Beroepsgeheim

Ooit werden zonden opgebiecht aan de priester, die aan een beroepsgeheim was gebonden. Hoe erg de belastende feiten ook waren, je kon er redelijk van op aan dat de priester je geheimen niet aan de politie of andere belanghebbenden doorspeelde.

Ook al had je een moord gapleegd of je zuster verkracht: je vroeg vergiffenis, zei een stuk of duizend gebeden op en daarmee was de kous af.
Nu de psychotherapeut in veel opzichten de rol van biechtvader heeft overgenomen, ligt het voor de hand om te veronderstellen dat deze beroepsgroep over informatie beschikt die maatschappelijk van belang is. Het zijn immers niet alleen daders die te biecht gaan bij de psychotherapeut; ook slachtoffers van misdrijven luchten hun hart en noemen namen van mensen die zij verantwoordelijk houden voor hun leed. Tot voor kort was het een onomstreden feit dat psychotherapeuten gebonden waren aan hun beroepsgeheim en dat zij er - net zoals advocaten - niet over piekerden de rechten van hun cliënten te schenden. Psychiaters en advocaten waren de enigen aan wie een misdaad kon worden gemeld zonder angst voor juridische gevolgen. Ook misdadigers hadden recht op bijstand, daar was iedereen het over eens, en het beroepsgeheim was een nuttig middel om deze hulpverleners niet in gewetensnood te brengen.
In de afgelopen maand is het twee keer gebeurd dat het beroepsgeheim opvallend werd geschonden. De advocaat van Dutroux zei in het openbaar zijn cliënt niet langer te willen verdedigen, omdat hij na een gesprek met hem ervan overtuigd was dat hij schuldig was.
Gek genoeg kwam Dutroux’ advocaat hiermee niet in aanvaring met zijn beroepsvereniging, alsof de kindermoordenaar zijn recht op verdediging had verspeeld en zijn advocaat dus niet langer aan zijn beroepsgeheim gebonden was.
Vorige week werd een psychotherapeute berispt door het NIP (Nederlands Instituut van Psychotherapeuten) omdat zij een cliënt bij de politie had aangegeven nadat die haar had verteld dat hij de ‘balpenmoord’ had gepleegd. De psychotherapeute was bang dat de jongen opnieuw een moord zou plegen en schakelde justitie in.
In Amerika komt het steeds vaker voor dat psychiaters en psychologen zich verplicht voelen hun burgerplicht te vervullen als zij informatie hebben over misdrijven. Het is gebruikelijk dat therapeuten incestgevallen rapporteren, opdat de schade zoveel mogelijk beperkt kan worden.
Ook in Nederland heeft de inspectie er geen problemen mee als de therapeut een incestgeval meldt aan het Bureau Vertrouwensartsen.
Dat is vreemd, omdat daarmee een waardeoordeel wordt gegeven over de ernst van het misdrijf. Waarom wordt alleen een therapeute berispt die een vermeende moordenaar aangeeft van wie ze vermoedt dat hij opnieuw iemand zal ombrengen? Is incest erger dan moord? Of is men beïnvloed door de media, die geneigd zijn meer aandacht aan zedendelicten te besteden?
Als het waar is dat de psychotherapeut (en de advocaat) geacht worden in sommige gevallen hun 'burgerplicht’ te vervullen en hun beroepsgeheim daaraan ondergeschikt te maken, dan zullen zij automatisch geleid worden door actuele gebeurtenissen. De serieverkrachter in Utrecht, overspannen vaders die hun kinderen vermoorden, een grote incestzaak zoals in Epe of een psychopaat als Dutroux.
Ooit interviewde ik een therapeute die seksueel misbruikte kinderen behandelde. Zij maakte er een gewoonte van namen van daders niet alleen aan de politie te rapporteren, maar in sommige gevallen ook aan de pers. Als een rechercheur screende zij de verklaringen van haar cliënten op het waarheidsgehalte en stemde haar handelingen daarop af.
De therapeut als burgerwacht. De waakhond van de politie.
Plichtsgetrouw en niet gehinderd door enige kennis van zaken.