Opheffer

Beschaamd het theater uit

Wanneer je in twee landen binnen een week dezelfde discussie in een zaal voert en in de ene zaal word je weggehoond en in de andere krijg je applaus, dan zegt dat iets.

Het ging over film.

Alles is liefde was net uit. Vermoedelijk een leuke film, want Kim van Kooten heeft hem geschreven en die heb ik hoog zitten. De discussie ging over commerciële films. Of ik daar tegen was. Nee. Maar… ik kan en wil ze zelf niet maken. Ik hou niet van een happy end, en ik kan niet tegen, wat ik noem, ‘verborgen geluk’ (nu zijn ze elkaars vijand, maar straks gaan ze zoenen) en eigenlijk word ik de laatste tijd ook nerveus van de hoge mate van esthetiek (camera-instellinkje zus, camera-instellinkje zo) wat vaak een nette naam is voor kitsch. Ik hou van sombere, nare films, waar wat om te lachen valt. Zonder boodschap en zonder psychologie. Rafelig van stijl. De camera als schetsboek. De bezoeker moet ‘afgeleefd’ (een term van mijn moeder) uit de bioscoop komen. Het allermooiste, heb ik laatst bedacht, is als de bezoeker zich schaamt wanneer hij het theater verlaat. Waarom ik dat vind, zal wel ergens diep verborgen in mijn psyche te vinden zijn.

In Nederland wekte dit een vorm van agressie op. Ik was ‘arrogant’, ik was ‘ironisch’ op een ‘typische jaren tachtig manier’. (Subtekst: je bent een oude lul.) Film was ‘meer’ dan ik zei. Ja, maar van dat ‘meer’ hield ik dus niet.

In Moskou kreeg ik, vier dagen na de Nederlandse discussie, voor hetzelfde verhaal applaus. Nu is de situatie daar iets anders dan in Nederland, maar er zijn overeenkomsten. In Rusland is op het moment genoeg geld om films te maken. Er wordt ook flink in films geïnvesteerd. (Overigens vooral nog in Amerikaanse films.) Men ziet de mogelijkheden. Maar juist omdat men veel in de film investeert en de druk dus hoog is om commerciële films te maken, krijgen een bepaald soort auteurs (en regisseurs) geen kans. (Desondanks worden in Rusland nog steeds schitterende films gemaakt die wij niet kennen. Ik heb verschillende dvd’s gekregen die allemaal even prachtig zijn.)

In tegenstelling tot Nederland, waar een discussie over film vaak maar een uur duurt omdat men naar de bar wil, praat men in Moskou uren en uren. We stuitten daar op een vreemd dilemma: dat mooie sombere films niet gemaakt konden worden, was eigenlijk de schuld van het publiek dat Amerikaanse pleur wilde. Maar kon je dat het publiek kwalijk nemen als ze opgevoed worden met die pleur. Ik vond van wel, de Russen niet. Als ik zei dat ik het volk ‘stom’ vond en voor het grootste gedeelte ‘achterlijk’, dan viel er een voelbare stilte in de zaal. ‘Het volk is niet stom, onze leiders zijn het’, zei iemand, die daarmee ook applaus oogstte.

‘Maar hoe lossen we dat op. Rusland is te groot, Nederland te klein’, zei ik. We kwamen erachter dat het probleem onoplosbaar is en dat we geluk hebben als we een mooie film mogen maken.

Aan de bar – Russen drinken helemaal geen wodka meer, maar bier – spraken de jonge regisseurs over hun collega’s. Net als in Nederland deugden die eigenlijk ook niet. Want Pjotr wilde eigenlijk wel commerciële films maken en Ivanov had een rijke weduwe. Was film als kunstvorm nog wel mogelijk? Wie commercieel niet geslaagd was, werd als kunstenaar niet serieus genomen. Er werden verhalen verteld van jonge Russische schilders wier schilderijen nu al vijftigduizend dollar opbrachten. ‘Kunst’, zei ik zomaar, ‘echt goede kunst, bedoel ik, wordt altijd in de luwte van een economische opleving gemaakt.’

Er werd vervolgens gezongen, gedanst en de avond eindigde ermee dat we met onze mobiele telefoontjes de thriller ‘De dood van de Nederlandse scenarist’ gingen maken. Die film zou ik u graag laten zien.