Groepje jonge Surinaamse vrouwen, Eugen Klein, ca.1900. Lichtdruk op karton, 90 x135 mm © Eugen Klein / Rijksmuseum collectie

De anyisa, het hoofddeksel dat Surinaamse vrouwen traditioneel dragen, was veel meer dan een kleurrijke vierkante lap stof die op het hoofd wordt gevouwen. Je kon er een boodschap mee afgeven. Aan de manier van vouwen was af te lezen in welke stemming de draagster verkeerde, of zij in vrede kwam of op ramkoers was. Was de anyisa recht of scheef op het hoofd geplaatst, dan had dat een bedoeling.

Roline Redmond geeft in De Doorsons ook betekenis aan het hoofddeksel als het over haar familiegeschiedenis gaat. Halverwege haar zoektocht krijgt ze een van de antieke anyisa’s van haar overgrootmoeder Constantia. Haar anyisa’s zouden zijn opgeborgen in een kledingkist die na haar dood in 1925 was doorgegeven van familielid op familielid en was geëindigd in het overvolle huis van een oom in Suriname, maar hij had geen idee waar de bonte stoffen waren gebleven. Na zijn dood overhandigt zijn vrouw Redmond een grauwbruine lap. Het vod met slijtgaten en inktvlekken kan onmogelijk een anyisa van haar trotse overgrootmoeder zijn geweest, denkt zij teleurgesteld. Maar dan schiet door haar heen dat het lorrige lapje een pars pro toto is; een beeld dat staat voor de nietige geschiedenis van haar familie. De verkleinde, verkleurde en bevlekte lap waar de vrouw mee aan komt zetten, staat voor het onvermogen van Surinaamse nazaten van slaven om de eigen cultuur te conserveren.

De Doorsons is dan ook veel meer dan de reconstructie van een familiegeschiedenis. Dat blijkt al uit de epische eerste zin van het boek: ‘Dit is het verhaal van een kleine familie in een onbekend land, waarvan de geschiedenis eveneens onbekend was, deels omdat die hen van hogerhand ontnomen is en deels omdat ze die zelf zijn vergeten.’ Redmond benadrukt meermaals dat de Doorsons een doodgewone familie vormen, een Surinaamse familie Doorsnee, waarin geen uitzonderlijke daden zijn verricht en niets noemenswaardig is nagelaten. Als het om bronnenmateriaal gaat is er aanvankelijk alleen het rafelige kartonnen familieboek van haar grootmoeder, ‘beduimeld vertrekpunt van mijn even onbeduidende familiegeschiedenis’. In de archieven zijn er wel sporen van haar familie te vinden, maar die maken haar niet echt veel wijzer. En de familie zelf heeft, zoals zoveel Surinaamse families, ook geen documenten. Die zijn ten prooi geraakt aan schimmel, mot of houtworm of anders wel ‘in de vuilniston gegooid’.

Om toch meer over haar familiegeschiedenis te weten te komen volgt Redmond uiteenlopende sporen, die je zou kunnen terugbrengen tot een strategie van verkleinen en een strategie van vergroten. Het verkleinen bestaat uit het nauwgezet zoeken naar objectieve bronnen die de familieverhalen stutten. ‘Wie begint met verzinsels’, schrijft ze, ‘heeft immers het zoeken naar de ware toedracht van gebeurtenissen opgegeven en onze onvolledige geschiedenis verdraagt nog geen fictie.’

Brusseprijs

Dit boek is genomineerd voor de Brusseprijs. De shortlist van vijf boeken wordt in deze serie besproken. Op 18 juni wordt de winnaar bekend gemaakt in een live-uitzending van het NOS-radioprogramma Met het oog op morgen.

Verkleinen betekent ook dat ze zich bovenal wil richten op haar drie voormoeders, de matriarchen van de familie: haar overgrootmoeder Constantia Augustina Doorson, die marktvrouw in Paramaribo was; haar grootmoeder Paulina Magdalena Wijks, een wasvrouw; en haar moeder Annette Josephine Wilson, die als naaister de kost verdiende. Haar overgrootmoeder werd naar verluidt op 1 juli 1863 geboren op de katoenplantage Sarah in Coronie, in het noorden van Suriname. Dat was precies de dag dat de slavernij officieel werd afgeschaft, maar de nieuwe vrijen waren nog niet echt vrij, nog tien jaar was er sprake van verkapte slavernij. Pas in 1873 konden de meeste slaafgemaakten de plantages verlaten; vaak trokken ze naar de hoofdstad, met achterlating van familieleden, de levende en de doden, die in schriftloze graven laten, want lezen en schrijven hadden ze in slavernij niet geleerd.

Een kenmerk van de creoolse cultuur, constateert Redmond, is dat er niet achterom wordt gekeken

Het vergroten is onvermijdelijk als je bedenkt dat voor Afro-Surinamers een andere definitie voor familie gold dan de gangbare. Tot de nauwe kring van verwanten werden ook de mensen gerekend met wie voorouders vanaf Elmina op het slavenschip hadden gezeten en met wie op de plantage werd gewerkt. En omdat er behalve het familieboekje niets tastbaars bewaard is gebleven, en de oudere generatie veelal is overleden of aan steeds zwaarder geheugenverlies lijdt, ligt het voor de hand de toevlucht te zoeken tot familieleden en verwanten waar wel materiaal over te vinden is, ook al staan die verder weg.

Zo stuit Redmond al snel op Léon Dessé, een oud-metaalbewerker die met zijn vrouw in een arbeidershuisje in Utrecht woont. Hij is een nazaat van Anthony Dessé uit Guadeloupe, de eigenaar van plantage Sarah. Zijn vader was geboren in Paramaribo en was zoon van een vrijgemaakte slavin, waardoor hij ‘een kleurtje’ had. Léon kreeg zo als kind te maken met racisme. Van de rijkdom van de plantage was weinig meer over, nadat deze door rampen – springvloed en een grote brand – werd weggevaagd. Redmond beschrijft dat ze een merkwaardige mengeling van nabijheid en afstand voor hem voelt. ‘Rijkdom en armoede liggen welbeschouwd niet ver meer uit elkaar na ruim honderd jaar nivellering.’

In Suriname blijkt Edmund Doorson-Vriesde, geboren in 1923, nog te leven, een kleinzoon van een broer van haar overgrootmoeder. Hij was visser en kende Willem Wijks, een zoon van overgrootmoeder Constantia, die de succesvolste visser van Paramaribo was, maar armlastig in een gekkenhuis eindigde. Dankzij zijn rijke vangsten kon Constantia floreren als visverkoopster op de markt – de marktvrouwen vormden toen het ‘machtige gilde van onafhankelijke vrouwen’. Tot haar verrassing heeft Edmund zijn autobiografie geschreven, waaruit blijkt dat hij lid was van het Surinaamse parlement.

Redmond vindt ook harde gegevens over de legendarische oom Pee, Petrus Doorson, die volgens de familieoverlevering een notoire vechtersbaas was, ‘ruziezoeker eersteklas’. Hij droeg zware zilveren kettingen en een groot gouden zakhorloge en kon, volgens de mythe, kogels vangen met zijn hand. De politiearchieven helpen haar feit en fictie scheiden: oom Pee was aanvoerder van een groep mensen die opkwam voor vakbondsleider Anton de Kom – de latere schrijver van Wij slaven van Suriname. Ooit had hij in een opstootje rond De Kom, toen de politie dreigde te schieten, zijn jas opengerukt en zijn borst ontbloot, met de woorden: ‘Hier, schiet maar, dan zijn we tenminste van onze ellende af.’ Ze vraagt zich af waarom hij in de familieverhalen is verworden tot ‘een met goud omhangen schertsfiguur’.

Een kenmerk van de creoolse cultuur, constateert Redmond, is dat er niet achterom wordt gekeken. Door de geschiedenis van gedwongen vertrek uit Afrika willen de nazaten van slaven niet terug naar het verleden. Tegelijkertijd is er nog de traditie van de verbale chroniqueurs, die in West-Afrika hooggewaardeerde verhalenvertellers waren. ‘Griot’, was het aloude woord voor hen, maar in Suriname is dat verbasterd tot ‘gríyo’ en heeft het een negatieve betekenis gekregen. De familieoverdracht van de gríyo is vilein geworden en kent geen samenhang, waardoor hij een vals verleden presenteert en het verleden juist verdonkeremaant. Daarom is oom Pee in de overlevering in een schertsfiguur veranderd.

Roline Redmond wil in haar boek de Afrikaanse traditie van de griot weer tot leven wekken. Ze wil een ‘beroepsherinneraar’ zijn in de zin van Anil Ramdas, iemand die betrouwbare herinneringen ophaalt uit een ‘onverzonnen universum’. De beroepsherinneraar brengt, in de woorden van Ramdas, ‘het collectieve geheugen van eenvoudige, gewone en onbelangrijke mensen tot nieuw leven, opdat die mensen niet vergeten worden. Opdat ze niet uit de historie worden gestoten.’

En precies die ambitie maakt De Doorsons tot een ongewoon en imposant boek. Er zit decennia werk in, Redmond heeft alle mogelijke archieven uitgeplozen om gegevens over haar familie te vinden, ze heeft zich laten leiden door de verhalen van de meest uiteenlopende verwanten, maar meer dan een familiegeschiedenis rijst uit haar boek op hoe de werkelijkheid voor haar familie moet hebben gevoeld. Hoe het was om visser, marktvrouw of wasvrouw te zijn na de afschaffing van de slavernij, toen het leven in Suriname armoedig was. Hoe haar familie woonde in Paramaribo en naar eten scharrelde. Ze heeft doodgewone mensen, die wel de nodige klappen van de geschiedenis kregen, uit het duister van de vergetelheid gehaald en tot leven gewekt.