EGBERT TELLEGEN, GROENE HERFST: EEN HALVE EEUW MILIEU

Beschaafd milieubesef

EGBERT TELLEGEN, GROENE HERFST: EEN HALVE EEUW MILIEU

Dat sommigen het nieuwe kabinet ‘Bruin I’ hebben gedoopt, kwam ongetwijfeld voort uit de behoefte om duidelijk te maken dat men 'gedoogpartner’ Wilders fascistoïde trekken toedicht. Hoewel een vergelijking tussen het gedachtegoed van de PVV en de fascistische bewegingen uit de jaren twintig en dertig zinvol kan zijn, omdat dan naast de overeenkomsten ook de verschillen zichtbaar worden, is zo'n typering onzinnig. Als men echter niet verwijst naar de kleur van de uniformen van de Sturmabteilung van de Nationalsozialistiche Deutsche Arbeiterpartei, maar de term 'bruin’ hanteert als tegenovergestelde van 'groen’, wordt het een ander verhaal. Terwijl groen de kleur is van de ontluikende en bloeiende natuur, is bruin de kleur van het verval, het afsterven, de herfst.
Van het kabinet-Rutte kun je veel zeggen, maar niet dat het een 'groen’ kabinet is. In het regeerakkoord Vrijheid en verantwoordelijkheid ligt wat het milieu betreft de nadruk op het eerste en is er aan dit onderwerp niet eens een apart hoofdstuk gewijd. In het hoofdstuk 'Economie’ wordt een en ander gezegd over energie en natuur, terwijl in het hoofdstuk 'Infrastructuur’ enkele regels zijn opgenomen over het milieu in algemene zin. Opvallend is dat benadrukt wordt dat er, als het gaat om milieubeleid, in Europa sprake moet zijn van 'een gelijk speelveld’. Met andere woorden: we doen niets dat niet echt hoeft van 'Europa’, en ondertussen plempen we veel asfalt neer, waar we met 130 per uur overheen mogen scheuren, terwijl we de partij die 850.000 landgenoten tot tweederangsburgers wil degraderen tevreden stellen met vijfhonderd animal cops. Milieubeleid is duidelijk een 'linkse hobby’ en mag vooral niet ten koste gaan van de economische groei.
Wie Groene Herfst: Een halve eeuw milieu van de socioloog Egbert Tellegen leest, beseft hoezeer het denken over milieu de afgelopen vijftig jaar is veranderd. Baarde Rachel Carsons boek Silent Spring, over de schadelijke effecten van chemische bestrijdingsmiddelen op mens en natuur, in 1962 nog veel opzien, in de twintig jaar die daarop volgden was 'het milieu’ een hot issue. In 1971 zag 45 procent van de Nederlanders milieuvervuiling als het meest urgente probleem, waarmee dit onderwerp vóór de nijpende woningnood (42 procent) kwam, en ver voor zaken als inflatie, werkgelegenheid, belastingen, gezagshandhaving, het 'jeugdvraagstuk’ en volksgezondheid.
Uit het boek van Tellegen, die in de jaren zeventig voorzitter van Milieudefensie was en tot 1999 hoogleraar milieukunde aan de Universiteit van Amsterdam, wordt duidelijk dat het feit dat het milieu niet meer als belangrijkste onderwerp wordt gezien deels een gevolg is van het succes van de milieubeweging, en deels van haar falen. Zogenoemde 'milieusceptici’ beweren vaak dat de milieubeweging enorm overdrijft en wijzen graag naar het befaamde rapport Grenzen aan de groei van de Club van Rome. Het inktzwarte scenario dat daarin geschetst werd is immers niet uitgekomen! Wat deze sceptici, wier kritiek door Tellegen serieus wordt genomen, dan vergeten is dat dit rapport veel burgers en overheden ervan doordrongen heeft dat er iets diende te gebeuren, en dat de milieumaatregelen die vervolgens zijn genomen ertoe geleid hebben dat veel vormen van milieuvervuiling sterk zijn teruggedrongen. Verschillende Nederlandse milieuactivisten van het eerste uur, die door Tellegen in dit boek worden geïnterviewd, geven aan dat er veel meer bereikt is dan zij rond 1970 durfden te hopen.
Tegelijkertijd is de milieubeweging er niet in geslaagd het onderwerp boven aan de lijst met urgente problemen te houden en zijn bepaalde verschijnselen nauwelijks bekend. Zo hebben veel mensen nog nooit gehoord van het verschijnsel plastic soup, oftewel de ongekende hoeveelheden plastic die met name in de Stille Oceaan dobberen en zweven, wat leidt tot massale sterfte onder vissen en vogels en dientengevolge tot een ernstige verstoring van het milieu.
Deels heeft dit gebrek aan belangstelling volgens Tellegen te maken met het feit dat de milieubeweging nog in hoge mate wordt gekenmerkt door een 'romantisch milieubesef’, waarbij de emotionele band met de natuur een belangrijke rol speelt en dat zelfs, bij sommige aanhangers van de deep ecology, een mensvijandig karakter kan aannemen. Zo'n houding kan makkelijk worden afgeserveerd als gezeur van geitenwollensokkendragers. Tellegen, die niet alleen een overzicht geeft van het denken over milieu maar ook van de actuele problemen, plaatst hier een 'beschaafd milieubesef’ tegenover. Waar andere talen het moeten doen met een variant van het begrip civilisation kent het Nederlands het woord 'beschaving’, wat Tellegen definieert als 'het ruwe dat anderen hindert of schade aan de omgeving berokkent verwijderen’. Hij baseert zich hierbij op Max Weber, die 'sociaal handelen’ beschreef als een combinatie van 'doen’, 'achterwege laten’ en 'dulden’.
Sinds de opkomst van het kapitalisme is het 'doen’ centraal komen te staan, en zijn zaken als groei, expansie en vermeerdering doelen op zich geworden. Aan het eind van zijn boek gaat Tellegen in op de mogelijke alternatieven voor dit op eeuwige groei gebaseerde denken, dat geen rekening houdt met de grenzen die onze planeet stelt, en waarbij hij verwijst naar het werk van economen die fundamentele kritiek hebben op de vrijemarkteconomie. Hoewel dit deel wat erg schetsmatig blijft, en noodgedwongen minder concreet is dan de uitvoerige beschrijving van de toestand van zowel het milieu als het huidige milieubewustzijn, is Groene herfst een bijzonder informatief en inspirerend boek.

EGBERT TELLEGEN
GROENE HERFST: EEN HALVE EEUW MILIEU
Amsterdam University Press, 360 blz., €?34,95