo Zijlstra/Rutte weggekeken of tegen beter weten in beweerd dat het allemaal wel mee zou vallen. Die types rollen nu collectief van hun stoel, nu de SER met de spijkerharde bewijzen komt dat de schade in de kunsten onherstelbaar en catastrofaal groot is.

Afgelopen maandag zijn de aanvragen ingediend voor de rijksondersteuning in de kunsten voor de jaren 2017 tot 2021. De formats van die aanvragen zijn voor velen een kafkaïaanse kneveling, wie wat wil maken voor wie en waar lijkt ondergeschikt geworden aan verdienmodellen en voorgekookte excellentiecoiffures. Ik droomde laatst over Jac. Hij woont nu op een eiland. Hij klaverjast met Jan Kassies, hij schaakt met Sarah Kane, hij bouwt decors voor de toneelgroep van zijn ex-minnaar Michael Matthews, hij heeft een figurantenrol in de nieuwe Ingmar Bergman. Marianne van Kerckhoven interviewde hem laatst voor de Eilandkrant. Nee, naar Nederland heeft hij geen heimwee. En ja, het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Zijn tikvingers jeuken.


Jacques Heijer en Frieda Pittoors in Kras van Judith Herzberg door Maatschappij Discordia 1988 (Bert Nienhuis / MAI)