Bernie en Pluto

Maanden geleden werd ik door een kennis gevraagd of ik mee wilde doen aan een benefiet ten gunste van Stichting Contacthond.

Dat is een stichting die zich toelegt op het trainen van honden als hulpmiddel bij therapie. Voor downers, autisten, demente mensen. Ik stemde toe. Ik ben erg voor dieren als ‘smeermiddel’, zowel letterlijk als figuurlijk. In mijn boeken wil ik ze nogal eens inzetten als liaison tussen mensen die het lastig vinden met elkaar te praten, of die moeilijk hun gevoelens kunnen uiten. Vanaf het begin had ik de indruk dat ik de BN'er was. Ik bedoel: dat men mij erbij had gehaald om wat extra aandacht te genereren. Waarbij ik wel mijn bescheiden bedenkingen had: wat ben ik nou helemaal voor onbekende BN'er? We probeerden Koen Verweij erbij te halen, maar die kon of wilde niet. Ik vroeg Martin Hersman, omdat ik hem persoonlijk ken, maar die moest op 13 maart de laatste wereldbekerwedstrijd in Thialf verslaan. Nu denkt de lezer: waarom die (oud-)schaatsers? Ik vergeet te vertellen dat het benefiet op de ijsbaan te Haarlem plaats zou vinden. Het zou een schaatsbenefiet zijn. En ik ben zelf ook een oud-schaatser.

Na een tijdje kwam de vraag of ik een hondenpak wilde dragen. Jawel, zei ik, hoewel ik me afvroeg wie dan nog kon zien dat ik een BN'er was. Iets later: er is een tweede hondenpak, ken jij iemand? Jawel, zei ik, ik vraag mijn oude schaatsvriend Sjoerd. Sjoerd wilde wel. Ongeveer een week voor het benefiet kreeg ik het draaiboek doorgemaild. Daarin werd gesproken over 'honden’ ('12:30 uur: honden staan bij podium voor bekendmaking eerste BN'er’) en BN'ers. Ik deed even niets, mailde toen naar mijn kennis: 'Zeg, wie zijn eigenlijk die twee BN'ers?’ De ene was Monique Smit, zus van, en de andere was iemand uit een beroemde tv-familie die een programma met downers maakt. Aha, Johnny de Mol. Ik deed weer even niets, maar ik vond het enorm pijnlijk. Voor mezelf. Tijdenlang denken dat ik de BN'er was, en dan niets anders zijn dan een vrijwilliger in een hondenpak. Ik schreef terug dat ik het erg pijnlijk vond en dat ik er niet meer aan mee wilde doen. Toen bleek alles natuurlijk een misverstand te zijn. Maar ze konden er nog van alles aan doen, in de krant laten zetten dat ik er ook aan meedeed, en nog zo wat dingen. Nee, schreef ik, daar gaat het niet om, ik hóef helemaal geen BN'er te zijn, maar ik dacht dat ik het was en dan is het pijnlijk als ineens Monique Smit en Johnny de Mol de BN'ers zijn. Bovendien, schreef ik, heb ik wel wat anders aan mijn kop met mijn eigen hond Jasper. Die is blind geworden en ik heb er helemaal geen zin in.

Ik belde schaatsvriend Sjoerd op. Die was bozig, want hij deed het voor mij en als ik het niet deed, deed hij het ook niet. Hij moest hard lachen toen hij hoorde dat ik niet de BN'er was. Godsamme. Ik belde mijn kennis op en zei dat ik het zou doen, maar dat ik dan ook volstrekt anoniem wilde zijn. Ik zou hond Bernie zijn. Schaatsvriend Sjoerd was hond Pluto.

Drie uur lang schaatste ik rond op 13 maart. Het was erg ontroerend. Er waren vijf downers uitgenodigd en die moesten voortgeduwd worden. Dat deden wij, Bernie en Pluto. Monique Smit deed het ook, die kan best goed schaatsen. Ze kan ook erg goed BN'er zijn en ze is veel slanker dan ze op tv lijkt. Downers zijn ergens ook een soort honden: eerlijk en open, lichamelijk, elke dag een nieuwe dag, blij. Maar zoiets mag ik natuurlijk niet opschrijven, want dan worden mensen boos. Altijd worden mensen boos, wát je ook opschrijft, zelfs met de allerbeste bedoeling, zelfs als je het 'most lovingly’ meent, zoals Dame Edna ooit deed. Johnny de Mol zegde af, die was ziek. 'Ja, ja,’ zeiden wij - hond Bernie en hond Pluto - met een knipoog tegen elkaar. Zo zijn BN'ers, die zeggen af, en meestal op het laatste moment.

Toen ik om half vijf thuiskwam - bezweet en nog kortademig door het dikke, pluchen hondenpak, nog half hond - zat mijn eigen hond trillend, hijgend en zacht kreunend op de bank waar hij nooit op mag zitten. Hij had zijn ogen dichtgeknepen, deed ze niets eens open toen ik hem riep. Twee uur later was hij dood. Het was de zondag van Bernie, Pluto en Jasper. Bernie en Pluto konden hun hondenpak van zich afschudden. Jasper niet, die wás een hond. Als je zoiets in een verhaal of boek opschrijft, zou het onwaarschijnlijk of té symbolisch overkomen: baasje speelt drie uur voor hond, terwijl zijn hond thuis op de verboden bank kruipt van ellende, niets anders kan doen dan wachten op de thuiskomst van het baasje.

En toch is het zo gebeurd. En nu ik dit alles zo opgeschreven heb, voel ik me vuil en bezoedeld, maak ik van Jasper een fictief figuur, zijn mijn tranen van een week geleden ineens smoezelig en onecht; verdriet met in mijn achterhoofd alweer allerlei bijgedachtes. Dat verdient hij niet, dat lieve dier. Nu pas voel ik mij een verrader, niet op het moment dat hij in slaap gebracht en gedood werd. Dat kutschrijven ook! Klote-ambacht. Schrijvers zijn vreselijke mensen. Die verdienen het niet BN'er te zijn.