Bermbommen

Ik ben de boekenkast van mijn ouders aan het opruimen en kom het boek tegen dat decennia geleden door het CPNB is bedacht en verspreid, als het toen al CPNB heette in het pre-Henk Kraima-tijdperk. Ik kan het nu niet meer nazoeken want ik ben in een drieste bui en stop de verzameling van jaren en jaren heel gauw in dozen.

Mijn oudste broer is in de keuken bezig. Af en toe komt hij kijken hoe het gaat. De dozen stapelen zich op.
‘Zo meteen maar naar de vuilstort?’ vraagt hij.
Ook hij moet ergens heen met zijn emoties.
Wit omslag, grote blauwe of zwarte letters: Je weet niet wat je leest.
De grap van het boek was dat zonder auteursvermelding allerlei tekstfragmenten bijeen waren gebracht. Je wist dus niet of je een verhaal van Mulisch aan het lezen was of van Jos van Manen-Pieters. Ik las het boek overigens toen ik hier nog niet helemaal de grap van kon doorgronden. Ik was gewend gewoon alles te lezen zonder aanzien des persoons. Het zou mij verder een biet wezen: literatuur of lectuur. Aan de boekenverzameling van mijn ouders te zien was dat ook niet hun voornaamste zorg. Ik was even verslingerd aan de Carmiggelt-omnibus als aan de Maria & Giuseppe-trilogie van een obscure schrijver. Een van mijn lievelingsprogramma’s op tv was de filmquiz Voor een briefkaart op de eerste rang, maar ik snapte ook al niet waarom ze steeds naar de naam van de regisseur vroegen. Het ging toch om de filmsterren?
Mijn broer steekt zijn hoofd om de deur. ‘Er staat nog een fiets in de berging’, zegt hij.
Ik stop Lijmen/Het been, dat ik aan mijn vader gaf toen hij zijn heup had gebroken, weer in een andere doos. Daarin ligt ook de etiquette-gids van Amy Groskamp-ten Have. En zo'n adviezenboek voor net getrouwde stellen. Wat zal ik met de mappen van Openbaar Kunstbezit doen?
‘Ben zo terug’, zegt mijn broer en hij zwaait met een sleutel.
Toen ik eenmaal de jaren des onderscheids had bereikt, pakte ik Je weet niet wat je leest nog wel eens uit de kast, net als Wat vind ik in de duinen? De bladzijden ademden een landerig soort spelelement uit. De fragmenten leken uitgezocht op het weinig tot non-descripte karakter. Iedere schrijver moet natuurlijk wel eens een personage een kamer laten binnengaan, of een glas water laten leegdrinken. Je hoeft ze niet die hele trap op te laten lopen, placht Anthony Mertens te zeggen tegen de auteurs die hij begeleidde, en dan ook nog die deur open te laten doen. Maar ondertussen worden er heel wat loze trajecten afgelegd in de Nederlandse letteren. De enige schrijver die er luidkeels prat op gaat geen zin te schrijven die een ander ook zou kunnen schrijven, is Herman Brusselmans. De enige schrijver die het daadwerkelijk klaarspeelt om in romans met een gemiddelde omvang van vijfhonderd pagina’s geen zin te schrijven die een ander zou kunnen schrijven, is A.F.Th. van
der Heijden.
De fotoalbums staan op de onderste plank. Die moeten in een aparte doos.
Over stijl wordt nogal eens gewichtig gedaan. Dat het alles is bijvoorbeeld. In de praktijk is weinig zo hinderlijk als een al te opzichtige stijl. Ook in de praktijk: weinig zo deprimerend als een conglomeraat van grijze zinnen. In de trein op weg hiernaartoe begon ik in een nieuwe roman. ‘Terwijl de trein het station uit rijdt, staat de vrouw naast hem op’, las ik. ‘Ze trekt haar jas uit.’ Kraakhelder Nederlands, maar het werkt me op de zenuwen. Waarom zegt de schrijver niet hoe die jas eruitziet? Of wat eronder vrij komt? Angst lijkt me. Onvermogen. Probeer iets te zeggen en je kunt op je bek gaan.
Mijn broer is weer terug. Hij kijkt de kamer rond.
‘Wat doen we met de kast van tante Bets?’
Ik wist dat die vraag ging komen.
Ik moet gewoon meer geduld hebben. Het kan best nog wat worden met dat boek. Wat zei Gerrit Krol ook al weer? Er bestaat niet zoiets als een goede stijl. Een stijl is goed als die goed is voor de inhoud. Daarom heeft zo'n blinde bloemlezing, met fragmenten die allemaal uit hun verband zijn gelicht, bij voorbaat iets nietszeggends. Iets doods. Als ik zap, weet ik ook niet wat ik zie: een aflevering van Gooische vrouwen of een film van Alex van Warmerdam. Ooit wel eens een stuk tomaat geproefd met gesloten ogen? Je weet niet wat je eet, maar het smaakt niet.
De kast van tante Bets is zo'n kast met
laatjes en een uitklapbaar werkblad. Ik maakte er mijn huiswerk aan. Mijn vader heeft eraan gewerkt.
‘Ik weet niet’, zeg ik. ‘Volgens mij moeten we even wachten.’
Mijn jongste broer moet nu zo ongeveer terugkeren uit Afghanistan. Het laatste wat hij ons meldde was dat de Baluchivallei nu op z'n mooist is. Zo groen, we hebben geen idee. Het maakt het alleen nog lastiger om te zien waar wat ligt.