Essay Leven en laten leven

Beschaafde onverschilligheid

Volgens PVV'er Martin Bosma moet binnen een democratie iedereen dezelfde basiswaarden aanhangen. Daartoe hoort ook dat je vreedzaam met elkaar van mening kunt verschillen. Een beleefde vorm van hypocrisie is onvermijdelijk.

TEGENOVER MIJN BOOT in een Amsterdamse gracht woont op één hoog een Marokkaans gezin. Ik ken ze voornamelijk van balkonscènes rond de bekende tv-schotel, van geschreeuw ‘Khalid, Khalid’ wanneer het zoontje zich onmogelijk gedraagt, van keiharde rai en andere mocromusic maar ook Christina Aguilera uit het open raam van Khalids zusje, en van de zaterdagse regelmaat van een forse vader in een even forse fourwheeldrive die zijn kinderen voor het weekend ophaalt. Het is dus geen doorsnee Marokkaans gezin, maar een niet zo vriendschappelijk gescheiden moeder met twee kinderen en enkele zussen en andere familie (hoeveel mensen er achter die balkonschotel wonen is me niet helemaal duidelijk). We groeten elkaar niet op straat. Ik heb wel eens 'hallo buurman’ tegen Khalid gezegd, maar hij reageerde niet en bleef me een beetje vuil aankijken.
Toen kwam het ogenblik dat moeder en haar twee kinderen, alle drie eigenlijk te dik, ineens op de kade naast de boot stonden. Kinderpostzegels! De moeder begeleidde ze langs de gracht om ze met de verkoop ervan te helpen. Enkele ogenblikken later zaten ze binnen en schoven het bestelformulier over tafel. Moeder deed in gebrekkig Nederlands het woord, Khalid en zijn bebrilde zusje keken me verwachtingsvol aan. Tot hun tevredenheid kocht ik veel meer postzegels dan ik op dat moment nodig had. Later zag ik ze bij andere buren aanbellen en naar binnen gaan. Na dit onverwachte bezoek zijn we elkaar niet opeens gaan groeten, laat staan regelmatig bij elkaar op de thee gegaan. Wel is het geschreeuw gedempt en is Khalid zichtbaar serieuzer en ook slanker geworden. Ik ben altijd van plan geweest om ze bij een vaartocht eens mee te vragen, ook uit nieuwsgierigheid (varen is net als fietsen een vorm van Hollandse integratie), maar daar is het tot nu toe niet van gekomen.
Evelien Tonkens zal dit gedoe en geschipper ongetwijfeld 'onbeholpen burgerschap’ noemen. Paul Scheffer zal het eerder aanduiden als 'slordig langs elkaar heen leven’ en als een vorm van slecht begrepen tolerantie die bestaat uit het niet stellen van vragen en het niet 'aanreiken’ van verplichtingen. Inderdaad: een CDA-achtige ontmoeting tussen ons zit er voorlopig niet in. Maar zo ziet de integratie in Nederland er wél uit, althans in onze gemengde buurt, die geen getto is. Veel is het niet, maar het is ook niet helemaal niks, en misschien is het in deze situatie voorlopig het hoogst haalbare. Dat de Nederlandse schooltraditie kinderen er met postzegels voor het goede (oorspronkelijk christelijke) doel op uit stuurt, is bijna ontroerend. Het zou natuurlijk beter zijn wanneer we elkaar zouden groeten, af en toe een praatje zouden maken, Khalid mij zou helpen met klussen in ruil voor lessen in zeemanschap, en we bij buurtbarbecues de multiculturele nieuwsgierigheid en de sociale cohesie samen zouden vieren. Maar is het erg dat dit allemaal niet gebeurt? Ondertussen leert hij steeds beter Nederlands op de zwarte school om de hoek, speelt hij met allerlei kleurige en witte vriendjes op half volgelopen bootjes in de gracht, is iedereen zo'n beetje met zichzelf bezig en zijn we elkaar steeds minder tot last.
In het integratiedebat is geen mantra zo vaak herhaald als de kreet dat 'onze tolerantie is omgeslagen in onverschilligheid’. We zijn op de verkeerde manier langs elkaar heen gaan leven. Het cultuurrelativisme heeft geleid tot afzijdigheid, desinteresse en wegkijken van problemen, kortom, tot een 'cultuur van vermijding’ waardoor hele generaties immigranten werden afgeschreven. Deze 'lege’, gemakzuchtige tolerantie kwam voort uit de onwil om kritisch te oordelen over de opvattingen en gedragingen van anderen en hen daarop aan te spreken. Het resultaat van die alles-moet-kunnen-mentaliteit was dat allerlei intolerante, fundamentalistische en seksistische praktijken werden gedoogd en gelegitimeerd. Dat kwam neer op een vorm van culturele zelfontkenning, zo niet zelfhaat. Maar we beseffen inmiddels dat er duidelijke grenzen zijn aan de multiculturele diversiteit en dus aan het gedogen. Niet alles wat anders is, is waardevol. We moeten bijvoorbeeld geen tolerantie willen opbrengen voor intolerante opvattingen en praktijken. Het idee van de open samenleving moet preciezer worden geformuleerd en enthousiaster worden verdedigd, zo stelt bijvoorbeeld Paul Scheffer in Het land van aankomst.
Met veel hiervan ben ik het hartgrondig eens, zeker met het laatste: in de oude verzuilde en multiculturele tolerantie schuilt een groot risico van moreel relativisme en opportunisme. Dat risico werd trouwens het duidelijkst zichtbaar in de regeer- en gedoogakkoorden van het kabinet-Rutte/Verhagen/Wilders. Partijen die zich in het verleden fel hebben gekeerd tegen de gedoogtolerantie als het gaat om islam, criminaliteit en linkse hobby’s sloten een gedoogakkoord waarin zij elkaars verschil van inzicht over de islam 'accepteerden’ en elkaar daarover de 'volledige’ vrijheid van meningsuiting gunden. Wilders mocht alles blijven zeggen wat hij wilde, evenals Rutte en Verhagen (die dit echter vergaten te doen bij de presentatie van het akkoord). Dat was cultuurrelativisme van de lafste soort. Het vraagstuk of de islam een (vreedzame) religie of een (gewelddadige) ideologie is, is niet iets wat je met goed fatsoen in het midden kunt laten. Aukje van Roessel schreef hierover terecht in dit blad (2 september 2010) dat die gedoogafspraak wel liberaal klonk, maar eigenlijk riekte naar 'weglopen voor de consequenties van totaal verschillende zienswijzen’.
De positie die critici als Paul Scheffer hebben verdedigd is dus nuttig en nodig, maar we kunnen en moeten nu een volgende stap zetten. Eerst een definitie: tolerantie is het met moeite en tegenzin (knarsetandend) verdragen van achterlijke en weerzinwekkende opvattingen, waarbij het vanzelf spreekt dat we de bijbehorende gedragingen actief bestrijden, en bovendien niet ophouden om die opvattingen zelf achterlijk en weerzinwekkend te noemen. De slogan 'geen tolerantie voor de intoleranten’ is te weinig genuanceerd en riekt te veel naar 'oog om oog, tand om tand’. Het is belangrijk om onderscheid te maken tussen intolerante meningen (die we verdragen en met woorden bestrijden) en intolerante praktijken (die we bestrijden met de machtsmiddelen van de overheid, zoals een wettelijk verbod). Bovendien moet het knarsetanden tijdens het gedogen veel duidelijker te horen zijn: bijvoorbeeld in de vorm van een permanente kritiek op orthodox-religieuze opvattingen over de minderwaardigheid van vrouwen, homo’s en ongelovigen.
Maar daarnaast wil ik pleiten voor een herwaardering van oer-Nederlandse tradities als het schipperen, het schikken en plooien, het relativeren en de positieve onverschilligheid - en dus voor de terugkeer van het cultuurrelativisme in een andere, actieve en offensieve vorm. Een beetje wegkijken, beleefde afzijdigheid en desinteresse kunnen belangrijke ingrediënten zijn van vrijheid, leefbaarheid en beschaving. De neoconservatieve kritiek op de onverschillige tolerantie lijkt daarentegen uit te gaan van een soort burgerplicht tot betrokkenheid, wederkerigheid en bemoeienis, die gemakkelijk kan ontaarden in moralistische bemoeizucht. Maar beschaving wil ook zeggen dat we elkaar met rust kunnen laten, zonder vernederende bevoogding over en weer. Die invalshoek leidt tot een meer relativerende opvatting van burgerschap, die minder op zoek is naar een 'nieuw wij’ - of die dit 'wij’ minder verplichtend en omvattend invult.

VOOR CHRISTEN-DEMOCRATISCHE en seculiere gemeenschapsdenkers is samenleven het omgekeerde van 'langs elkaar heen leven’. Maar is 'leven en laten leven’ niet juist een teken van beschaving, zelfs van een typisch Nederlandse vorm van beschaving? Is langs elkaar heen leven niet ook een kenmerk van de vrije stadslucht, van lichte individualistische gemeenschappen die de beklemming van zware tribale of dorpse gemeenschappen achter zich hebben gelaten? Veel stadsbewoners hebben immers niet zo veel behoefte om hechte face to face-relaties te onderhouden met (al) hun buren. Voor steeds minder mensen vormt de stadswijk het zwaartepunt van hun sociale bestaan, omdat zij betrekkingen onderhouden over langere afstanden die door allerlei transportmiddelen en communicatiemedia kunnen worden overbrugd. In de sociologische traditie wordt wel gesproken van 'burgerlijke onverschilligheid’ (civil indifference) of 'burgerlijke onoplettendheid’ (civil inattention) wanneer het gaat om de dagelijkse ontmoetingen tussen vreemden in de grote stad, waarbij de passanten 'wederzijds de lichten dimmen’ om elkaar de vrije doortocht te geven.
Onverschilligheid is een ingewikkeld ding, en niet zomaar goed of slecht. Gedogen is niet laf maar vergt juist lef. Voor sommige zaken kunnen we niet onverschillig blijven, omdat zij onze centrale cultuurwaarden aantasten en voorbij de grens van het aanvaardbare verschil liggen. Abjecte denk- en andere beelden moeten we tolereren, dat wil zeggen zo goed mogelijk uithouden en tegelijk tegenspreken en actief bestrijden. Bedenkelijke praktijken (zoals gedwongen uithuwelijking, vernedering van vrouwen en homo’s) moeten actief worden ontmoedigd en soms verboden. Dat geldt natuurlijk zonder meer voor religieus of politiek gemotiveerde terreur, en voor andere vormen van geweld op straat en achter de voordeur. Maar het brede spectrum van bestrijden, verbieden en gedogen kan worden uitgebreid met de beschaafde onverschilligheid die past bij een vrijzinnig-democratische cultuur. In plaats van alles wat niet deugt op één hoop te gooien, kunnen zaken als hoofddoekjes en boerka’s ('laat maar [op] zitten’), hoge minaretten, tekstueel onwaarschijnlijke maar liberale interpretaties van de koran en andere vormen van schipperen met Allah met gepaste onverschilligheid tegemoet worden getreden.
Neoconservatieve critici streven naar een samenleving met een sterke burgerschapscultuur die haar grondslagen verheldert, haar erfgoed koestert en wil overdragen en een duidelijk idee heeft over wat wezenlijk is in haar cultuurgeschiedenis. Zij willen dan ook breken met alle cultuurrelativisme: nodig is een normatieve versteviging van instituties als het gezin, de school en de buurt, beheersing van de landstaal en kennis van de nationale cultuur en geschiedenis. Maar wat als die burgerschapscultuur juist het vermogen tot zelfkritiek en zelfrelativering als normatieve kern heeft? Dat leidt niet tot een kwalijke vorm van zelfopheffing of zelfhaat. Want ook in dit geval is duidelijk waarin nieuwkomers moeten integreren, en welke deugden en competenties van iedereen, ook van autochtonen, worden gevraagd om succesvol te kunnen deelnemen aan de democratische samenleving. Die kwaliteiten hebben allemaal te maken met het vermogen om reflexief afstand te nemen van de eigen opvattingen en zich te kunnen verplaatsen in die van de ander, en dus met deugden als aanspreekbaarheid, zelfbeheersing en matiging. In die zin vormen het vrijzinnige individualisme en het vermogen tot relativeren een essentiële toegangskaart én toegangseis voor effectief burgerschap in een democratische cultuur. Die opvatting vergroot het gebied van de tolerantie en biedt meer ruimte aan het culturele schipperen en knoeien dat het integratieproces zo vaak begeleidt.
Populistische haatzaaiers als Martin Bosma van de PVV is dit een gruwel. 'Leven en laten leven’ is leuk zolang iedereen dezelfde basiswaarden aanhangt, schrijft hij in De schijnélite van de valsemunters. Maar de basiswaarden van de democratie gaan juist over hoe je over die basiswaarden vreedzaam met elkaar van mening kunt verschillen. Als je de waarheid in pacht hebt, heb je geen behoefte aan de hoffelijkheid die veronderstelt dat de tegenstander ook een deeltje van die waarheid bezit. Opvallend is overigens dat hypocrisie (een munafiq zijn) ook in kringen van orthodoxe moslims zo'n beetje het ergste is waarvan je iemand kunt beschuldigen.
In plaats van altijd kritisch te zijn en alles stante pede tegen elkaar te willen zeggen, kunnen we ook eens tactisch onze mond houden en een beetje wegkijken, ook al bevalt het ons niet wat anderen zeggen en doen. De niets ontziende eerlijkheid van 'ik zeg wat ik denk’ komt maar al te vaak voort uit zelfgenoegzaamheid en de zucht om de eigen stellige waarheid aan anderen op te dringen. 'Wees verschillig!’ roept de Vara. Maar een zekere mate van onverschilligheid, van pragmatische vermijding, zelfs van beleefde hypocrisie, is onvermijdelijk in een pluriforme samenleving. Dat geldt overigens niet alleen voor burgers onder elkaar, maar ook voor de verhouding tussen gewone burgers en de beroepsburgers die we aantreffen in de politiek. Ook hier geldt een zeker recht op onverschilligheid: niet iedereen hoeft altijd mee te doen of zich overal mee te bemoeien. Als we maar een beetje op elkaar blijven letten.

Dick Pels is socioloog en directeur van het Wetenschappelijk Bureau van GroenLinks