26 september 1913 – 30 juli 2013

Berthold Beitz

Hij was het toonbeeld van wat je de ‘morele kapitalist’ zou kunnen noemen. Het type manager dat in Duitsland traditie heeft maar aan het uitsterven is. Bijna zestig jaar leidde hij staalgigant Krupp. En werd een icoon van het ‘Wirtschaftswunder’.

Zelfs in zijn honderdste levensjaar had Berthold Beitz nog een jeugdige, sportieve uitstraling. Een slanke, vriendelijke gestalte, zeer aanwezig, zeer eigenzinnig, zeer beschaafd en altijd met veel humor. Als je de rimpels en vouwen in zijn gezicht wegdacht, evenals de borstelige wenkbrauwen, zag je de knappe man die hij zijn hele leven is geweest en die op zoveel mensen een onuitwisbare indruk heeft gemaakt.

Zwaar onder de indruk was vooral Alfried Krupp von Bohlen und Halbach. Hij ontmoette Beitz begin jaren vijftig, kort nadat hij gratie had gekregen na drie jaar detentie. Alfried Krupp was in de Neurenbergse processen veroordeeld voor de slavenarbeid die hij tijdens de oorlog in zijn staalfabrieken had laten verrichten. De veertigjarige Beitz leek de aangewezen man om het concern weer aan te slingeren en het slechte morele imago op te poetsen.

Krupp benoemde Beitz tot zijn gevolmachtigde. En hij zou er geen spijt van krijgen. Beitz verhinderde dat de Amerikanen het concern uit elkaar plukten. Hij stootte de staalfabrieken op in de vaart van het Wirtschaftswunder en vestigde zijn naam als een van de succesvolste managers in het herboren Duitsland. De morele schade van de oorlog herstelde hij door Krupp over te halen tien miljoen D-mark aan de over­levende dwangarbeiders te schenken.

Krupps blinde vertrouwen in Beitz had een smalle basis. Veel ervaring met management had Beitz niet. Hij was opgegroeid in een provinciaal nest in Voorpommeren. Zijn opleiding leverde hem een nette baan op bij een bank en daarna bij Shell. Eind jaren dertig werd hij soldaat bij de Wehrmacht, maar in plaats van hem in te zetten in de oorlog vertrouwden de nazi’s hem de leiding toe van de oliewinning in het door de Duitsers veroverde Galicië.

Bij de oliefirma leerde hij zijn vrouw Elsa kennen, die tot aan zijn dood aan zijn zijde bleef. Samen met haar heeft hij in Galicië honderden joden van de dood gered. Wanneer de SS groepen joden op transport naar Auschwitz wilde zetten, verklaarde hij dat ze onmisbaar waren voor het oliebedrijf. Overlevenden vertellen dat hij zelfs mensen redde die al in de veewagons zaten. Met zijn autoritaire optreden overblufte hij de SS-officieren.

Beitz heeft over die episode nooit veel gesproken. ‘Ik deed gewoon wat mijn gevoel mij ingaf’, liet hij er ooit in een van zijn spaarzame interviews over los. In Israël heeft men hem op de gedenkplaats Yad Vashem voor zijn daden geëerd met de titel ‘Rechtvaardige onder de volkeren’. Beitz eindigde de oorlog als gewoon soldaat. Daarna begon hij een carrière in het verzekeringswezen. Tot Alfried Krupp hem tot zich riep.

Beitz was een manager uit de oude Duitse school. Op en top een Pruis: hard werkend, plichtsgetrouw, met hart voor het bedrijf en voor de medewerkers. Meer dan eens schaarde hij zich achter de vakbonden in hun strijd voor het voortbestaan van bedrijfsonderdelen. Met vereende krachten werd de overheid ertoe bewogen met subsidies de zaak draaiende te houden. De financiële markten wantrouwde hij: die denken alleen maar aan het eigenbelang.

1967 was een cruciaal jaar. Toen overleed Alfried Krupp. Beitz wist de enige erfgenaam Arndt von Bohlen ertoe te bewegen van aanspraken af te zien. Beitz kwam aan het hoofd te staan van de Alfried Krupp von Bohlen und Halbach Stichting, die een beslissend kwart van de aandelen in Krupp beheerde. In die hoe­danigheid was hij de alleenheerser over het internationale staalconcern.

Met die stichting deed hij nog veel meer. Hij subsidieerde kunsten en wetenschappen. Hij stichtte een fonds voor beurzen en leerstoelen aan de universiteit in zijn geboortestreek in de voormalige ddr. Ook financierde hij recent de veel geroemde nieuwbouw van het Folkwang Museum in Essen. En hij sponsorde ruimhartig in de sportieve sfeer. Hij vervulde tientallen jaren lang functies in nationale en internationale Olympische comités.

Zijn sport was zeilen. Ook dat verbond hem met Alfried Krupp, die op Hitlers Olympische Spelen van 1936 een bronzen medaille won. En het verbond hem met zijn vriend Helmut Schmidt, burgemeester van Hamburg en later bondskanselier. Zij spraken veel over zeilen, weinig over politiek, want daarin was Beitz niet geïnteresseerd. Met de kanseliers van het Wirtschaftswunder, Adenauer en Erhard, leefde hij in een voortdurende staat van onmin.

Die onmin kwam vooral voort uit zijn vele reizen naar de Sovjet-Unie en de landen van het Oostblok. Dat ergerde cdu-politici als Adenauer en Erhard maar paste goed bij de verzoenende koers die spd-kanselier Willy Brandt begin jaren zeventig inzette. Op de achtergrond van Brandts Nobelprijs winnende Oost-Europa-politiek diende hij met economische adviezen en zakelijke contacten.

Na zijn dood noemden veel kranten hem ‘de laatste patriarch’. Dat was hij niet. Hij was niet de baas die van bovenaf aan de touwtjes trok. Hij was de man die in het midden van zijn bedrijf stond en iedereen bij de les hield. Wie op avontuur uit was en eigen roem nastreefde ten koste van het bedrijf stuitte op een meedogenloze Beitz. Zijn laatste daad voor zijn dood was het ontslag van de falende topmanager, ooit zijn beoogde opvolger, Gerhard Cromme.

Zijn programma voor 2013 was eerst in september zijn honderdste verjaardag vieren met een mooi jazzconcert, en daarna Cromme ontslaan. De situatie in zijn bedrijf dwong hem de volgorde om te draaien. Spijtig genoeg heeft hij zijn honderdste verjaardag net niet gehaald.

Wie op avontuur uit was en eigen roem nastreefde ten koste van het bedrijf stuitte op een meedogenloze Beitz