De wapenexport van Italië

Berlusconi doet een oogje dicht

Premier Berlusconi versoepelt de wet op de wapenexport, waardoor het erg makkelijk wordt om ongecontroleerd, via een ander land, wapentuig te exporteren. Italië verdient goed aan de internationale oorlogsindustrie.

ROME — In Italië, volgens het Stockholm Peace Research Institute (Sipri) nummer negen op de wereldranglijst van wapenexporteurs, is de export van de oorlogsindustrie openbaar. Jaarlijks rapporteert de regering welke bedrijven, welk materiaal, met welke waarde en hoeveel, aan welk land en met behulp van welke bank hebben geëxporteerd. Uitgerekend nu verschijnt het rapport over 2002. De export is met zes procent gestegen. De Italianen hebben er 920 miljoen euro aan verdiend. De meeste facturen zijn uitgeschreven door Iveco Fiat–Oto Melara (gevechtsvoertuigen).

Wie de ruim vijfhonderd pagina’s nauwkeurig doorneemt, fronst wellicht de wenkbrauwen bij het zien van sommige bestellingen. Zo heeft het Italiaanse staatsbedrijf Finmeccanica vorig jaar voor ruim achttien miljoen euro aan controlesystemen voor tanks geleverd aan «schurkenstaat» Syrië. Dit systeem is vooral geschikt voor de modernisering van Russische tanks en is voorzien van nachtvizieren, die ook in zandstormen of bij dichte rook goed zicht geven. De levering is onderdeel van een megaorder uit 1998 ter waarde van ruim 266 miljoen euro.

Hoewel Syrië al jaren wordt beschouwd als een voedingsbodem voor terroristen en doorgeefluik voor oorlogstuig aan Irak, werd zelfs vorig jaar nog een nieuwe bestelling ter waarde van ruim twaalf miljoen euro geaccepteerd. Weer ging het om moderne nachtvizieren («Turms») en controlesystemen voor tanks. Vergelijkbare (of dezelfde?) apparatuur speelde Syrië volgens de Amerikanen door aan Irak.

Ook Koeweit en Saoedi-Arabië zijn goede klanten en deden vorig jaar voor respectievelijk 82,9 miljoen euro en 29,1 miljoen euro boodschappen in Italië. Tsjechië, sinds jaar en dag beschuldigd van illegale leveranties aan Saddam Hoessein, kocht voor 49,4 miljoen euro in. Ook de handel met landen als Algerije (4,79 miljoen), China (6,18 miljoen), Maleisië (7,40 miljoen) en India (10,15 miljoen) roept enige vraagtekens op.

Veel van deze deals zijn, volgens Emilio Emmolo van Amnesty International, in strijd met de strenge wapenexportwet 185/90, die op dit moment behoorlijk wordt versoepeld. «De wet werd in 1990 aangenomen als reactie op de vele wapenleveranties aan zowel Irak als Iran, tijdens de eerste Golfoorlog», aldus Emmolo. «Belangenverenigingen uit diverse lagen van de bevolking hebben daar hard voor gelobbyd.» De wet steunt op drie belangrijke pijlers, waarvan «transparantie» niet de minst belangrijke is. Vandaar het jaarlijkse rapport met gedetailleerde exportgegevens.

Bovendien regelt de wet de politieke verantwoordelijkheid. Export naar landen waar mensenrechten worden geschonden en naar landen die in conflict zijn of een bedreiging vormen voor de regio dan wel bijdragen aan terroristische organisaties, is verboden. Dat staat ook in de Europese Code of Conducts (1998), maar die heeft geen enkele juridische consequentie. «Dat toch naar landen als Syrië, India en Algerije is geëxporteerd, geeft aan dat Berlusconi die verantwoordelijkheid niet zo nauw neemt», aldus Emmolo.

Een interministerieel systeem van vergunningen moet de transparantie van de export niettemin waarborgen. Buitenlandse Zaken, Economische Zaken, Defensie en Fiscale Zaken geven de licenties in diverse stadia van de handel uit, zodat er over de hele linie controle is. Uiteindelijk resulteert dat in een certificaat van eindbestemming.

Om het akkoord van Farnborough te ratificeren, is de wet nu aangepast. Op 27 juni 2000 besloten Engeland, Frankrijk, Duitsland, Italië, Zweden en Spanje (samen goed voor negentig procent van de Europese wapen export) tijdens de wapenbeurs in het Engelse Farnborough de gezamenlijke oorlogsproductie te bevorderen door het wegnemen van bureaucratische hobbels. Zo moet er één algemene exportvergunning komen voor coproducties tussen deze zes landen. Het land waar de laatste schroef wordt aangedraaid, is verantwoordelijk voor die vergunning.

De zes van Farnborough lopen hiermee vooruit op een toekomstig gemeenschappelijk buitenland- of defensiebeleid van de EU. Maar zolang dat er nog niet is, wordt gehandeld volgens de binnenlandse richtlijnen. Vooral voor Zweden, Duitsland en Italië geldt dat die interne wetgeving streng is, terwijl Engeland en Frankrijk veel sneller vergunningen uitschrijven.

De Italiaanse regering zag haar kans schoon om de wet 185/90 ruimer te maken dan strikt noodzakelijk was voor ratificatie. Het systeem van één algemene exportvergunning zou ook moeten gelden voor de andere EU-landen, ja zelfs voor alle Navo-partners. Emilio Emmolo: «Zo wordt het wel erg makkelijk om ongecontroleerd, via een ander land, wapentuig te exporteren. Vooral de Oost-Europese landen, die geen strenge criteria hanteren, zullen graag geziene tussenstations worden.»

«Schaamteloos», noemt de centrum-linkse oppositie de wetswijziging. Op 27 maart keurde de Senaat de veranderingen niettemin goed. De Italiaanse Tweede Kamer volgt weldra. Gedeputeerde Piero Ruzzante van de Democratici di Sinistra (DS), voorheen communisten, is verbijsterd: «Juist nu, terwijl we dagelijks beelden van de oorlog in Irak zien, versoepelt Berlusconi de wet, die met veel moeite en door druk vanuit de bevolking tot stand is gekomen. Ongehoord!»

Maar de oppositie staat machteloos. Alleen de bankenlobby had de wet kunnen tegenhouden. Nu de wet toch wordt aangepast, dachten de banken, moeten de betrokken financiers ook maar verdwijnen uit de publicatie. Dankzij tegenstemmen van de kleine katholieke regeringspartij ging dit uiteindelijk niet door.

Het rapport blijft dus jaarlijks gedetailleerd informeren over de wapenexport, inclusief de vermelding van behulpzame banken. Alleen bij internationale coproducties (meer dan de helft van de totale productie) gaan de verantwoordelijkheid en het controlerend oog van de Italiaanse politiek voortaan niet verder dan de eerste douanepost. Het exportrapport over 2003 zal dan ook een heel stuk lichter zijn.