Pieter Hilhorst

Bescheiden

«Het zijn natuurlijk arme sloebers», zei Ruud Lubbers over de miljoenen vluchtelingen over wier lot hij zich vanaf 1 januari beroepshalve gaat bekommeren. «Een man die zijn hele leven heeft gewijd aan de publieke zaak, zoals ik, zal elke kans aangrijpen om hun lot te verbeteren.» Dus had hij positief gereageerd toen secretaris-generaal Kofi Annan hem had gevraagd om de positie op zich te nemen van hoge commissaris voor de vluchtelingen. Het is de bekende retoriek van de bescheiden politicus. Een nieuwe positie wordt nooit geambieerd, maar met gezonde tegenzin aanvaard. Nooit mag hij laten weten dat hij graag wil. De enige reden dat hij de lastige taak op zich neemt, is dat hij niet wil weigeren als de partij, het land, de gemeenschap of wie dan ook hem nodig heeft. De toppoliticus is een muurbloempje van formaat, dat als het eindelijk ten dans wordt genood, slechts in het oor van de reddende engel kan hijgen: «Ik dacht dat je het nooit zou vragen.» Bij zijn vorige twee kansen op een topfunctie had Lubbers gezondigd tegen deze ongeschreven regel. Met een verfrissend gebrek aan tact had hij openlijk gesolliciteerd naar het voorzitterschap van de Europese Unie en de functie van secretaris-generaal van de Navo.

Ik geef het eerlijk toe. Ik vond het heerlijk om Lubbers weer op de buis te horen oreren. Ik heb hem gemist. Voor het politieke debat was hij een ramp, maar voor de fijnproever een zegen. Zijn woorden waren altijd voor meerderlei uitleg vatbaar. Conflicten ontmantelde hij het liefst in het geniep, in het torentje. Maar hij deed dit met zo'n ongekende schaamteloosheid dat ik er weer lol in kreeg. Nooit zal ik vergeten hoe hij een verbouwereerde Ferry Mingelen uitlegde dat hij geen standpunt had: «Het is zo makkelijk om een mening te hebben, iedereen heeft een mening, dat brengt de oplossing niet dichterbij.» Zijn gepolijstheid was zo perfect dat het van de weeromstuit iets grilligs kreeg. Kok heeft van zijn voorganger het depolitiseren overgenomen, maar dan zonder deze wellust en grilligheid. Onze huidige premier zegt net als Lubbers nooit iets substantieels, maar doet dat dan ook nog fantasieloos. Dat is een weerzinwekkende combinatie.

De vraag is echter of de onmiskenbare kwaliteiten van de voormalige CDA-coryfee in zijn nieuwe functie wel zo goed van pas komen. Toen Lubbers werd gevraagd of hij eigenlijk wel genoeg afwist van de vluchtelingenproblematiek antwoordde hij dat hij er met gemak zo een uur college over kon geven. Dat geloof ik onmiddellijk. Al was het maar omdat ik er zeker van ben dat Lubbers ook over een lucifersdoosje met gemak zestig minuten zou volpraten, zonder ons te vervelen. Maar de vluchtelingen hebben geen behoefte aan colleges. Als hoge commissaris moet Lubbers permanent strijden tegen de neiging van de wereldgemeenschap om de ogen te sluiten voor het lot van de miljoenen op drift. Als premier was hij meester in het voorzichtig oprekken van het haalbare. Die tijd ontbreekt bij de crises waarmee hij nu te maken krijgt. Hij moet nu niet problemen wegpraten maar ze op de agenda schreeuwen, niet bemiddelen maar actievoeren, niet masseren maar irriteren.

Misschien had Lubbers voor deze ene keer echt bescheiden moeten zijn, juist omdat hij met zijn woordkunst weinig uit kan richten voor de «arme sloebers».