Profiel Robert McNamara

Berouwvol schrijftafelmoordenaar

Hij was er bijna geweest. In september 1972 zat Robert S. McNamara op de boot naar Martha’s Vineyard, een eiland voor de kust van Massachusetts. Toen hij een wandelingetje over het dek maakte, pakte een slordig geklede kunstenaar — een hippie volgens omstanders — hem plotseling bij riem en jas en gooide hem overboord. McNamara kon nog net de reling vast pakken. De kunstenaar probeerde zijn vingers van de reling af te trekken, maar werd op tijd door omstanders overmeesterd. De man is nooit veroordeeld omdat McNamara weigerde een aanklacht tegen hem in te dienen.

Het voorval komt niet aan bod in de fascinerende film Fog of War: Eleven Lessons From the Life of Robert S. McNamara, die Errol Morris maakte op basis van 23 uur interview met de voormalige minister van Defensie, onder wiens gezag het conflict in Vietnam uitgroeide tot een grootschalige oorlog. Uit de film, die in februari een Oscar won voor beste documentaire, blijkt waarom McNamara de man niet aangaf. Hij begreep eigenlijk te goed wat de hippie bezielde. In de film legt hij opnieuw uit dat de regering waarvan hij deel uitmaakte de zaken verkeerd zag. En de verkeerde beslissingen nam. «We were wrong, terribly wrong.» Eerder had hij dit omstandig uit de doeken gedaan in het boek In Retrospect en in Argument Without End: In Search of Answers to the Vietnam Tragedy, een bundel die voortkwam uit enkele bezoeken aan Vietnam na het einde van de oorlog.

In Fog of War maakt McNamara de balans op van zijn leven. Hij vertelt hoe hij door schade en schande zijn belangrijkste pretentie verloor: dat voor elk probleem een rationele oplossing bestaat. Paradoxaal genoeg is dit inzicht juist te danken aan zijn op effi ciëntie beluste, rationeel-kritische en analytische geest. Omdat hij juist als optimistisch rationalist grote waarde hecht aan het heroverwegen van argumenten kon hij dat uiteindelijk ook na het falen van de Vietnam-politiek. Hij werd daardoor een van de uiterst zeldzame Amerikaanse staatsmannen die fouten uit het verleden openlijk toegeven. De inmiddels 87-jarige betoont zich daarbij een bevlogen intellectueel, die nog altijd vlijmscherp formuleert. Maar hij laat inmiddels ook zijn emoties zien; soms breekt zijn stem en lopen zijn ogen vol. Twee keer kan hij ternauwernood verder vertellen: wanneer hij vertelt over de Quaker die zichzelf in 1965 onder zijn kantoorraam in brand stak uit protest tegen de oorlog, en wanneer hij de kijker ervan probeert te overtuigen dat de zes jaren als minister «terrific» waren, een tijd «waar iedereen in mijn familie van heeft geprofiteerd», ondanks de maagzweren die zijn zoon en vrouw opliepen.

Vroeger was dat wel anders. Op oude beelden zien we McNamara met een stalen glimlach vertellen dat er opnieuw grote vorderingen zijn gemaakt in de oorlog tegen de Vietcong. Hij ging destijds door voor een ziel loze technocraat, een koele cijferaar die in een vast dagritme leefde, nooit een borrel dronk en het altijd beter wist; een man die niet in staat was tot enige vorm van compassie, een «IBM-machine met armen», en een bloeddorstige bovendien. Mac the Knife werd zijn bijnaam, en ergens in de jaren zestig begonnen Amerikanen te spreken van McNamara’s War in plaats van Vietnam War.

Kennedy had hem vijf weken nadat hij directeur was geworden bij de multinational Ford — iets wat nog nooit iemand van buiten de familie Ford was overkomen — gevraagd als minister. Al eerder was McNamara opgevallen in dienst van het leger. Als jonge whizzkid was hij in een goed blaadje gekomen bij de lompe luchtmacht generaal Curtis LeMay (die later model zou staan voor Doctor Strangelove uit de gelijknamige film van Stanley Kubrick). Aan de hand van talloze statistieken had de ijverige cijferaar een doeltreffender tactiek van bombarderen uitgedokterd, waarbij nog meer Japanners werden gedood met nog minder middelen. Nu, bijna een halve eeuw later, vraagt McNamara zich in Fog of War retorisch en bijna routineus af of het nodig was «de helft van Tokio te vernietigen», of om «in één nacht honderdduizend Japanners — mannen, vrouwen, kinderen — te verbranden».

Want de meest aangrijpende scènes in de film gaan niet over Vietnam, maar over de strijd tegen die andere Aziatische vijand, de Japanners. In een heldere dictie stelt McNamara de vraag hoe een fatsoenlijk mens als hijzelf, kritisch en met goede bedoelingen, uiteindelijk toch een oorlogsmisdadiger kon worden. Want daar laat hij geen misverstand over bestaan. De man die werd opgeleid in Berkeley en na de oorlog werd aangesteld als docent in Harvard — als jongste ooit — wist dat «als we de oorlog hadden verloren», hij en LeMay als oorlogsmisdadigers zouden worden berecht. Daarvoor, zo meent McNamara, was de proportionaliteit te ver zoek geraakt in de aanvallen op Japan. Met de indringende muziek van Philip Glass op de achtergrond kijkt McNamara de kijker recht aan, terwijl hij vraagt: «Wat maakt het immoreel als je verliest en niet-immoreel als je wint?»

Wel laat McNamara de onduidelijkheid voortbestaan of hij over de dood van zo veel levens persoonlijk berouw voelt. «Ik ben trots op alles wat ik heb bereikt.» Als de technocraat die hij tijdens zijn ambtsperiode heette te zijn, gaat het hem om fouten meer dan om schuld. De lessen die regisseur Morris uit McNamara’s levensverhaal trekt, zijn ook vaker aanbevelingen van technische dan van morele aard. «Ken de data», «wees efficiënt» en «leef je in de vijand in». Toch herbergt de interessantste les, nummer 9, zowel een beleidsaanbeveling als een morele richtlijn: «Om het goede te doen, moet je erkennen dat je je soms moet inlaten met het kwade.»

Dat betekent niet dat het kwade altijd tot het goede leidt. Nadat al 25.000 Amerikanen en een veelvoud daarvan aan Vietnamezen waren gesneuveld, en McNamara volgens medewerkers op de rand van een geestelijke instorting stond, schreef de oorlogsminister een uiterst kritisch memorandum aan de president. Die droeg hem daarop ongevraagd voor als directeur van de Wereldbank, wat McNamara dertien jaar lang zou blijven. Volgens rechts Amerika had McNamara er blijk van gegeven te soft te zijn, een twijfelaar waar je de oorlog niet mee wint. Volgens het anti-oorlogskamp kwam McNamara te laat met zijn inkeer. Had hij meer moed getoond jegens zijn baas, dan had hij levens kunnen redden. Tijdens een debat naar aanleiding van In Retrospect riep een zekere John Hurely, advocaat en Vietnamveteraan, hem toe: «Uw boek is obsceen, u was een op macht beluste lafaard. U wist in 1965 al dat de oorlog niet te winnen was en toch zweeg u.»

Wellicht om die verwijten te beantwoorden laat McNamara in de film nooit eerder gehoorde bandopnamen horen waarin hij Kennedy adviseert zo snel mogelijk uit Vietnam te verdwijnen. In latere opnamen horen we hoe president Johnson hem voor deze adviezen aan Kennedy berispt. «I want some people killed over there», voegt Johnson eraan toe. McNamara stribbelt niet tegen. Hij schikt zich in zijn nieuwe rol als oorlogsplanner, die uiteindelijk de marine zou inzetten en opdracht gaf tot bommentapijten op Noord-Vietnam.

Afgelopen week was McNamara samen met regisseur Morris en gespreksleider Samantha Power in Den Haag om voor het eerst publiekelijk commentaar op de film te geven, voor leden van het Internationaal Gerechtshof en een handjevol journalisten. Terwijl McNamara omstandig klooit met zijn microfoontje, benadrukt Morris dat er een generatiekloof zit tussen hem en zijn door hem bewonderde hoofdpersoon. De regisseur herhaalt dat McNamara niet zijn excuses aanbiedt, noch in zijn boeken, noch in de interviews met hem, maar dat hij, met zijn optimistische geloof in de maakbaarheid van de samenleving, hoopt dat er valt te leren van de fouten die hij heeft gemaakt.

Niet alleen in de Congreshal in Den Haag, ook in de film dringt zich daarbij voortdurend een vergelijking op met de huidige situatie op het wereldtoneel en in de Amerikaanse politiek. In de film wordt die vergelijking niet explicieter gemaakt dan de algemene uitspraak van McNamara: «Als wij landen met vergelijkbare waarden niet kunnen overtuigen een oorlog te beginnen, dan kunnen we beter onze redenen daarvoor heroverwegen.» Buiten de film wil McNamara president Bush echter niet afvallen. Dat doe je niet als voormalig minister van Defensie die zelf een zinloze oorlog heeft gevoerd.

Deze houding voedt de kritiek op McNamara dat bureaucratische loyaliteit hem de moed ontnam om het op te nemen tegen zijn directe baas, president Johnson. Zelf mag hij dan de nadruk leggen op de oorlogsmist die hem het zicht had ontno-men op rationele oplossingen, zijn critici wijzen op de mist van de macht die het denken van McNamara vertroebelde. En als Morris hem vraagt wie er verantwoordelijk was voor de tragedie in Vietnam, antwoordt McNamara zonder aarzelen: «De president.» Maar op archiefbeelden is de ont roering van McNamara zichtbaar wanneer de president hem bij zijn gedwongen afscheid decoreert.

Naast de onwaarschijnlijk scherpe geest en vitaliteit is het deze dubbelzinnigheid die McNamara tot zo’n fascinerende historische figuur maakt. De vraag blijft, ook na Fog of War, hoe een man, zo trouw aan rationele uitgangspunten, tegelijk halsstarrig bleef vasthouden aan zijn bureaucratische loyaliteit.

Fog of War gaat in april in Nederlandse roulatie, te beginnen in Amsterdam