Vorige week overleed hij in zijn woonplaats Londen. Met Nederland verbond hem weinig meer, al heeft het hem postuum geëerd als een van Hollands grootste zonen. Zijn kunst en zijn betekenis zijn afgelegd, de gemeenplaatsen uitgeperst als een citroen, de herinneringen Holland-familiair gebalsemd als het voor iedereen herkenbare verhaal van kwetsbaar meesterschap. De Haitink die in 1987 na Mahlers Negende zijn baton liet vallen; in een door sentiment beheerste wereld zijn dat de meest gekoesterde herinneringen. Onze maestro, groots maar menselijk, worstelend als wij.

Onwaar is het niet. Privé was Haitink het schuwe type dat de confrontatie met de buitenwereld uit de weg ging of op ongelukkige momenten opzocht om zijn gram te halen. In de tijd van de Notenkrakersactie van 1969 tegen zijn Concertgebouworkest, toen de jonge garde hem niet helemaal terecht verweet te weinig nieuwe muziek te dirigeren, nam Haitink niet de handschoen op. Soms speelde hij met onhandige mediamomenten tegenvoeters in de kaart. Toen een deel van het Concertgebouworkest van hem af wilde; toen hij zich overvallen voelde door de aanstelling van zijn opvolger Riccardo Chailly en potige uitspraken deed over de gevolgen voor de orkestklank. Het leidde tot een breuk met het orkest, door trouwe fans gevierd als straf voor de profeet in eigen land. Het kwam weer min of meer in orde, maar zijn afscheid van het Nederlandse publiek in juni 2019 was een uitvoering van Bruckners Zevende met het Radio Filharmonisch, zijn eerste orkest.

Drie maanden later dirigeerde hij nog twee keer de Wiener Philharmoniker, oude vriendschap. Toen ging hij verder met waar hij al mee bezig was: boeken lezen, muziek beluisteren, ‘gewoon leven’. Hij bleef op de hoogte. In 2018 spotte ik hem in Covent Garden, waar hij van 1987 tot 2002 music director was, bij de première van George Benjamins opera Lessons in Love and Violence. Hij was doodgewoon publiek, zoals hij voor studenten van zijn meesterklassen dirigeren – late roeping – doodgewoon en aardig was, vaderlijk betrokken. Toch heette hij in een laatste, prachtige bbc-documentaire niet voor niets The Enigmatic Maestro. Bij andere topdirigenten lijken mens en musicus uit hetzelfde hout. De man Herbert von Karajan was machtmens als de dirigent. Bij Haitink fascineert de afstand tussen zijn gespannen omgang met de buitenwacht en zijn fantastisch zekere helhorigheid in werelden die voor anderen gesloten bleven, ook de grootsten.

Zo’n man laat geen stokjes vallen voor de show

Daar zit zijn geheim, dat nooit zal worden opgehelderd. Soms openbaarde het zich grootser dan de man was, in die meesterlijk beheerste Bruckners en briljant beweeglijke Mahlers. Na zijn eerste Philips-cyclus begon hij de Mahler-symfonieën begin jaren tachtig opnieuw vast te leggen, nu digitaal. In 1982 of daaromtrent verscheen de Zevende. Man, waarom zou je, dacht je. Maar dat begreep je snel. Hij had een spoor gevonden.

‘Lied der Nacht’ is dat stuk wel genoemd. Er komen twee Nachtmusiken in voor en het eerste deel is schaduwrijk en schimmig, nagalm van een mars met solo-commentaar van een tenorhoorn die als een mismoedig fabeldier in lyrisch koeterwaals een magische vertelling voordraagt in de geest van Hoffmann. De Zevende is ontwijkend, moeilijk vaarwater. Maar niemand heeft die muziek ooit zo geniaal zeker gedirigeerd als Haitink. Hypothese: hij herkent de Mahler in zichzelf, de manie en de kramp die ze hier gezamenlijk bevrijden, even. Het beslissende moment komt in het eerste deel bij partituurcijfer 39 na een innige, in al zijn vreedzaamheid beklemmende pastorale dialoog tussen vogelachtige blazers en melancholiek zuchtende strijkers. Verdwaalde weemoed is het, tot een briljante kitschhijs van de harpen uit het harnas breekt en de muziek zich breed maakt in een schitterend massief B-groot dat zonsopgang en -ondergang ineen is, hoogst merkwaardig. Dit noemen ze kitsch. Uit nijd. O, dacht ik als puberjoch verrukt, hij weet het, en wat hij inziet, kan geen mens met woorden zeggen. Dag en nacht droeg ik de discman met me mee, zwelgend in de ongeëvenaarde gevoeligheid voor geheimzinnige tussentoestanden die Haitink met de exactheid van een geigerteller registreerde. Vorig jaar hoorde ik op de radio ongelooflijk goed La mer van Debussy spelen, alles zweefde. Haitink.

‘Op het moment dat ik mijn dirigeerstok oppak, gebeurt er iets met me’, zei hij. Hij wist niet wat het was, wel dat het zelfs voor hem ‘iets heel merkwaardigs’ bleef. Dat was geen gespeelde verlegenheid. In de jaren zeventig nam Haitink Tsjaikovski op, geen repertoire dat je met hem associeert. Met de nodige reserves zette ik de Manfred-symfonie op, dat wonderlijke koekoeksei tussen de officiële symfonieën Vier en Vijf. Na een paar overdonderende maten wist ik het: zijn ziel was in die andere gekropen.

Soms ging het niet. Dan gaf hij niet op, maar legde hij met alle kracht die in hem was de kruisweg naar een hoger inzicht af. Zijn eerste Beethoven-cyclus was ook volgens Haitink ‘terecht naar de eeuwige jachtvelden verwezen’, de tweede beter maar nog steeds bloedsaai, de derde met het London Symphony Orchestra een jaar of vijftien terug een ongenadig keerpunt; dynamisch, sprankelend, haast wild. Haitink had de nieuwe kritische Beethoven-editie van Jonathan del Mar bekeken en iets ingezien. Voorheen had hij van de authentieke uitvoeringspraktijk weinig moeten hebben. Nu hij inzag wat zijn generatie instinctieve maestro’s aan historisch inzicht had geloochend kwam hij tot een vorm van inkeer: kleinere bezetting, nieuwe orkestopstelling met de eerste violen links en de tweede rechts, andere tempi. Alles nieuw en vers, dik in de zeventig. Wie op die leeftijd nog in staat is tot zo’n ommezwaai heeft ruggengraat. Zo’n man laat ook geen stokjes vallen voor de show, hou me ten goede. Eergevoel.