Bertrand russell een aristocratisch axioma

OP 6 AUGUSTUS 1961, de zestiende verjaardag van de atoombom op Hiroshima, demonstreerde de radicale vleugel van de Engelse vredesbeweging in het Londense Hyde Park. De beroemde filosoof en pacifist Bertrand Russell voerde het woord. Een jaar eerder had hij gebroken met de gematigde Campaign for Nuclear Disarmament, omdat deze organisatie was teruggeschrokken voor burgerlijke ongehoorzaamheid. De politie had het gebruik van micro foons verboden en de 89-jarige Russell, wiens stem niet verder reikte dan de eerste paar rijen, had om zo'n apparaat gevraagd. Dit kwam hem op een week celstraf te staan, die mocht worden uitgezeten in een gevangenishospitaal.

Russell werd daar alles behalve hartelijk ontvangen. Toen hij zich moest uitkleden, barstten de bewakers in lachen uit en maakten platvloerse opmerkingen over Russells blijkbaar niet erg imposante geslachtsdeel. De hoogbejaarde wijsgeer, die overigens een uiterst turbulent liefdesleven had gekend, genoot echter volop van zijn straf. Niet alleen viel de lengte van de straf wel mee vergeleken bij het halve jaar dat hij in 1918, eveneens wegens pacifistische propaganda, had moeten uitzitten, ook had hij door zijn leeftijd nu het aura van een martelaar om zich heen.
Russell werd in de jaren zestig een linkse heilige. Bij de opkomende protestgeneratie viel hij zeer in de smaak vanwege zijn openlijke strijd tegen kernwapens, zijn rabiate anti-amerikanisme, zijn laatdunkende opmerkingen over het christelijke geloof, zijn experimenten met anti-autoritaire opvoeding en zijn protest tegen de oorlog in Vietnam. Het op initiatief van Russell georganiseerde tribunaal tegen de Amerikaanse oorlogsmisdaden in Vietnam werd na zijn dood, in 1970, gevolgd door zogenaamde Russell-tribunalen, waarin kwalijke zaken als de Latijns-Amerikaanse dictaturen en de Bondsrepublikeinse Berufsverbote aan de kaak werden gesteld.
Tegenstanders had Russell ook altijd in ruime mate. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd hij al uitgemaakt voor ‘fucking peace crank’ en in de jaren zestig waren velen ervan overtuigd dat hij seniel geworden was, aangezien hij John Kennedy en de Engelse premier Macmillan beschouwde als 'veel verdorvener dan Hitler’. Zijn provocerende uitspraken zorgden ervoor dat hij altijd omstreden was, en aangezien hij van zijn schrijverij moest leven kwam hem dat niet slecht uit.
HET FEIT DAT HIJ een veelzijdige en opvallende figuur was, die in de bijna 98 jaar van zijn leven nogal eens van opvatting en standpunt is veranderd, maakt Russell tot een even dankbaar als problematisch onderwerp voor een biografie. Meerdere biografen hebben zich reeds aan dit lange en tumultueuze leven gewaagd.
Aan Bertrand Russell: The Passionate Sceptic van Alan Wood (1957) is te merken dat de meester over de schouder van de biograaf heeft meegelezen en dat de privé-correspondentie niet toegankelijk was. Het uit 1972 daterende boekje dat Russells troonopvolger sir Alfred Julius Ayer over hem schreef is geen biografie maar een compacte en leesbare uiteenzetting van zijn filosofische denkbeelden. Deze denkbeelden zijn in de Russell-biografieën van Ronald Clark (1975) en Caroline Moorehead (1992) volstrekt ondergeschikt aan ’s mans particuliere, en vooral amoureuze, ervaringen. Alan Ryans Bertrand Russell: A Political Life (1988) licht ons vooral in over Russells politieke uitspraken, maar behandelt deze nogal geïsoleerd van zijn persoonlijke leven en zijn filosofische ontwikkeling.
Dit jaar is echter voor de Russell-kunde bijzonder vruchtbaar geweest. Ray Monk, die naam maakte met zijn briljante Wittgenstein-biografie, kwam met Bertrand Russell: The Spirit of Solitude, dat de jaren 1872-1921 bestrijkt, en Philip Ironside publiceerde The Social and Political Thought of Bertrand Russell, een boek dat zich concentreert op Russells rol als maatschappijcriticus in de periode 1910-1938.
Uit al deze boeken komt naar voren dat het niet alleen moeilijk is te bepalen welke relatie er is tussen Russells leven en zijn werk, maar dat bovendien zijn werk in twee delen uiteen lijkt te vallen. Uiteraard is Russell de vader van het logisch atomisme, is zijn onderzoek naar de grondslagen van de wiskunde baanbrekend geweest, en hebben zijn theorie van de uniek bepalende beschrijvingen en zijn typenleer grote invloed gehad op de Angelsaksische wijsbegeerte. Zijn grootste bekendheid ontleende hij echter aan zijn optreden als intellectueel in het publieke debat. Tussen enerzijds zijn vaktechnische filosofische geschriften en anderzijds zijn talloze populaire boeken en artikelen over filosofische, politieke en maatschappelijke problemen gaapt een enorme kloof.
Zelf heeft Russell altijd beweerd dat beide genres niets met elkaar te maken hadden. Zijn populaire geschriften deed hij denigrerend af als 'potboilers’, pure broodschrijverij. Zowel Monk - wiens boek valt te beschouwen als het beste dat tot nog toe over Russell is geschreven - als Ironside tonen aan dat dit wel iets gecompliceerder lag en dat zowel zijn filosofische als zijn populaire werk veel te maken had met zijn persoonlijke ontwikkeling. Dat neemt niet weg dat zijn optreden als progressief intellectueel zijn faam als filosoof, althans buiten Engeland, weinig goed heeft gedaan.
WAT BETREFT ZIJN afkomst behoorde Russell bepaald niet tot de kansarmen. Hij stamde uit een van de (invloed)rijkste Whig-geslachten. Grootvader Lord John Russell was een belangrijk liberaal politicus. Hij was een van de opstellers van de Reform Act van 1832, bekleedde tweemaal het ambt van prime minister en werd door koningin Victoria tot Earl verheven. Russells ouders hielden er voor hun tijd en klasse uiterst progressieve denkbeelden op na en kozen als peetoom voor de kleine Bertie niemand minder dan John Stuart Mill uit. Peetoom, moeder en vader stierven echter toen Russell respectievelijk een, twee en drie jaar oud was, zodat hij opgroeide bij zijn grootouders.
Aan het reguliere onderwijs werd Russell niet toevertrouwd. In plaats daarvan kreeg hij, als een kroonprins, uitgelezen privé-onderwijs dat hem in staat moest stellen om later in de voetsporen van zijn opa te treden. Op zijn zevende had Bertie zich de volledige constitutionele geschiedenis van Engeland, van Willem de Veroveraar tot de Slag bij Waterloo, eigen gemaakt. Na 1815, zo kreeg hij te horen, bestond er geen geschiedenis meer, alleen nog roddel. En aan roddels was er in deze politiek invloedrijke familie beslist geen gebrek.
Een gelukkige jeugd had Russell echter bepaald niet, daar in dat sombere huis bij die twee oude mensen en nog wat andere, in meer of mindere mate geschifte familieleden. Een lichtpuntje, beter gezegd een oogverblindende openbaring, vormde daarentegen de ontdekking van de wiskunde. Toen Russell elf jaar was wijdde zijn zeven jaar oudere broer Frank hem in in de euclidische meetkunde. 'Ik had niet gedacht dat er op de wereld iets was dat zo heerlijk was’, zou Russell later schrijven. 'Het was even verbluffend als een eerste keer verliefd worden.’
De aantrekkingskracht van de wiskunde lag voor Russell in het feit dat het al dan niet juist zijn van een stelling bewezen kon worden. Tegen de tijd dat ze bij de axioma’s waren aangekomen, moest broer Frank de handdoek in de ring gooien en moest Bertrand wachten tot hij naar de universiteit mocht. Russells brandende begeerte om ook de axioma’s te bewijzen bleef echter en zou resulteren in de samen met A.N. Whitehead geschreven Principia Mathematica (1910-1913).
De jonge Russell hoopte zelfs ooit te komen tot een wiskunde van het menselijk gedrag. Het gedrag dat hij om zich heen zag kwam hem vaak nogal onbegrijpelijk en onvoorspelbaar voor. De wereld zou een stuk overzichtelijker en dus prettiger worden als de wetmatigheden achter die onvoorspelbaarheden konden worden blootgelegd.
DIT VERLANGEN HAD veel te maken met twee andere passies die hem in hun greep kregen en vrijwel zijn hele leven zouden houden, te weten religie en seks. Hoewel Russell reeds vroeg van zijn geloof viel, had hij volgens Ayer een 'sterk religieus temperament’. Zijn verering van de wetenschap had een uitgesproken mystiek tintje en in feite was hij wat Banning over Jan Romein zei: een dominee voor niet-christelijke intellectuelen.
Wat zijn obsessie met seks betreft, de uiterst beschermd en door bejaarden opgevoede Russell was bij het begin van zijn adolescentie natuurlijk wereldvreemd. Ook de verlovingstijd met zijn eerste vrouw verliep, conform de Victoriaanse moraal, uiterst problematisch. Dat eerste huwelijk werd dan ook een enorme deceptie. Maar toen hij achter in de dertig was kreeg hij de smaak te pakken en ontdekte hij dat hij voor vrouwen steeds aantrekkelijker begon te worden. Sindsdien volgden de dames elkaar in hoog tempo op.
De persoonlijkheid van Russell zoals die oprijst uit de verschillende (auto)biografieën, is niet bijzonder sympathiek te noemen. Volgens Monk was het kernbegrip van Russels leven 'eenzaamheid’, wat niet verbaast bij iemand die reeds als peuter wees werd. Bovendien was Russell bang dat de in zijn familie veel voorkomende krankzinnigheid zich ook bij hem zou openbaren. Dit verklaart voor een groot deel Russells enorme behoefte aan zekerheden en zijn pogingen om zaken zo volledig mogelijk onder controle te houden. Op anderen kon en mocht je niet vertrouwen - een overtuiging die hij later trachtte over te brengen op zijn kinderen en die resulteerde in een even anti-autoritaire als harteloze opvoeding.
Niet alleen zijn kinderen leerden hem kennen als kil en door en door egocentrisch, talloos zijn de getuigenissen van mensen die werden afgestoten door de hautaine wijze waarop Russell vrijwel elke bijeenkomst domineerde. Vooral zijn luide, hooghartige lach, die T.S. Eliot deed denken aan een 'onverantwoordelijke foetus’, was berucht. Russell was behept met een extreem superioriteitsgevoel. Als hij met gewone stervelingen sprak, had hij het gevoel dat hij 'een soort babytaaltje’ moest brabbelen. Gevoelsmatig.
HOE VALT DIT ALLES NU te rijmen met Russells imago van linkse intellectueel? Het valt eenvoudig niet te rijmen; we moeten beseffen dat dit etiket hem door anderen is opgeplakt. Russells eerste boek (uit 1895) mocht dan gewijd zijn aan de Duitse sociaal-democratie, hij mocht dan bevriend zijn met vooraanstaande Fabians, hij mocht voor linkse jongeren in de jaren zestig dan een soort goeroe zijn - een socialist is Bertrand Russell nooit geweest. In 1930 schreef hij bijvoorbeeld over Labour: 'Ik mag ze niet, maar een Engelsman heeft een partij net zo goed nodig als een broek, en van de drie partijen vind ik hen het minst pijnlijk.’
Wie nu verwacht dat Russell zich in de jaren die volgden op deze uitspraak intensief bezig hield met brandende vraagstukken als de massale werkloosheid, fascisme, communisme, het Volksfront, de Spaanse burgeroorlog en de oorlogsdreiging, die komt bedrogen uit. Het liet Russell eigenlijk allemaal hoogst onverschillig.
Dat het communisme niet deugde, had hij reeds ontdekt toen hij kort na de revolutie van 1917 een bezoek bracht aan de piepjonge Sovjetunie. Het fascisme, met zijn ongebreidelde vitalisme en zijn antirationalisme, vond hij weerzinwekkend. En de sociaal-democratie, met haar 'centje meer en uurtje minder’, sprak al helemaal niet tot de verbeelding van deze aristocraat, die ooit bekende 'niet gelukkig te kunnen zijn zonder bediende’. Ironside noemt Russell een 'aristocratisch liberaal’ en zelf heeft hij meermalen verklaard dat hij zich het meest zou thuis voelen in de achttiende eeuw, als edelman van het ancien régime die correspondeerde met de Verlichtingsfilosofen.
Toch stond hij tegelijkertijd midden in de twintigste eeuw met zijn verzet tegen de seksuele moraal en de op kadaverdiscipline gebaseerde opvoeding. Noel Annan heeft dan ook, niet onaardig, opgemerkt dat Russell 'een achttiende-eeuwse pruik en Victoriaanse bakkebaarden droeg, terwijl hij al zijn kleren had uitgedaan’.
Velen hebben zich erover verbaasd dat Russell zo vaak, en ogenschijnlijk zo gemakkelijk, van politiek standpunt veranderde. In de Eerste Wereldoorlog was hij pacifist, bij het uitbreken van de Tweede niet. In de eerste jaren na 1945 was hij er een voorstander van om de Sovjetunie te bedreigen met atoomwapens als deze niet meewerkte aan het tot stand komen van een soort wereldregering. Vanaf het moment dat ook de Russen beschikten over nucleaire wapens, werd Russell een fanatiek atoompacifist. Hoewel hij in het interbellum een fel anticommunist was, stond hij in de jaren vijftig en zestig sympathiek tegenover het China van Mao en achtte hij de Sovjetunie veel minder bedreigend voor de wereldvrede dan de Verenigde Staten.
Volgens Ayer zit er ondanks alles toch een zekere lijn in al deze opvattingen. In zijn memoires Part of My Life noemt Ayer Russell in de eerste plaats een utilitarist. Evenals de meeste negentiende-eeuwse Engelse liberalen vond hij dat het in de politiek ging om het afwegen van belangen, en dat de prijs van iets wordt bepaald door de waarde die het doel voor je heeft. Het in stand houden van de wereldvrede was hem vijfhonderd miljoen Russen waard! Een echte pacifist was hij dus nooit.
Tijdens de Koude Oorlog ging zijn voorkeur uit naar de communistische landen, hoewel hij de theorie en praktijk van het marxisme-leninisme ondeugdelijk vond. Ze waren echter nuttig als tegenwicht voor de door hem verafschuwde Verenigde Staten. Ayer wees er overigens ook op dat Russell naast een utilitarist tevens een hartstochtelijke moralist was. Als hij eenmaal een standpunt had ingenomen, kreeg dat voor hem ook een absoluut karakter. Van een afweging van belangen, van controle was dan geen sprake meer. Hij kreeg dan Messiaanse trekjes, hetgeen hem telkens opnieuw van veel van zijn vrienden vervreemdde.
De koude, compromisloze schoonheid van de wiskunde was voor Russell de inspiratiebron bij zijn genadeloze speurtocht naar de waarheid. Hij was diep onder de indruk toen de beroemde wiskundige Gottlob Frege, die op het punt stond zijn levenswerk te voltooien, zonder slag of stoot erkende dat de ontdekking van de zogenaamde Russell-paradox zijn hele systeem omverkegelde. Hij besloot dit voorbeeld van absolute eerlijkheid onmiddellijk na te volgen en vertelde zijn vrouw Alys dat hij niet meer van haar hield.
ALS JE HET LANGE LEVEN van Russell overziet, kom je gemakkelijk onder de indruk van zijn ontzaglijke intellect, zijn brille, zijn werk- en wilskracht, maar echt vrolijk word je er niet van. Het is allemaal zo kil, zo kleurloos. Met al zijn intelligentie lijkt Russell zo veel over het hoofd te hebben gezien. De eenzijdigheid van zijn grote Geschiedenis der westerse filosofie is notoir. Dat hij bijvoorbeeld Blaise Pascal slechts één keer, en dan nog wel op denigrerende wijze noemt, duidt op forse oogkleppen. Dat hij dezelfde denker ooit tijdens een college noemde als het beginpunt van een lijn die via Rousseau rechtstreeks naar Hitler liep, wijst erop dat Russells visie op de westerse ideeëngeschiedenis op z'n zachtst gezegd vertekend was.
Dat Russell esprit had zal niemand ontkennen. Pascal echter onderscheidde een 'esprit de géometrie’ en een 'esprit de finesse’. Zelf bezat hij beide, Russell had alleen de eerste.