Beroepsmoordenaars

Ook het professionele filmpubliek in Cannes kan niet overal tegen. Soms vluchten de professionelen zuchtend of vloekend weg uit een vertoning. Soms sparen ze hun woede of ergernis op tot de eindcredits om het in een schel gefluit of hard hysterisch boegeroep te ontladen. Opmerkelijk is dat de emoties niet worden ontketend door een gebrek aan kwaliteit van een film. Juist niet zelfs - het zijn vooral de goede, sterke en moedige films die de meeste afkeuring oproepen.

Assassin(s) van Mathieu Kassovitz was de film die in Cannes het meest luidruchtig werd weggefloten. Kassovitz is de maker van het pittige, maar toch alom geprezen, La haine. Nu ging hij nog een stap verder in het verbeelden van zinloze haat en dat viel niet bepaald in goede aarde. Het geweld in zijn film was blijkbaar van een ongemakkelijker soort dan dat in andere films. Toch zou ik de film willen verdedigen, misschien wel juist om zijn ongemakkelijkheid en zijn zelfs afstotelijke eigenschappen. Het verhaal is eenvoudig. Een oudere beroepsmoordenaar, die consequent meneer Wagner wordt genoemd, zoekt en vindt een leerling. Een opvolger. Een zoon eigenlijk ook: Max, een jonge kruimeldief, die wordt gespeeld door de regisseur zelf. De eerste les is de meest bloedige, onsmakelijke en zinloze. Ze gaan een willekeurig huis binnen en doden op een gruwelijke manier een oude man. Het enige motief is dat de meester de leerling wil laten zien hoe het moet, of misschien wel hoe het niet moet, want het abattoir dat ze achterlaten kun je onmogelijk vakwerk noemen.
Nu worden er in films wel vaker mensen op bloedige wijze vermoord, maar bij Kassovitz ontbreken de geruststellende ingrediënten. De hoofdpersonen zijn niet sympathiek. Max hangt meestal verdoofd voor de televisie en ook de drijfveren van meneer Wagner blijven schemerig. Het lijkt of hij zijn beroep alleen maar uitoefent omdat hij het nu eenmaal al zolang heeft gedaan en omdat zijn vader het ook deed. Dat komt lijkt mij bij meer mensen voor, maar kennelijk verwachten we van moordenaars meer motivering. De weigering van Kassovitz om die motivering te verschaffen, lijkt mij de kern en de kwaliteit van de film. Kassovitz geeft geen antwoorden waar ze niet zijn. Een mens doodt een ander mens als een krokodil een gazelle. Slechts gedreven door instinct. Zonder spijt.
Twee andere onaangename moordenaars liepen rond in Funny Games van Michael Haneke. Hier hadden de Cannes-gangers ook moeite mee al was er bij Haneke naast luidkeelse afkeuring ook fanatiek applaus. Haneke liet zich laatdunkend uit over de slagerswinkel van Kassovitz, maar zelf denk ik dat hun films veel gemeen hebben. Ook Haneke weigert verklaringen te geven voor de gruwelijkheden van zijn hoofdrolspelers, al brengt hij hun acties als vakman van de oude stempel (in de beste traditie van Bresson) veel discreter in beeld. Zijn film is niet de slagerij van Kassovitz, maar toch op zijn minst een operatiekamer. Ook zijn slachtoffers sterven niet zonder bloedverlies. In zeker opzicht is de film van Haneke zelfs onaangenamer dan die van Kassovitz omdat zijn moordenaars nog minder motief hebben (het is niet eens hun vak) en er bovendien een sadistisch plezier aan beleven. Op een kwade ochtend stappen twee heel gewoon uitziende jongens binnen bij een heel gewoon uitziend gezin. De jongens laten zich niet zomaar wegsturen en ontpoppen zich tot wrede killers met een bizar gevoel voor humor.
Afkeuring en ergernis lijkt zich in de gevallen van Kassovitz en Haneke makkelijk te verbinden met ongemotiveerd geweld. Toch was de film waar ik de meest massale afkeuring constateerde, een film waarin geweld totaal afwezig was. Tren de sombras van de Spaanse filmmaker José-Luis Guerin is een hoogst originele, mooie, poëtische en stille film. De film roept een beeld op van een vervlogen tijd met behulp van (feilloos nagemaakte) home-movies uit de jaren twintig en sfeerbeelden van een plaatsje in Frankrijk. Rust en vrede. De beroepskijkers wisten niet hoe snel ze een heenkomen moesten zoeken. Kijken kan kennelijk een kwelling zijn.