Beroepsherinneraar

VIJF SCHOENENDOZEN vol met brieven heeft ze staan. Het zijn vooral oude mensen die haar schrijven, vaak Rotterdammers. Door de verhalen over het vooroorlogse Rotterdam die Tonny van der Horst in NRC Handelsblad en in boekvorm publiceert, borrelen hun herinneringen ook weer op. Herinneringen aan heel gewone dagelijkse dingen. Aan de kruidenier op de hoek, aan de bakker waar ze eertijds hun brood haalden. En ze stellen haar vragen: of zij nog wat weet van een anti-reumazalfje uit grootmoeders tijd, of namen kent van dekschuiten die in de jaren twintig aan de Schiekade lagen.

Als Tonny van der Horst naar Rotterdam gaat - ze woont al weer meer dan vijftig jaar in Amsterdam - houdt ze audiëntie in hotel New York. De mensen willen met haar praten. Over vroeger. Haar geheugen voor het alledaagse is ook fenomenaal. Ze is, kan je zeggen, een beroepsherinneraar. ‘Het is’, zegt ze, 'alsof ik een reeks momentopnamen uit mijn leven heb verzameld in een denkbeeldig album. Dat kan ik willekeurig openslaan en doorbladeren. Ik zie de beelden ook nog altijd heel scherp voor me. Ik heb waarschijnlijk als kind een grote opmerkzaamheid gehad. Was veel alleen, zonder broertjes of zusjes. Mijn ouders waren veel weg en ik werd bij mijn grootmoeder geplant. Daar moest ik op een stoel gaan zitten en mocht ik verder niets. Ik zat altijd voor het raam en de winkels die ik zag, kan ik nog uittekenen. De firmanamen weet ik nog allemaal precies. Het verleden blijft nog altijd voor mij leven, anders zou ik er ook niet met zo veel plezier over kunnen schrijven. José Saramago, de Nobelprijswinnaar, heeft gezegd: “Alles wat vergeten is, is dood. Zolang ik me mijn grootouders herinner leven ze nog. We hebben daarom de plicht ons te herinneren.” Nu vind ik het niet zozeer mijn plicht om te herinneren, en ik doe het ook niet plichtmatig, maar ik heb bepaalde dingen en bepaalde mensen met zo veel liefde aanschouwd, zo met ze geleefd, dat ze echt in mijn hart opgesloten zitten, om het een beetje pathetisch te zeggen. En daardoor zijn ze niet dood, ze leven nog voor mij.’ HAAR ALBUM BEGINT in de Eerste Wereldoorlog; ze is van 1915. Haar vader had het kappersvak en zijn goede zaak eraan gegeven. Hij moest en zou variété-artiest worden. Toen zij zes maanden oud was, verhuisden ze naar de Schotelbosstraat in Rotterdam. Een 'heel eenvoudige’ straat. 'We woonden er boven een lorrenman’, vertelt Tonny van der Horst. 'Ik denk dat hij een Poolse jood was. Hij had een mooi gezicht met een zwarte baard en ringetjes in zijn oor en droeg altijd een pet. Hij had een hele bleke vrouw die je bijna nooit zag en twee kinderen. Ik zat in een groen opklapbaar wagentje als ik langs die gevel ging. Het raam werd nooit schoongemaakt, erachter zag je de voddenbalen en de afgedankte japonnen en herenkostuums die er hingen. Het leek net een aquarium met rotsen waar de vissen doorheen zwommen. In mijn wagentje werden pakken koffie ingeslagen, en flessen slaolie. Ik zat er heel ongemakkelijk op. Het was de Eerste Wereldoorlog en hamsteren was verboden. Ik herinner me de liedjes die in de oorlog werden gezongen. “De regering geeft alles op bon,/ de suiker, de koffie, de blom./ Alleen als de boel weer uitverkocht is,/ krijg je voor je bon lekker niks.” Vroeger zongen de mensen vrij veel in huis als ze met iets bezig waren. Tegenwoordig hoor je bijna nooit meer iemand, een huisvrouw, gewoon zingen.’ Haar ouders traden samen op. En het was sappelen, ze moesten werken voor een habbekrats. Ze traden op in kleine bioscoopjes, zaaltjes voor verenigingen, circussen en op bruiloften en partijen. 'Mijn vader kwam meestal pas om twaalf uur ’s nachts met zijn citer thuis. Als hij van buiten de stad kwam, was de tram weg en dan moest die arme man met zijn loodzware citer naar huis lopen. Als mijn grootmoeder niet op me kon passen, dan namen ze me mee en zat ik tussen de coulissen en snoof ik de schminklucht op. Ik keek mijn ogen uit. Was heel trots op mijn ouders, alhoewel ze heel andere mensen werden. Met die schmink op hun gezicht, mijn moeder in een glitterjapon. Ik was ook een beetje jaloers, want ik hoorde er niet bij. Later is mijn vader ook revuetjes gaan doen. Tussen de liedjes en schetsjes moest iets leuks gebeuren. Dan hadden ze vijf, zes meisjes. Girls heet dat tegenwoordig. Daar danste ik dan mee; dertien was ik toen ik ermee begon. Je had van die etablissementen zoals je die op de film nog wel eens ziet. Een klein rokerig zaaltje met tafeltjes en stoeltjes en zo'n rood fluwelen, beetje flets doek dat opengaat. Dan zie je een klein toneel met vage coulissen en een meisje dat liedjes zingt. De armoe droop er eigenlijk af. Nu is het variété uitgestorven. Vroeger in de bioscoop was de film bijzaak; het publiek kwam voor de mensen op het toneel. Drie, vier verschillende optredens waren er. In de crisisjaren, toen de bioscopen steeds leger werden, is het variété afgeschaft. De theaterdirecteuren konden het niet meer betalen. Mijn moeder was een zogenaamde soubrette, die zie je ook niet meer. Ik werd vrij degelijk opgevoed. Maar ze vonden het ook weer best dat ik op zo jonge leeftijd op het toneel stond. Terwijl andere ouders zouden zeggen: “Ga je huiswerk maken.” Achteraf heb ik ze dat wel eens kwalijk genomen. Ik heb een opleiding van niks gehad. Ik ben later wel naar de avondschool gegaan. Victor van Vriesland heeft mij, toen het serieus werd en hij met me wilde trouwen, als een soort my fair lady naar Den Haag gestuurd. Daar heb ik veel ingehaald. Nederlandse literatuur. Frans, Duits, Engels. Maar het komt nooit meer helemaal goed als je zo'n verbrokkelde opleiding achter de rug hebt.’ ZE WAS VIJFTIEN toen ze verhalen begon te schrijven. Tijdens de crisis moest zij ook uit werken. Ze had baantjes op kantoor en in winkels. 'Ik moest verdienen en dat deed ik liever met schrijven. Ik schreef voor Groot Rotterdam. Tot ik een verhaal had geschreven voor Groot Rotterdam dat de hoofdredacteur te goed vond. Hij stuurde me naar Victor van Vriesland van de NRC. Ik ging regelrecht naar hem toe en werd door een portier in een aparte kamer gelaten, met het vreselijke lawaai van zetmachines op de achtergrond. Ik heb daar minstens een kwartier op hem zitten wachten, met dat verhaal tussen mijn vingers geklemd. En toen kwam hij eindelijk zeer verstoord binnen. Je kunt niet zeggen binnenlopen, hij kwam binnenstúiven. Hij nam me nauwelijks op en zei dat hij niet gewend was mensen te ontvangen die niet van tevoren hadden opgebeld. Ik dacht: hoe kom ik hier weg. Ik stond er met een vuurrood hoofd. Ik gaf mijn adres op en was dolblij toen ik weg kon, niet wetende dat ik viereneenhalf jaar later met deze oude meneer zou trouwen. Ik was zeventien, hij was 23 jaar ouder.’ Victor van Vriesland bestelde haar bij hem thuis om een stuk te corrigeren. 'Ik was heel erg geïmponeerd. Hij had mij naar de Leuvenhaven laten komen. Daar woonde hij in een van die oude patriciërshuizen. Hij had geen kamer, maar een zaal, met vier-, vijfduizend boeken langs de wand. Wij hadden thuis vijf boeken en daar bleef het bij.’ Er ontstond een liefdesrelatie en een nieuwe wereld ging voor haar open. Een wereld van galapremières in bioscopen, van schrijversfeesten waar werd gewalst - schrijvers waren toen nog respectabele burgerheren -, van diners en cocktailparty’s in avondtoilet, kunstenaarssociëteiten en drank. Voor haar zelf geen drank. Roland Holst noemde haar liefkozend Lima, vanwege de limonade die ze dronk. 'Ik leerde allerlei mensen kennen’, vertelt ze. 'Jan Campert, Jacques Bloem, Clara Eggink, Marsman. We gingen met ze eten in de stad, ik had nog nooit van mijn leven in de stad gegeten. Het waren altijd heel goede adressen, waar we knipmesbuigend werden ontvangen. En we gingen naar Katendrecht, Chinees eten. In de eethuizen hingen wonderlijke kralen gordijnen, waarachter duistere, half verlichte zaaltjes die vreemd stil waren. Daar werd opium gerookt. Ik vond alles prachtig. Ik was verschrikkelijk verliefd op Vic en dat moest ik vooral geheim houden voor thuis. Mijn moeder kwam erachter en ik hoor haar nog uitroepen: “Mijn dochter met een jodenman! En dan nog een weduwnaar!” Ik ging naar de eerste diners van de PEN en van de Vereniging van Letterkundigen. Top Naeff kwam daar, toen al een keurige oude dame met een beetje bedroefd lachje. Annie Salomons. En een doodenkele keer heb ik daar ook wel Henriëtte Roland Holst ontmoet. Toen ik P.C. Boutens daar voor de eerste keer ontmoette zei hij neerbuigend: “En juffrouw Van der Horst, schrijft u ook gedichten?” “God”, zei ik, “meneer Boutens, we hebben verleden week nog samen in Helicon gestaan.” Helicon was een vrij bekend literair tijdschrift. Na die tijd moest ik altijd naast hem zitten tijdens diners. Hij kon aardig drinken en als hij een slok op had, begon hij zijn eigen gedichten te reciteren. Dan dropen zijn tranen langs zijn geelbleke wangen. We zochten Boutens ook een enkele keer thuis op. Een soort huisknecht in rokkostuum en met witte handschoenen aan serveerde aan tafel. Men fluisterde dat het zijn vriend was.’ Als een fair lady deed ze haar intrede in de Haagse society. Het was de tijd dat het als een lopend vuurtje rondging als je per ongeluk je lange rok een stukje had opgetild op een party van de gezantschapssecretaris. Victor van Vriesland was haar Professor Higgins. 'Toen ik later My Fair Lady zag, kwam me dat bekend voor. Ik wil niet zeggen dat ik plat Rotterdams sprak, maar ik had een bepaald accent. Vic heeft dat er bij wijze van spreken uitgeslagen.’ TONNY VAN DER HORST debuteerde in 1958 met de bundel novellen Behalve jij en ik. Daarvoor had ze alleen in kranten en literaire tijdschriften gepubliceerd. In 1971 verscheen de kleine roman Een engel achter een handkar en, wederom met een lange tussenpoos kwam in 1990 Het huis aan de Schiekade uit. Onlangs zagen Vroeger is niet voorbij en Vroeger leeft nog het licht. Net als Het huis aan de Schiekade, een autobiografie van de eerste 22 jaar van haar leven, roepen ze sfeervol het Rotterdam van haar jeugd op. Wat vooral bijblijft van beide boeken zijn de details uit die tijd: de geur van gebraden vlees en vanillepudding, de feesten op de verjaardag van koningin Wilhelmina op 31 augustus, de eerste socialisten, de aanbieding van Piggelmee op de koffiepakken van Van Nelle, het straatbeeld. 'Vroeger liep er bijna geen mens op straat’, herinnert ze zich. 'De stad was veel leger. En er stond in een straat maar één auto geparkeerd, waar de mensen om samendromden. Ze wachtten tot de eigenaar uit rijden ging. Het straatbeeld werd bepaald door allerhande hand- en paardekarren. De kar van de melkboer, de groenteman, de bakker.’ En ze weet nog dat ze voor het eerst een radio hoorde. 'We gingen luisteren bij een collega van mijn vader. Daar hoorden we een concert van Willem Mengelberg uit Amsterdam. We zaten ademloos te luisteren en staarden elkaar aan. “Hoe kan dat”, zeiden onze ogen, “dat we hier in Rotterdam bij elkaar zitten en we uit dat ebonieten ding dat concert kunnen horen?” Het was een wereldwonder. Toen de televisie kwam, vond ik dat veel minder wonderbaarlijk.’ Voor Liefde en oorlog (1995) geldt in feite hetzelfde als voor Het huis aan de Schiekade: Tonny van der Horst vertelt niet het grote verhaal van de geschiedenis, maar het kleine verhaal van het dagelijks leven. Ze laat zien wat je haast vergeet als je de oorlog niet hebt meegemaakt: dat het leven in veel opzichten gewoon doorging. 'In de eerste oorlogsweken’, zegt ze, 'zat je te wachten tot er wat ging gebeuren, maar er gebeurde niets. De bakker bakte zijn brood, de tram reed gewoon en de moffen deden ook nog niks. Dat is pas later gekomen. In Rotterdam hebben de mensen de eerste maanden natuurlijk ontwricht geleefd, dat kan niet anders. In Amsterdam liepen de soldaten op straat roomsoezen te eten. Ik dacht: is dat nu het geweldige leger van de Duitsers? Niets was nog gesloten, er werd nog niets over joden gezegd, je kon ’s avonds nog laat uitgaan. Na de eerste dagen heerste een soort opluchting: we leefden allemaal nog. Tot de jodenvervolging kwam. Toen kreeg je de angst en ging je ook niet meer uit. We hadden een vaste avond in Americain, waar iedereen kwam. Daar kwam je natuurlijk niet meer op het laatst.’ Victor van Vriesland dook, nadat ze zich eerst hadden teruggetrokken in het arcadische Bergen, onder in Zwolle. Zij werd op een ander verliefd; na de oorlog zou ze van hem scheiden. 'Ik ben hem blijven opzoeken tot de treinen niet meer gingen. Hij haalde mij van het station, hij had een vals persoonsbewijs. We gingen naar het huis van een vrouwelijke tandarts, ik wist niet waar hij precies ondergedoken zat. We dronken thee; ’s avonds gingen we ergens in Zwolle eten, op een adres dat zo half restaurant, half familiepension was. Dat deed ik één keer in de maand en dan bracht ik geld mee. Dat geld kreeg ik weer van Henriëtte van Eyk, die liep daarmee rond in haar beha en haar kousen.’ TOEN DE OORLOG uitbrak woonde ze in Amsterdam, omdat Victor van Vriesland redacteur van De Groene Amsterdammer was geworden. Daar hoorde ze van het bombardement op Rotterdam. 'Zodra het kon ben ik naar Rotterdam gegaan. Met mijn vader ging ik naar de binnenstad. Er was niets van over, niets dan puin. Je zag puinhopen van de Schiekade tot aan de Maas. Ik heb me dat vreselijk aangetrokken. Na het bombardement realiseerde ik me dat alles uit mijn jeugd weg was. Alle herinneringen aan de stad, iedere steen die ik uit mijn jeugd kende. Daardoor ben ik zo veel van Rotterdam gaan houden. Daarom wil ik het vasthouden door erover te schrijven. Nu loop ik als een vreemdeling door de stad. Ik ken heg noch steg. Maar ik kan het niet laten, ik kom toch nog eens in de twee maanden terug. In Amsterdam ben ik op visite; in Rotterdam ben ik thuis. Ook al woont er bijna niemand meer die ik ken. Onder de nieuwe stad ligt mijn verleden.’