INTERVIEW

‘Berlijn is een open inrichting’

Katja Lange-Müller is een oer-Berlijnse schrijfster. Ze leefde in Oost en in West. Met haar jongste roman, Wilde schapen, sluit ze een trilogie over de stad af. Het verhaal speelt in de jaren tachtig en gaat over een vrouw uit Oost die zich verslingert aan een junkie uit West. ‘Ze zijn de lamme en de blinde die elkaar door het leven tillen.’

BERLIJN – Op de Leopoldplatz in de wijk Wedding hangen tientallen duistere types rond. Duitsers met verfrommelde koppen, flessen bier in de hand, die met rauwe stemmen grove teksten schreeuwen. Jonge Turken, die elkaar met mysterieuze gebaren begroeten en opgewonden verhalen ophangen. Libanezen met dure zonnebrillen, die samenzweerderig om zich heen staan te loeren.
Om de hoek van het plein, in de Malplaquetstrasse, woont de schrijfster Katja Lange-Müller. ‘Nee, erg gezellig is het hier niet’, zegt ze terwijl ze de straat laat zien. ‘Veel dronken lui, veel verslaafden, veel straatrovers. Ach, je moet ermee kunnen omgaan. Ik kan dat.’ Bovendien verandert het voortdurend, legt ze uit. ‘Er komen de laatste tijd steeds meer mensen met geld, die panden opknappen en hippe winkeltjes openen. De Turken en Libanezen beginnen hun overmacht te verliezen. Daar verzetten ze zich tegen. Vaak met geweld.’
Verandering is onvermijdelijk. ‘Berlijn is nooit hetzelfde. Berlijn is een metafoor voor metamorfose. We zitten midden in de zoveelste omslag.’ Hoewel de huizen aan de Malplaquetstrasse er verwaarloosd uitzien is de straat net opgeknapt. Op de hoek met de Utrechterstrasse is een Hollands pleintje ingericht. Aan de voet van een pomp staat de tekst van het kinderrijm ‘Twee emmertjes water halen…’ Een man steekt in een Arabische taal een monoloog af tegen de pomp. ‘Zuipende moslims, daar moet je hier niet van opkijken.’
Wedding is de wijk waar Lange-Müller terechtkwam toen ze in 1984 van Oost- naar West-Berlijn verhuisde. Ze wilde graag weg uit de DDR en de DDR wilde graag van haar af. ‘Ik was lastig, ben van school gesmeten, heb allerlei baantjes gehad, loog dat het een aard had, was een opschepper.’ Dat kon niet met een moeder die in het Centraal Comité van de Socialistische Eenheidspartij zat. Ze was al een keer naar Ulan Bator in Mongolië gestuurd. ‘Na de val van de Muur las ik in mijn Stasi-dossier dat mijn moeder achter die maatregel zat.’
Anders dan haar medevluchtelingen in het West-Berlijnse opvangkamp Marienfelde zag ze eerder de overeenkomsten dan de verschillen tussen Oost en West. ‘In Wedding zag ik mensen in treurige trainingspakken met een fles bier in de hand. Ik zag de rotzooi op straat, de kapotte huizen waaraan je de beschadigingen van de oorlog nog kon zien. Als je de reclame wegdacht, waren het dezelfde huizen als in Oost. Overal mensen die zich zonder plan en zonder doel door het leven sloegen. Allemaal met een beschadigde jeugd, allemaal met vaders die gefrustreerd uit de oorlog waren gekomen, moeders die zelfstandige levens leidden. Het gebroken gezin was de norm, aan beide kanten van de Muur.’
Lange-Müller weet alles van gebroken gezinnen. Haar ouders hebben zich nauwelijks met haar bemoeid. De eerste zes jaar van haar leven zat ze in een tehuis voor kinderen van partijfunctionarissen. Haar moeder, Ingeburg Lange, was met de partij getrouwd, haar vader had drankproblemen. Ze trouwde met een man, Wolfgang Müller, die uit een verspreid gezin kwam. Ouders in West-Duitsland, broer Heiner Müller, de later zo beroemde theatermaker, in Oost-Duitsland. Wolfgang was na zijn middelbare school door zijn ouders naar zijn broer in Oost gestuurd. Hij werd stoker op een binnenvaartschip, altijd onderweg.
Zeker, Lange-Müller zag ook de verschillen tussen Oost en West. ‘West-Berlijn was een paradijs. Je ging naar het arbeidsbureau en kreeg meteen geld op je rekening. Binnen een week had je een telefoon, wat in Oost een absoluut privilege was – wie een telefoon had, zat sowieso bij de Stasi. Ik dacht, ik kom in het onbarmhartige kapitalisme terecht, maar ik belandde in een soort hippie-socialisme. Er woonden veel jongelui uit Schwaben en Hessen, die de dienstplicht in de Bondsrepubliek ontvluchtten. Ze schreven zich in voor een of andere studie, maar werkten als taxichauffeur of als hulpkok. Eigenlijk waren er nauwelijks echte West-Berlijners. En die er waren, waren allemaal underdogs, losers, plebejers.’
In dat West-Berlijn van de jaren tachtig speelt Lange-Müllers jongste roman, Wilde schapen. Eerder schreef ze twee romans over de jaren zestig en zeventig in Oost-Berlijn, Verfrühte Tierliebe en Die Letzten. Met Böse Schafe voltooit ze haar Berlijn-trilogie. Het verhaal speelt grotendeels in Wedding en gaat over een vrouw van rond de veertig, Soja, ‘niet mooi, een beetje dik’. Ze is halverwege de jaren tachtig uit Oost-Berlijn gekomen. Ze ontmoet een circa dertigjarige junkie, Harry, en verslingert zich aan hem.
‘Een typisch geval van co-afhankelijkheid’, legt Lange-Müller uit. ‘Eigenlijk is het ook een metafoor voor de beide stadsdelen’, voegt ze eraan toe. ‘Harry is afhankelijk van de heroïne, Soja is afhankelijk van haar helpersrol. Ze investeert enorm in hem. Tijd zowel als geld. Ze helpt hem bij zijn ontwenningskuur. Ze laat zich volledig door hem in beslag nemen. Ze maakt zich van hem afhankelijk. Op die manier ontvlucht ze tegelijk haar eigen afgrondelijkheid. Harry en Soja zijn de lamme en de blinde die elkaar door het leven tillen.’
Lange-Müller put uit eigen ervaringen. Haar laatste jaren in Oost-Berlijn werkte ze als hulpverpleegster in gesloten psychiatrische inrichtingen. In West-Berlijn kreeg ze ook meteen een baan in een psychiatrische kliniek. ‘Daar zag ik voor het eerst heroïneverslaafden. Die hadden we in Oost-Berlijn niet. Daar waren mensen verslaafd aan de alcohol of aan kalmeringsmiddelen.’
De figuur van Soja is gebaseerd op een vrouw die ze in die West-Berlijnse kliniek had leren kennen: ‘Dat was een zangeres, eigenlijk een heel krachtige vrouw. Ze had een relatie met een van de verslaafden. Ik sprak daar met haar over. Ik vroeg haar: waarom laat je hem niet gewoon schieten? Dan zei ze: dat kan ik niet, als je eens wist wat ik allemaal in hem heb geïnvesteerd aan energie en zenuwen. Toen begreep ik het, ze hing meer aan die investeringen dan aan die vent zelf.’
Harry ondergaat een zogeheten ‘triade-therapie’. Acht mensen houden hem in de eerste fase van die therapie beurtelings een hele dag in de gaten. Dat duurt een hele maand. Daarna begint de volgende fase van de therapie. ‘Dat was in die tijd de gebruikelijke ontwenningsmethode. Nou ja, het slaagpercentage was slechts twaalf. Ik heb zelf ook eens in zo’n begeleidingsgroep meegedraaid. Je liet zo’n junkie dan afwassen of ramen lappen. En omdat ze vaak hadden gezeten, kreeg je gratis allemaal verhalen over de bajes.’
Ook Harry had gezeten. In de gevangenis had hij status opgebouwd. Buiten de gevangenis kwam hem dat van pas. ‘Hij is een soort gentleman-junkie. Hij dealt ook. Hij kan zich daardoor meer moraal veroorloven dan junkies die lager in de hiërarchie staan. Hij is soms ook teder voor Soja. Tegelijk schuilt er veel agressie en criminele energie in hem. Op een gegeven moment barst hij uit tegen zijn therapeut, die hem, vond hij, een kunstje had geflikt. “Daar wordt zelfs een schaap wild van”, roept hij. Vandaar de titel. Ik heb altijd al een boek met die titel willen schrijven.’
Het verhaal eindigt rond de val van de Muur. Harry overlijdt in een kliniek op een steenworp afstand van de Muur. ‘Ik wilde eindelijk eens een West-Berlijner aan de Muur laten sterven. Dat leek me rechtvaardig, ter compensatie.’ Bij haar laatste bezoek aan Harry kijkt Soja met hem naar de televisiebeelden van DDR-leider Erich Honecker die geboeid wordt afgevoerd. Harry is verontwaardigd. Hij zag dat iemand die al eerder had gezeten, onder de nazi’s, opnieuw de bak in draaide. Hij zag geen partijleider die een heel volk had onderdrukt, maar een ex-bajesklant die ze opnieuw te grazen namen. ‘Die scène heb ik één op één zo meegemaakt. Ik was verbijsterd. Ik zou niet op het idee zijn gekomen om zo tegen Honecker aan te kijken. Dat bewijst maar weer dat je levenservaring je waarneming bepaalt.’
Na de val van de Muur was het niet alleen met Oost-Berlijn gedaan maar ook met West-Berlijn: ‘Het West-Berlijn van toen is van de aardbodem verdwenen, net als Vineta, die mythische stad vlak voor de Oostzeekust. Van het levensgevoel van toen is niets meer over. De beroemde cafés op de hoek, de Eckkneipen, zijn bijna allemaal verdwenen. En in die er nog over zijn, mag ik tegenwoordig mijn hobby niet meer uitoefenen.’ Ze steekt haar rechterhand omhoog, waarin zich ononderbroken een brandende sigaret bevindt.
Oost en West zijn zelfs verwisseld geraakt. ‘Laatst had ik bezoek van een vriendin uit Ohio, waar ik ooit writer in residence was. Ze was vroeger wel eens in Berlijn geweest. Toen ik haar van het vliegveld had opgehaald en Wedding binnenreed, zei ze, o, je woont tegenwoordig weer in Oost! Later gingen we op bezoek bij vrienden in Oost, in Friedrichshain. Ik zie het al, zei ze, dit is West, al die mooi onderhouden huizen! Ze zat er steevast naast. Berlijn zal altijd een mix van Oost en West zijn. Het is de oostelijkste stad van het Westen en de westelijkste stad van het Oosten.’
Berlijn is permanent in de overgang, vindt Lange-Müller: ‘Berlijn is een transitstad. Mensen komen en gaan, ze zijn allemaal naar iets op zoek, ergens naar onderweg. Ze hebben zich allemaal in een soort voorlopigheid geschikt. Ik zou het een melancholerische stad willen noemen. De mensen zijn tegelijk melancholisch en cholerisch, treurig en kwaad. Kijk naar hun gezichten op straat, in de S-Bahn, in de cafés. De woede, de vertwijfeling, de misère die ze openlijk tentoonspreiden. Ja, een “open inrichting”, zo zou je de stad nog het beste kunnen noemen.’

KATJA LANGE-MÜLLER
WILDE SCHAPEN
Uit het Duits vertaald door Els Snick. Verschijnt komend najaar bij De Arbeiderspers