Harmen Wind, Aardewerk

Berijmde tuinklei

Harmen Wind

Aardewerk

De Arbeiderspers, 64 blz., e 18,95

Er zijn woorden die, als je ze in een gedicht wilt gebruiken, toelichting behoeven, omdat ze van zichzelf te plastisch zijn en geen enkel beeld oproepen bij de lezer. «Berg» is zo’n woord, en «pol», en ook «touw». In zo’n geval is een «kontje» nodig, er moet heel even over de muur kunnen worden gekeken om in staat te zijn verder te lezen. Touw is niets totdat het, bijvoorbeeld, een springtouw betreft. De lezer denkt dan aan spelende kinderen.

Gaat het om een touw dat knelt om de knuisten? Hij ziet een gijzelaar. Voelt haar als touw aan? De lezer lonkt naar een schippersvrouw. Dichter Harmen Wind gebruikt het woord touw zo:

Huisvrede

Hier houden spouw en kruipruimte het

verleden in leven. Wij schuilen in

de gang van een verlaten huis.

Wegstervende voetstapjes, snikken

achter beschot, de geur van stal en

stoof, de greep van het geloof.

Huiskamer, lege houten schoot.

Bedsteden, onderkelderd. Oorlogsnieuws

achter het behang. Zuchtende stilte.

Tikken op het bovenlicht. Aanzwellende

ratel. De trap op. Adem stokt. Aan de hanenbalk

wordt het straksgespannen touw zichtbaar.

Straksgespannen touw. Dat is meteen eng. Je weet meteen wat je aantreft, je ziet de romp, je voelt de schok. Dat effect wordt bereikt door de opbouw van het gedicht. Het begint al met de titel, «Huisvrede». Als lezer zeg je er onmiddellijk «breuk!» achteraan, maar of dat blijvend leuk is weet ik niet. Er volgt een logopedie-oefening («houden spouw en kruipruimte») en een prachtige regel in zijn normaalheid: «wij schuilen in/ de gang van een verlaten huis». Negentien woorden en Wind brengt ons waar hij ons hebben wil: in een oude verlaten woning waar in de oorlog iets naars is gebeurd en nu weer. En er dreigt iets, maar je weet nog niet precies wat. Het «zuchtende stilte» is natuurlijk een draak, maar is hier bij wijze van ongebruikte blaasbalg wel functioneel. Ademen ga je pas benoemen als het heel intensief gebeurt (hijgen) of als het stopt (dood). De uiteindelijke uitleg is hier wat dat betreft misschien te uitgebreid, «adem stokt» brengt op zijn best de vraag naar voren of dat de adem van de toekijker is of van de suïcidepleger. Het «tikken op het bovenlicht» is wel goed gevonden, een slechte dichter had hier «ik deed dus het licht naar de zolder aan» verkozen.

«Huisvrede» is meteen wel het heftigste gedicht uit Harmen Winds zesde dichtbundel, Aardewerk, een verzameling klassieke verzen waarbij de klok lijkt te zijn achteruitgezet. Er staan regels in als «ik zie je bestaan in/ een blonde haar die/ tastend uit je slaap/ het zonlicht zoekt» of «de kamer zindert/ van was, vonkt van berken, ruist van violen,/ maar zachter fluistert jouw huid met mijn hand», regels die ik zou willen karakteriseren als echte poëzie. En dat bedoel ik wel degelijk aanmatigend. Ik kan er met mijn pet niet bij dat je zoiets wilt opschrijven. Ik vind de regel: «Ik zei: ‹Leven is aardewerk› en kijk,/ jij zag ons als gebakken klei, maar ik/ had meer de grondarbeid voor ogen» niet sterk, acht het een woordgrapje waar ik om zou kunnen gniffelen. Eén keer. Ik slik na het lezen van «erotische» regels als «ontdekt waren wij nergens, tot wij ons houvast/ te voorschijn streelden» of «Ik heb je lijf gekend, je houding en gebaren,/ ik raakte zomaar je geheimen aan» een Rennie, omdat ik het vies vind en omdat ik niet begrijp waarom iemand tieten als «geheimen» wenst te omschrijven.

Maar houdt het daar op, deel ik een serietje plaagstoten uit aan een zestigjarige christelijke dichter uit Doesburg, die zacht prefereert boven hard en schrijft over bolletjes wol, eidereenden, lentenachten en zijn «kater Bo»? Of doe ik dat cynisme een glanzende rode strik om, zet ik het langs de kant van de weg en neem ik de bundel opnieuw ter hand, op zoek naar een gedicht dat ik wel goed vind. Ik lees de bundel nog een aantal malen aandachtig en vind dit, op pagina 36:

Geduld

Wacht maar tot wat ik zeg

zal klinken als grond om op

te bouwen: brood, een huis.

Vandaag schrijven wij zeven maart.

Uit de berijmde tuinklei steken de

spitse oortjes van de herfstaster.

Voor Harmen Wind is «uit de berijmde tuinklei steken de/ spitse oortjes van de herfstaster» een regelrechte ontsporing. Geen gniffelwoordgrapje maar, in mijn beleving, een pastiche op natuurtekenaar Marjolein Bastin, een bitse belachelijkmaking van een kitsch prieeltje. En ook gewoon een krachtige wijdtalige dichtregel. In mijn beleving zie ik de schrijver schateren achter zijn bureau, ik hoor hem de buurman toeroepen over de heg, kirrend als een kind, springend van het ene been op het andere. Die videoclip is een luchtspiegeling. Ik zou willen dat deze poëzie niet klinkt als «grond om op te bouwen» maar als drijfzand waarin ik, lezer, schaterend mijn einde vind. Maar drijfzand is niet het land van Harmen Wind.