Commentaar: Bernhard

Bernhard veegt de vloer aan met Balkenende

Het leerstuk van de ministeriële verantwoordelijkheid, het fundament van de moder ne constitutionele monarchie sinds Thorbecke, ligt aan gruzelementen, met dank aan demissionair premier Balkenende. In de kortste kabinetsperiode aller tijden ging anderhalve eeuw van moeizaam bevochten evenwicht tussen regering en vorstenhuis in één klap verloren. Herstel: niet in één klap, maar in een zee van klappen en schoppen, en wel die op 27 augustus 2002 vielen in de buurt van het Amsterdamse Oosterpark, alwaar twee werknemers van Albert Heijn een winkeldief aanhielden en vervolgens mishandelden, onder meer door hem, in reeds overmeesterde toestand, een gebroken neus te schoppen.

Hoewel het duo op veel sympathie in de media mocht rekenen, viel het hardhandige burgerarrest bij het Openbaar Ministerie in minder goede aarde, zodat de twee werden vervolgd wegens mishandeling. Dit kwam hun status als volkshelden ten goede, en leidde tot bijval uit de hoogste kringen: prins Bernhard liet via De Telegraaf weten dat hij het «geweldig vond wat die jongens hadden gedaan». Bernhard was zelfs zo gecharmeerd van de actie van de twee mannen dat hij aanbood een eventuele boete van het duo voor zijn prinselijke rekening te nemen. Dat een van de helden al twee keer bleek te zijn veroordeeld vanwege openbare geweldpleging casu quo mishandeling deed daarbij kennelijk niet ter zake.

Deze prinselijke solidariteit had wel een nadeel. Aangezien Bernhard nog altijd deel uitmaakt van de koninklijke familie is al zijn openbare handelen verbonden aan de ministeriële verantwoordelijkheid. De minister-president is uiteindelijk aanspreekbaar op de prinselijke uitlatingen. Zeker in een delicaat geval als interventie in een nog te voeren strafproces bracht dat Balkenende in bedenkelijk vaarwater. De vraag was natuurlijk of de premier het met de prins eens was dat hier sprake was van een gerechtelijke dwaling. Voor een dergelijk initiatief had de prins minstens toestemming aan de eerste burger van het land moeten vragen. Balkenende dorst de confrontatie echter niet aan. Hij verschool zich achter een nietszeggende reactie: «De prins heeft uit zijn hart gesproken.» Dus: hier was sprake van een emotionele oprisping, waar de prins als mens recht op had. Staatsrechtelijk was deze redenering zo lek als een mandje, zoals minister van Justitie Donner aan zijn premier had kunnen uitleggen.

Erger werd het toen bekend werd dat Bernhard de inmiddels bestrafte mishandeling daadwerkelijk voor zijn rekening neemt, wederom zonder de premier daar van tevoren over in te lichten. De actie van Bernhard krijgt nu het karakter van een provocatie. Handig buit hij de demissionaire status van Balkenende uit om alle geboden van de grondwet aangaande de gedrags regels tussen vorst en volk aan zijn laars te lappen. Onder Kok en Lubbers was een dergelijke wilde soloactie on denkbaar geweest. Bal kenende liet zich als een kleine jongen wegzetten door de hoog bejaarde prins en tekende zo zijn eigen brevet van onvermogen als minister-president.