Berijden of bereden worden

Manon Uphoff is een productief schrijfster. In 1995 debuteerde zij met de verhalenbundel Begeerte, twee jaar later kwam de roman Gemis en onlangs verscheen De fluwelen machine, weer een verhalenbundel. Ze heeft inmiddels een herkenbare stijl en een eigen thematiek. Grof gezegd willen de personages van Uphoff maar één ding. Of het nu een paard is, een maagdelijk meisje of een kinderlokker, ze willen berijden of bereden worden. Dit verlangen verpakt Uphoff in suggestief proza, met veel witregels en poëtische beeldspraak.

Op haar best is Uphoff als ze in kort bestek het opgroeiende meisje beschrijft, met haar fascinatie voor de weke geslachtsdelen die plots kunnen veranderen in bijtgrage beestjes. Het titelverhaal van haar debuutbundel Begeerte is hier een mooi voorbeeld van. Kort en krachtig laat de schrijfster bij een vijftienjarige de initiatie in het vrouw-zijn zich voltrekken. De vijftienjarige die wel wil en niet wil, en zich vechtend laat verleiden. Dit ambivalente verlangen, dankbaar onderwerp voor veel schrijfsters, krijgt bij Uphoff een surreëel tintje. De wijze waarop ze aanrakingen en andere lichamelijke sensaties beschrijft, roept associaties op met vampierverhalen en enge sprookjes. ‘Ze voelde hoe zijn lippen haar hals naderden en de onverwacht felle beet in haar nek, waardoor ze zijwaarts viel als een schip na een rukwind.’ De griezeligheid is des te groter omdat het decor huiselijk is. De meisjes van Uphoff houden van lauw bloed en zoet speeksel, maar hebben een moeder die thuis achter de koffie wacht en een zusje dat met barbies speelt. De honger van het bronstige pubermeisje werkte Uphoff breedvoerig uit in haar roman Gemis (1997). Dan blijkt de scheidslijn tussen surrealisme en stilistisch onvermogen opeens wel erg smal. Voor de duur van een verhaal is Uphoffs sprookjesachtige wereld overtuigend en onderhoudend. Zelfs het gegeven dat een keurige mevrouw en meneer overgaan tot het consumeren van hondedrollen, wist ze in Begeerte (het verhaal 'Poep’) aannemelijk te maken. Gemis lijdt daarentegen aan een zekere aanstellerigheid. 'We waren het koningskoppel en ik wist dat ik hem pijn zou doen.’ Het is behaagzuchtig mooie-meisjesproza, waarbij verhaaldraden ijl in de lucht blijven hangen, krampachtige vergelijkingen in overdoses worden toegediend ('Op een dag zou ik hem voorzichtig uit zijn broek pellen, zoals je de blaadjes van een kool haalt’) en witregels diepte aan het verhaal moeten verlenen, waar ze in feite het gebrek aan vloeiende overgangen maskeren. In De fluwelen machine is het pubermeisje verdwenen. De onderwerpen in Uphoffs nieuwe bundel zijn extreem en exotisch: een Siamese tweeling, een bouwvakker, een eunuch, om maar een greep te doen. Haar verbeelding kent geen grenzen. Toch zijn de verhalen in hoge mate voorspelbaar. Rara hoe kan dat? Voor een deel omdat het zogenaamde vreemde zich volgens de lijn der verwachting ontwikkelt. Er moet altijd iets of iemand warmgewreven worden, platgedrukt of anderszins genomen. Dus is de climax van het verhaal over de Siamese tweeling dat de ééngeworden meisjes worden bemind door een man. En van het verhaal over het paard dat toeristische tochtjes door Utrecht maakt dat het ’s nachts van achteren wordt bezocht door de koetsier die een krukje meeneemt om erbij te kunnen. Belangrijker echter is Uphoffs schrijfstijl die inmiddels een stijltje is geworden. Nooit is iets wat het is, maar altijd is het 'net alsof’ of 'zoals’. Neusgaten als de loop van een geweer, op de rug liggend als een beschonkene in een maaiveld, een puist als de kop van een huisdier, een hand als een slapende vleermuis. In Uphoffs literaire universum is droefenis altijd eindeloos, zuiverheid messcherp en tijd 'een vore in de aarde’. Het is ongetwijfeld allemaal een kwestie van smaak, maar als een verhaal begint met een vraag ('Hoe weet je wat iemand voor je zal betekenen?’ of: 'Wat maakt het toch uit hoe iets is begonnen wanneer de uitkomst goed is?’) wil ik eigenlijk al niet meer verder lezen. Er wordt op een 'ideetje’ voortgeborduurd, in plaats van dat een verhaal mij op een idee brengt. Mooie passages vond ik desondanks met name in het verhaal over de eunuch en over het paard, 'de fluwelen machine’ van de titel. Het eerste verhaal, 'Het potje’, speelt zich deels in een treincoupé af, waar ’s nachts de wonden verzorgd moeten worden van een oude Chinese eunuch. Een buitenissig gegeven dat Uphoff zo beschrijft dat je de zurige lucht kunt ruiken. Even zintuiglijk beschrijft ze in 'De minnares’ de sensatie die het paard ondergaat als de koetsier op het krukje achter hem staat. 'Eerlijk gezegd ging ik maar af op de geluiden en het lichte beven, het geschuif van zijn voeten op het krukje en een vage, lichte beroering, alsof er iemand met een theelepel in een emmer lauw water roerde en er alleen het zachte deinen van het water was.’ Staaltjes van trefzekerheid die gezelschap hebben van evenzoveel pathetische woorden, ingebed in onhandige manoeuvres. Passie, pijn en genot? Het spel met de grenzen ligt er te dik bovenop om spannend te worden. De verhalen zijn wild en ontregelend, zoals een vrouw dat is die een broek met tijgerprint heeft aangetrokken, of een zwart-satijnen bloes.