Essay De PvdA, progressief en conservatief tegelijk

Bescheiden is het trefwoord

Na het aftreden van Job Cohen moet de PvdA niet alleen op zoek naar een nieuwe leider, maar ook naar een nieuwe ideologie. Een bescheiden maar effectieve overheid, voortbouwend op het succes van de verzorgingsstaat. En zonder negativisme.

IN CANADA bestond lange tijd een curieus genaamde partij: de conservatieve progressieve partij. Ik heb me daar altijd over verbaasd tot ik ging nadenken over de toekomst van de PVDA, die ergens zwabbert tussen progressief en conservatief en eigenlijk allebei zou moeten zijn. De spagaat tussen progressief denken en behoudzucht is minder onlogisch dan het er op het eerste gezicht uitziet. Als je iets hebt opgebouwd dat staat als een huis, dan word je vanzelf conservatief als het wordt bedreigd. Progressief kun je zijn in het gebruik van de middelen tot behoud van dat bouwwerk.
Om een behoorlijk programma voor de toekomst te ontwikkelen, om te overleven, zal de PVDA eerst haar geschiedenis moeten herclaimen. Niet alles daarin is even fantastisch, maar dat Nederland een inclusief land is met een grote sociale mobiliteit en een behoorlijk levensniveau voor vrijwel iedereen, dat is het werk van de sociaal-democratie. De PVDA zou er goed aan doen om vanuit de trots op dat bouwwerk renovaties en aanpassingen uit te voeren. Het meehuilen met populisten van links of van rechts is niet alleen immoreel maar ook ineffectief. Het ondermijnt je eigen morele kracht en je wint het nooit van de werkelijk onverantwoordelijke roeptoeters. Begin gewoon eens krediet te claimen voor hoe Nederland in elkaar zit, dan kun je als volgende stap misschien betogen dat de ontmanteling daarvan onverstandig is, al zijn aanpassingen zeker noodzakelijk.
Het klinkt contra-intuïtief om een progressieve partij een reddingsboei van conservatisme toe te werpen, maar laat ik het voorbeeld geven van de multiculturele samenleving die Nederland zo succesvol belichaamt. De enorme sprong die de tweede generatie allochtonen maakt ten opzichte van haar ouders - geboekstaafd door het CBS en het SCP en zichtbaar voor iedereen die het wil zien - lijkt op die van de arbeiderskinderen na de jaren vijftig. Sterker, ze zijn de resultante van dezelfde factoren, namelijk een samenleving die iedereen hielp die zichzelf wilde helpen. Wie hard werkte, hard studeerde, zijn kansen pakte, die kon studeren, zichzelf verbeteren. Natuurlijk had sociale omgeving invloed, maar niemand kon zeggen dat hij geen kans had om zijn lot in eigen hand te nemen. Geen enkele weg was afgesloten. Zelfs bastions van ons-kent-ons zoals de advocatuur werden ermee geslecht.
Net als alle andere Nederlanders profiteert de tweede generatie allochtonen van onze aangename samenleving. We hebben goedkoop en gemakkelijk toegankelijk onderwijs, zij het met bedreigde kwaliteit. We hebben heel behoorlijke woningen en goede voorzieningen. We hebben uitstekende en toegankelijke medische zorg. Bittere armoede kent Nederland niet. We gaan meestal beschaafd met elkaar om. De resultaten die immigrantenkinderen boeken zouden de borst moeten doen zwellen van een ware sociaal-democraat - trouwens ook die van een christen-democraat, want beide stromingen putten uit dezelfde bron van inclusief denken over de samenleving.
In plaats van trots te zijn op deze samenleving en de successen ervan heeft de PVDA zich laten meezuigen in een overreactie op haar bestuurlijke arrogantie en politieke correctheid van de laat-twintigste eeuw, resulterend in halfhartig marktgericht denken en een integratienota waarvan de honden geen brood lusten. Wie niet trots is op zijn erfgoed kan niet met zelfvertrouwen de toekomst tegemoet treden. Daarmee moet de wederopstanding van de sociaal-democraten dan ook beginnen.
Laten we daarom vaststellen dat de PVDA eerst haar geschiedenis moet claimen. De PVDA heeft van Nederland een succes gemaakt. Dat deed ze niet alleen, maar nu niemand de verzorgingsstaat claimt, waarom zou de PVDA het dan niet doen? Zoals de troetelconservatief Thierry Baudet het in een van zijn bundels met conservatief gedachtegoed formuleerde: een conservatief wijst niet de vernieuwing af, maar alleen onbesuisde veranderingsdrift. Niet het slechtste begin voor een sociaal-democratische wedergeboorte. De volgende stap is lastiger. Een samenleving is nooit af, je kunt nooit tevreden zijn. Iedereen die er serieus naar kijkt weet dat de verzorgingsstaat onvoldoende is toegerust voor de toekomst. Juist degenen die deze samenleving hebben ingericht moeten bereid zijn haar te herinrichten naar wat nu nodig en nuttig is. We zijn helemaal niet minder sociaal geworden, maar er wordt op ons sociaal gevoel nauwelijks een beroep gedaan.
Volgens sommige analyses zou individualisme het sociale gevoel van burgers hebben ondermijnd. Het zou zijn verzonken in egoïsme waardoor solidariteit met anderen op het tweede plan is geraakt. Ik vraag me af of dit waar is. Solidariteit is iets afstandelijks geworden. Dat doen ze in Den Haag. Misschien waren de sociaal-democraten wel te succesvol: Nederlanders kijken nu naar de overheid voor solidariteit. Ze hebben het uitbesteed. De overheid zorgt er toch voor? Zoals Sjaak Koenis onlangs opmerkte: de burgers hebben onrealistische verwachtingen van de overheid. Ik zag het zelf in rapporten van de gemeente Amsterdam waarin burgers klagen over het ontbreken van vriendelijkheid op straat. Doe er wat aan, overheid! Hocus pocus: maak sociale cohesie. Als de overheid niet doet wat hij wenst, schrijft Koenis, wordt de burger boos.
Ik geloof niet dat we terug kunnen of terug moeten naar de charitas, naar sociale zorg op vrijwilligersbasis, maar evenmin kunnen we het houden bij het overlaten van solidariteit aan een amorf, kleurloos en smaakloos orgaan als de overheid. Het structureel wantrouwen van de overheid, het steeds maar weer bewijs vragen of de weg via een overheidsregeling inderdaad de beste, de goedkoopste, effectiefste of meest intelligente manier is, zou de tweede natuur moeten zijn van een sociaal-democraat. Wie de overheid tot heiland verheft of er zelfs maar de eerste vluchtheuvel van maakt, vraagt om misstanden en bedreigt zelf de verzorgingsstaat omdat die ten onder zal gaan aan misbruik en verkeerde regelingen.
We kunnen het erover eens zijn dat individualisme een samenleving niet bij elkaar houdt. Zijn we doorgeschoten? Misschien, maar dat is niet het probleem. Wat er gebeurd is, is dat we de wortel van ons individueel succes in maatschappelijk verband zijn vergeten. Er zijn geen individuele successen die niet steunen op de samenleving waarin ze plaatsvinden.
Kritische PVDA'er René Cuperus ziet een scheidslijn tussen mensen die hebben gewonnen en mensen die hebben verloren in de globalisering. De PVDA zou beiden proberen te bedienen vanuit een internationale ideologie: solidariteit van winnaars met verliezers. Het is waar dat veel woede onder de kiezers ontstaat omdat ze het gevoel hebben te zijn ingehaald door een globale samenleving waarop ze niet zijn toegerust. Maar een analyse die uitgaat van winnaars en verliezers biedt geen grondslag voor een inclusieve samenleving. Dan wordt het evenzeer charitas, maar dan van de succesvollen die wel zullen bepalen hoe de sukkelaars die niet meekunnen geholpen worden. Sommige leden van GroenLinks lijken dit soort denken te omarmen, zoals Dick Pels in zijn bundel Vrijzinnig paternalisme. Allicht dat kiezers zich afkeren van dit soort patroniserende boodschappen, de ondertitel Naar een groen en links beschavingsproject zegt alles. Zo werkt het niet. Misschien verklaart dit soort denken iets van de soms ongeremde haat tegen de PVDA als arrogante betweters en bureaucratische regelfetisjisten. Geen misverstand, ik ben niet tegen moraliserende politici, maar moraliseren is wat anders dan patroniseren of paternalisme.
Sociaal-democraten moeten zich bij hun analyses van maatschappelijke knelpunten vooral beperken tot die waar je wat aan kunt doen. Een discussie over ‘cultuur’ is gedoemd te leiden tot nog meer haat. Cultuurverschillen waren en zijn er altijd en dat is maar goed ook. Niet iedereen laat zich verheffen naar de wens van de verheffers. Het is daarom zo ongelukkig dat de PVDA zich heeft laten meeslepen in een negatieve evaluatie van de multiculturele samenleving - als conservatieven en progressieven het ergens over eens zouden moeten zijn dan is het over het bestaan van en het recht op cultuurverschillen. Het enige alternatief is dwingelandij of woede over het verlies van 'een Nederlandse cultuur’ die er nooit was. Cultuurverschillen zijn het desem van een levende samenleving.
Democratie schept haar eigen problemen omdat de hoge verwachtingen steeds oplopen met wat bereikt is. Rupsje Nooitgenoeg is een democratisch fenomeen. Het was mooi en terecht dat Joop den Uyl spreiding van kennis, macht en inkomen als lonkend perspectief bood, maar de verwachte uitkomsten vallen natuurlijk altijd tegen, ook al is er meer van gerealiseerd dan de kwaaie burgers zich realiseren. Spreiding is geen opgelegde gelijkheid, dat heeft Den Uyl nooit als ideaal gepropageerd hoewel ook hij zich ophing aan het vreselijke woord nivellering. Over conservatief progressief gesproken: als slogan voor de geheel vernieuwde PVDA zou het motto van Den Uyl in deze tijd van inkomensongelijkheid zo gek nog niet zijn. In elk geval beter dan het zielloze en al bij voorbaat de moed opgevende Het moet eerlijker.
Hoe moet dat progressieve omgaan met de verzorgingsstaat er dan uitzien? Ik heb het kant-en-klare antwoord niet. Maar economische groei en dynamiek zijn onmisbaar. Overheidsuitgaven, jeugdwerkloosheid, mondigheid, zelfstandigheid - je kunt vrijwel niets bedenken wat niet beter wordt van economische groei. De verhouding van groei met fiscale rechtlijnigheid is voortdurend betwistbaar, maar dat zowat iedereen in Nederland in 2009 een bezuinigingsdictaat van ambtenaren accepteerde, leidt niet tot een eerlijke afweging.
Ook weet ik dat de rol en positie van de overheid steeds kritisch benaderd moeten worden. Steeds weer moet 'de overheid’ bewijzen dat ze een taak terecht heeft, die effectief en efficiënt uitvoert en dat zij de enige is die dat kan. Cultuursubsidies zijn niet vanzelfsprekend, geen enkele subsidie moet dat zijn, ook niet die op hypotheken of autogebruik. Kritisch bevragen van wat de overheid doet is meer dan voortdurend Kamervragen stellen over incidenten. Het vergt een visie.
Critici van de verzorgingsstaat hebben gewezen op de 'unintended consequences’ van beleid en op de 'welfare trap’ waardoor mensen in afhankelijkheid belanden, nu van de overheid. Terecht. We moeten mensen helpen zichzelf te helpen. Een permanent beroep op welke dienstverlening dan ook is dubieus. We weten dat de overheid lang niet altijd efficiënt is, hoewel soms efficiënter en effectiever dan de markt. We hebben die critici nodig gehad om te kunnen vaststellen dat het project verzorgingsstaat ondermijnd is door overdadig gebruik van voorzieningen, zowel door hen die er geen recht op hadden of voor wie ze niet bedoeld waren, als door bedrijven die het systeem gebruikten om overtollige arbeidskrachten te lozen.
De nieuwe, beperkte verzorgingsstaat moet bestaanszekerheid bieden voor hen die dat nodig hebben, tijdelijke hulp zoals dat ooit bedoeld was. En een beschaafde samenleving moet die dingen blijven doen waarmee we zoveel succes hebben gehad maar waarop we dreigen de grip te verliezen: het verschaffen en managen van publieke goederen. Ons onderwijs schreeuwt om visie, al realiseer ik me dat de PVDA op dat terrein aardig wat ballast meedraagt. Niet te veel ambities, gewoon de basis goed in orde hebben. Behalve onderwijs, de ultieme kansenschepper, is die basis ook woningbouw, gezondheidszorg, openbaar vervoer, veiligheid en wetenschap. Niet kortzichtig anti-overheidsdenken maar werken aan een bescheiden maar effectieve overheid. Bescheiden, dat is het trefwoord. Beleid moet zelfwerkzaamheid stimuleren, niet het werk zelf uit handen nemen. Twee Obama-adviseurs noemden dat de nudge society. Nodig mensen uit om het goede te doen. Ze hoeven niet, je laat ze de keuze.

DE EMINENTE columnist van de Financial Times Martin Wolf waarschuwt niet alleen tegen overdreven bezuinigen in tijden van economische teruggang, hij heeft ook een mooi mini-essay geschreven over publieke goederen. 'Publieke goederen zijn de bouwblokken van civilisatie’, stelt Wolf - een mooie opener van welk sociaal-democratisch manifest dan ook. Economische stabiliteit zelf is een publiek goed en rechtvaardigt alleen al daarom grote bemoeienis van de rest van de samenleving. Want anders dan vrijemarktideologen ons vertellen, zegt Wolf, is stabiliteit niet vanzelfsprekend. Zelfs Milton Friedman geloofde dat de overheid moest ingrijpen, via een centrale bank, om een keten van bankfaillissementen te voorkomen. Markten kunnen ook niet, aan zichzelf overgelaten, de voorwaarden bieden voor optimale groei - een behoorlijk opgeleide bevolking, infrastructuur, publieke gezondheid, veiligheid, juridische bescherming van eigendom en intellectueel eigendom bijvoorbeeld. Hoe rijker we zijn, hoe meer succes we hebben in onze privé-ondernemingen, des te complexer zijn de publieke goederen die we nodig hebben. En om Wolfs fascinerende betoog in te korten tot de essentie: de globale economie betekent dat we landen-overstijgende publieke goederen nodig hebben en mechanismes moeten ontwikkelen om die te organiseren. Ziedaar de grondslag voor internationalisme voor sociaal-democraten. De visie die nationaal nodig is, is internationaal net zo onmisbaar.
Bovenal: ban het negativisme uit. Jazeker, bankiers hebben absurde inkomens en dat geldt ook voor sommige ondernemers, vele advocaten, adviseurs en papierschuivers. Sociaal-democraten hoeven en kunnen de tegenstelling tussen arm en rijk niet op te lossen en moeten dat ook niet willen of pretenderen. Het is voldoende om een beschaafde samenleving op de been te houden. Dat betekent ook dat de belangen van de samenleving niet per se sporen met die van vakbonden (of werkgevers) als belangenbehartigers. Elke sociaal-democraat zou de studie moeten lezen van het SCP die vaststelde dat de middenklasse en de hoogste inkomens het meeste profijt hebben van de overheid. Een scherpe en kritische blik naar allerlei steun, potjes, vanzelfsprekende overheidsbetrokkenheid is een eerste vereiste. Maar haat en nijd, afkeer en afgunst, het zijn veeleisende gevoelens. Het negeren van deze negatieve impulsen schept enorm veel ruimte, vooral als je moeite hebt om een positief verhaal op te zetten dat niet bestaat bij de gratie van wat je níet wilt. Alleen degene die iets positiefs te bieden heeft mag kritiek hebben op het gedrag en de uitingen van anderen. Doe het en je zult merken dat het nauwelijks nodig is omdat een positieve geloofwaardige boodschap vanzelf contrast schept.
Cruciaal is dat de PVDA een partij moet zijn met een visie op de samenleving, niet een organisatie die de belangen behartigt van doelgroepen. Dus verder niet zeuren over de verloren arbeiders, de weggelopen vrijzinnige kosmopolieten, de milieuactivisten en nog zowat hokjesbevolkers. Ook het eigen hok van bestuurders en would be-bestuurders moet flink schoongespoeld worden. Populisme kwam en komt uit onbehagen en scepsis tegenover de elites, het 'establishment’, de gevestigde partijen en de vertegenwoordigende democratie. Bescheidenheid past de sociaal-democratie omdat ze zelf aanleiding heeft gegeven tot die reactie.

EEN VOLKSPARTIJ is er voor iedereen die een bepaalde visie heeft op hoe we met elkaar omgaan en dat moet een visie zijn die juist de verschillende groepen ondersteunt. Jongeren en ouderen, zieken en gezonden, grootverdieners en marginale inkomens en alles ertussenin, stedelingen en plattelanders, gelovig en ongelovig, Marokkaans Nederlands of Limburgs. Laten we afspreken dat als een visie alleen maar appelleert aan een beperkte groep hij per definitie niet in orde is.
Solidariteit blijft een mooi woord in het sociaal-democratische repertoire, maar helaas, het heeft zoveel ballast gekregen dat het vooral negatief overkomt. Het is iets geworden wat de succesvollen geven aan de minder succesvollen. Solidariteit moet meer zijn, het moet niet bestaan uit geven, het moet bestaan uit leven. Vandaar dat ik zelf de voorkeur geef aan het praten over een inclusieve samenleving.
Er zijn analisten en critici die de problemen van de PVDA en de sociaal-democratie, of beter gezegd, de problemen van het politieke midden, toeschrijven aan factoren als gebrek aan mediadrang, geen aansprekende leiders of mismanagement van de boodschap. De PVV en de SP zijn nou eenmaal veel beter in de politiek van het theater. Zal best, maar mij lijkt het een drogredenering. Theater zonder boodschap reikt niet zo heel erg ver, de wisselende kiezersgunst bewijst dat.
Het is tijd om terug te keren naar de ideologie als basis voor een politiek programma. De vorig jaar overleden medeoprichter van D66 J.J. Vis stelde in 2008 dat D66 uitdrukkelijk was opgericht omdat de tijd van de ideologische partijen voorbij zou zijn. Hij wilde de nadruk leggen op de verhouding tussen burger en overheid en de kwaliteit van die relatie. Ik denk dat Vis ongelijk had, niet in zijn zorg over die relatie, maar wel in de vaststelling dat ideologie voorbij is. D66 bestaat uiteindelijk nog steeds, maar functioneert vooral op basis van 'een methode’, pragmatisme. Slappe hap, kan ik alleen maar zeggen. Dat is geen basis om keuzes te maken.
Zoals de Amerikaanse journalist Hendrik Hertzberg het formuleerde in de context van de ideologieloze Bill Clinton: het voordeel van een ideologie is dat je al het denkwerk hebt gedaan voordat je aan de uitvoering toekomt, voordat je daadwerkelijk macht hebt. In feite heb je dan al bij voorbaat de meeste beslissingen genomen, je hoeft niet meer eindeloos te denken en te vragen, en zeker niet, zoals de regering-Balkenende/Bos deed, honderd dagen door het land te dwalen om te vragen wat je moet doen. In plaats daarvan kun je tijd en energie besteden aan het verkopen en implementeren van de antwoorden die je relatief gemakkelijk hebt gevonden. Zonder ideologie kun je geen prioriteiten stellen en loop je het risico in de details te verzanden. Niet alleen Balkenende en Bos overkwam dat, het gebeurt ook met Rutte, en niet alleen Clinton verspilde er een deel van zijn presidentschap mee, ook Obama heeft dat nu gedaan.
Het is niet zo dat al die individuele burgers shoppen en op ad-hocbasis kijken van wie ze wat krijgen. De burger is geen politieke consument maar juist deel van een groter geheel en hij is zich daar zeer van bewust. Vertrouwen is het complement van ideologie. Niet alleen moet een burger weten wat hij heeft aan de sociaal-democratie als visie op de samenleving, hij moet er ook op kunnen vertrouwen dat sociaal-democraten die visie hebben en ernaar handelen. Of het nu terecht of onterecht verloren is gegaan, sociaal-democraten hebben wat vertrouwen terug te winnen. Volksvertegenwoordigers moeten niet luisteren naar de eindeloze wensenlijst van de best georganiseerde of meest luidruchtige burgers, maar zelf een verantwoordelijkheid nemen, gebaseerd op de visie die ze hebben omarmd. Misschien hoort enig dolen in de wildernis daarbij, so be it.
De sociaal-democratie biedt een mooie, complete en samenhangende visie op de samenleving, net als het liberalisme trouwens. Een visie met een geschiedenis en een toekomst. Maar die moet wel geformuleerd worden. Voordat de PVDA zich weer verliest in een ronde van het vervelende gezelschapsspel 'wie wordt de leider’, zouden de leden er goed aan doen om weer eens zo'n coherent maatschappijbeeld op te zetten en daarna pas te kijken wie van de vele talentvolle leden een enthousiaste groep volksvertegenwoordigers mag aanvoeren.
Laat Lodewijk Asscher daarom vooral lekker nog een tijdje in Amsterdam blijven. Sociaal-democratie heeft altijd gedijd bij wethouders, praktische mensen met praktische oplossingen, ook al werden ze daar in Amsterdam aardig arrogant van. Sowieso komt de redding voor een serieuze partij niet van één persoon maar van een visie. Zo'n visie kan gebaseerd zijn op een succesvol verleden en er is niets op tegen om je te tooien met de veren van dat succes, ook al heb je die in een dolle bui ooit afgeschud.
Dat is het conservatieve deel: de PVDA moet staan voor een inclusieve samenleving waarin burgers met elkaar verantwoordelijkheid dragen voor het geheel van die samenleving, zonder dat dit hun individuele ontplooiing in de weg staat. De uitdaging is het invullen van het progressieve deel. Kijken wat wel en niet deugt aan die verzorgingsstaat. Je druk maken over publieke voorzieningen, met name die waarvan we allemaal weten dat ze niet door de markt of door individuen aangeboden kunnen worden. Ik maak me er gemakkelijk af door onderwijs hier voorop te zetten, samen met infrastructuur en een stimulerend sociaal stelsel, maar het is echt een programma dat de sociaal-democratie als beweging moet maken.
Wees trots op de verzorgingsstaat. Claim je succes. En stel het beleid voor dat dat succes moet bestendigen en fris houden. In een wat clichématige omschrijving die toch precies aangeeft waar het om gaat: ontwikkel de verzorgingsstaat 2.0. Leve de conservatief progressieve partij!