Beroemd door de vijand

In een nieuwe biografie wordt Karl Marx getoond als een denker die ‘de natuurwetten van de kapitalistische productie’ wilde blootleggen. De kapitalistische crisis heeft een (voorzichtige) herwaardering van Marx doen ontstaan.

Voor de status van Karl Marx was 1989 een paradoxaal jaar. Enerzijds betekende de val van de Muur een eclatante bevestiging van zijn en Engels’ profetie uit 1848. In Het communistisch manifest, nog altijd een meesterstuk van zelfverzekerd en intimiderend retorisch vernuft, gaven ze de burgerij alle lof die ze als actieve, dynamische klasse verdiende. Zonder burgerij geen vooruitgang, en zonder vooruitgang geen socialisme. De burgerij zou dankzij de voorspelbare, want ‘wetmatig’ verlopende dynamisering van de economie, alle statische, patriarchale, feodale verhoudingen verpulveren. Zij zou ‘door de snelle verbetering van alle productiewerktuigen, door de oneindig vergemakkelijkte communicatie, alle, ook de meest barbaarse naties binnen de civilisatie’ trekken.

Anderzijds kwam er door de val van de Muur een eind aan het communistische imperium in Oost-Europa dat pretendeerde gebaseerd te zijn op de geschriften van Marx en Engels. Als bron van ideologische wijsheid hadden zij, behalve in China en Noord-Korea, voortaan afgedaan. Niemand geloofde meer in ‘de volledig geplande organisatie van de arbeid’ (Marx), respectievelijk de maakbare samenleving; de staat ‘stierf af’, zij het op een wat andere manier dan ruim een eeuw eerder voorzien. Juist in de ontwikkelde samenlevingen, waar de proletarische revolutie had moeten plaatsvinden, was er al sedert decennia in geen velden of wegen meer een bevolkingsgroep te vinden die enigszins geloofwaardig kon doorgaan voor proletariaat.

Vervolgens schoonde ook de linkse intelligentsia in het Westen haar boekenkasten op. Marx verdween uit de laatste curricula van de diverse academies en sleet zijn nadagen in de kasten van De Slegte. Het ene na het andere zwartboek maakte duidelijk dat de in zijn naam aangerichte verschrikkingen nog erger waren dan we al wisten. Zelfs een bescheiden comeback werd uitgesloten geacht. Toch lijkt daar sinds kort sprake van. Nu de economische crisis heeft bewezen dat de zegetocht van het kapitalisme minder rimpelloos verloopt dan omstreeks 1990 werd voorspeld - en alsnog moest worden toegegeven dat Marx er in dat opzicht dus toch niet helemaal naast had gezeten - duiken de laatste weggestopte exemplaren van zijn werk hier en daar weer op in de openbaarheid.

Voor de tv mocht professor Arnold Heertje, alom gewaardeerd econoom, omstandig uit de doeken doen hoe hij er ooit in was geslaagd een zeldzame eerste druk van Het kapitaal op de kop te tikken. Daarbij vestigde hij de indruk zijn bezit, ook door de presentator met heilig ontzag bejegend, niet alleen om bibliofiele redenen te koesteren. De verguisde denker had ons wel degelijk weer iets te zeggen. Anderen gaan in die herwaardering nog veel verder. Michael Hardt en Antonio Negri, auteurs van Empire (2000), noemen zich nog unverfroren marxist en communist en zijn er nog altijd van overtuigd dat ‘het kapitalistische systeem’ zijn eigen ondergang bewerkstelligt. En ook de van oorsprong Sloveense filosofische mannetjesputter Slavoj Zizek, die Marx combineert met Lacan, vindt de tijd rijp voor een nieuwe, liefst wereldwijde klassenstrijd.

Gelukkig verschijnen er daarnaast boeken die het werk van Marx evenwichtiger herwaarderen. Daarvan is het recente Die Geister, die er rief van Rolf Hosfeld, filosoof, auteur en filmproducent, het overtuigendste voorbeeld. Hosfeld is geen gelovige, oud-gelovige of bekeerling, en dat is in de Marx-studie betrekkelijk ongebruikelijk. Het maakt dat hij zijn onderwerp met een aangenaam neutrale blik beziet, er valt niks te verdedigen, goed te praten of te verontschuldigen. Zijn boek is bovendien zeer goed geschreven, het is vrij van sektarisch jargon en ideologische haarkloverijen. In literair opzicht kan het zich meten met de biografie van Fritz Raddatz, maar het is veel handzamer en meer to the point. Ook voor wie een volkomen vreemde is in het land van Marx en Engels moet het buitengewoon verhelderend zijn.

Via de ondertitel presenteert Hosfeld zijn studie als ‘een nieuwe biografie van Karl Marx’. Dat nieuwe kan niet slaan op de ontdekking van tot nu toe onbekende levensfeiten, want daarvan is geen sprake, wel op het perspectief van de auteur. Hij brengt Marx’ denken in verband met zijn maatschappelijke ontwikkeling en met de nationale en internationale politieke geschiedenis. In biografische zin slaat hij juist veel over dat de blik op de hoofdlijnen vertroebelt. Zo lezen we niets over zijn herkomst, zijn ouders en zijn kinderjaren. De biografie begint in 1844, een jaar nadat de dan 26-jarige Marx het slachtoffer is geworden van de Pruisische censuur en is ontslagen als hoofdredacteur van de liberale Rheinische Zeitung. Hij heeft zijn toevlucht gezocht in Parijs en noteert even teleurgesteld als strijdvaardig: ‘Het wapen van de kritiek kan de kritiek van de wapens niet vervangen’ - een van de vele typische chiasmatische aforismen waarin hij zijn leven lang zou grossieren. Hosfeld ziet, ik denk terecht, in deze gebeurtenis een hoofdoorzaak van de radicalisering die Marx nu onderging.

Via een terugblik belanden we dan bij het biografische startpunt van zijn verhaal, de jaren dat Marx studeerde aan de Berlijnse universiteit, waar hij vooral onder invloed van de dissidente theoloog Bruno Bauer het wapen van de kritiek leerde kennen. Het valt op dat Hosfeld al in Marx’ vroegste uitingen en stellingnamen de kern ziet van wat hem levenslang zal bezighouden. Waar andere, meestal partijdige interpreten, graag een breuk zien tussen de jonge en de ‘rijpe’ Marx, tussen de humanistische filosoof en de politieke econoom, ziet Hosfeld toch vooral een hoge mate van continuïteit. Zo wijst hij erop dat de kern van Marx’ economische theorie al aanwezig is in de leer van Bauer, die religie zag als een product van de menselijke fantasie dat zich zozeer had verzelfstandigd dat het als een duivelse macht tegenover de mensen stond.

Precies die denkfiguur bleef Marx zijn hele leven volgen: ook in het kapitaal zag hij, jaren later, een door de mensen onbewust gecreëerde demiurg die zich heeft verzelfstandigd tot een vreemde, hen beheersende macht. Die ‘vreemdheid’ kon en moest ongedaan worden gemaakt door de productiemiddelen onder direct beheer van de arbeiders te brengen; Marx geloofde, net als Rousseau, nog in de mogelijkheid van een directe democratie. Maar hij was er ook van overtuigd dat de geschiedenis zich al noodzakelijkerwijs in die richting bewoog. In feite was al zijn wetenschappelijke werk erop gericht dat aannemelijk te maken.

Het uur van de burgerij had geslagen; de revolutie, die een einde zou maken aan de ‘voorgeschiedenis’ van de mensheid, stond voor de deur. Anderhalve eeuw voor Fukuyama voorzag Marx een end of history, zij het onder een totaal ander voorteken. Al in 1843 liet hij weten dat de tegenstellingen binnen de kapitalistische productiewijze zo groot waren dat ze binnen dat systeem niet opgelost konden worden. Naar analogie van de Franse Revolutie, die de burgerij als ‘algemene stand’ aan de macht had gebracht, zag hij nu in het uitgebuite proletariaat een klasse die dankzij haar totale onderdrukking was voorbestemd een wereldhistorische bevrijding door te voeren. Het proletariaat zou met andere woorden het belang van de hele mensheid belichamen.

Marx had de pretentie niet minder dan ‘de natuurwetten van de kapitalistische productie’ bloot te leggen, zuiver wetenschappelijk en los van, bijvoorbeeld, psychologische factoren. Engels schreef in 1884 nog dat hij zijn communistische verwachtingen nooit had gebaseerd op ‘een morele aanklacht tegen uitbuiting’. Maar Hosfeld maakt met behulp van gegevens over de economische ontwikkelingen in de negentiende eeuw duidelijk dat Marx nooit zozeer de feitelijke gang van zaken beschreef als wel ‘de logische figuur van een polarisering’. Feiten konden zijn theorie niet weerleggen. Voor hem gold in dat geval, net als voor Hegel, het verdict: jammer voor de feiten.

Marx was een geschiedtheoloog, ervan overtuigd dat de rijken steeds rijker en de armen steeds armer zouden worden. Dat de armen, die niets te verliezen zouden hebben dan hun ketens, er in werkelijkheid, zij het aanvankelijk mondjesmaat, óók op vooruitgingen, was in zijn denkkader onvoorstelbaar. Voor de reële verbetering van hun levensomstandigheden had hij geen oog, zo min als voor het ontstaan van een middenklasse, al was ook bij hem, als politiek denker, na de Commune van Parijs (1871) het geloof in de revolutie danig getaand.

Het behoort tot de ironie van zijn levensgeschiedenis dat Marx uiteindelijk de meeste invloed zou hebben op de politieke groepering waarvan hij eigenlijk niets moest hebben, die van de sociaal-democraten. Via hen werd hij, aanvankelijk vooral in Duitsland, beroemd. Terwijl er van het eerste en enige door hemzelf voltooide deel van Het kapitaal (1867) na vier jaar pas duizend exemplaren waren verkocht, werd Bebels gepopulariseerde, sterk utopische versie van het marxisme in Die Frau und der Sozialismus een ongekende bestseller. Lasalle, Bernstein en Liebknecht namen het op voor de lotsverbetering van de arbeiders maar wisten beter dan Marx wat er praktisch te doen stond. Marx heeft nog zijn uiterste best gedaan via uitgebreide kritische ‘randglossen’ het ‘demoraliserende programma’ van de gefuseerde Duitse arbeiderspartij, zoals geformuleerd in het Programma van Gotha (1875), te beïnvloeden, maar zonder succes.

Zijn uiterst vage concept van een ‘dictatuur van het proletariaat’ als overgang tussen kapitalisme en communisme werd door geen van de leidende sociaal-democraten nog serieus genomen. Zijn getergde Randglossen verdwenen in een verre la; pas in 1891 verschenen ze in druk, vanuit antiquarisch, niet vanuit enig actueel politiek perspectief. Hosfeld maakt aannemelijk dat Marx zich ook zelf al in 1877 had neergelegd bij het idee dat ‘de werkelijke beweging’ van de arbeidersklasse eerder door de sociaal-democraten dan door zijn eigen theorie werd doorzien. Aan het eind van zijn leven was de geniale auteur van Het communistisch manifest sociaal-democraat tegen wil en dank. In 1889, zes jaar na zijn dood, werd zijn werk, minus zijn revolutietheorie, het uitgangspunt van de tweede (socialistische) Internationale.

Maar zoals bekend wilde de Russische advocaat Wladimir Uljanow, beter bekend als Lenin, daar niets van weten. Blijkens het bolsjewistische oprichtingsgeschrift Wat te doen? (1902) had hij geen boodschap aan de ‘werkelijke beweging’ van de arbeidersklasse. Hij zocht het opnieuw in de kritiek van de wapens, met alle bloedige gevolgen van dien. Met de summiere beschrijving daarvan beëindigt Hosfeld zijn briljante essay.

ROLF HOSFELD
DIE GEISTER, DIE ER RIEF:
EINE NEUE KARL MARX BIOGRAFIE
Piper Verlag, 260 blz., € 19,95
(Verschijnt in Nederlandse vertaling in april bij uitgeverij Atlas)