Profiel: Mariss Jansons

Bescheiden topdirigent met pacemaker

Zes jaar geleden, tijdens een concert uitvoering van Puccini’s La bohème in Oslo, kreeg Mariss Jansons een hartaanval. Dat gebeurde vier minuten voor het einde midden in een dramatische sterfscène. Jansons probeerde de opera nog uit te dirigeren, maar ging tegen de vlakte. Leden van het orkest vertelden hem later dat zijn rechterhand, terwijl hij bewusteloos op de grond lag, stug de maat was door blijven slaan. Sindsdien gaat de Let door het leven met een pacemaker.

Het lijkt niet de ideale uitgangspositie om een emotioneel zware baan aan te nemen als chef-dirigent bij het Koninklijk Concertgebouworkest (KCO), dat niet bekend staat als een van de gemakkelijkste orkesten. Toch wordt de 59-jarige Jansons zo goed als zeker de opvolger van Riccardo Chailly, die het KCO in 2004 verlaat. Ondanks lichamelijke gebreken is Jansons een workaholic en hij zal zich niet eens tot Amsterdam beperken. Hij had in een eerder stadium al toegezegd om volgend jaar chef-dirigent van het Symphonie Orchester des Bayerischen Rundfunks in München te worden. En aangezien hij een man van zijn woord is, zal hij zich daaraan houden. Toch is zijn komst naar het KCO wel een bescheiden stapje naar een wat rustiger leven. Want als chef-dirigent van het Pittsburgh Symphony Orchestra, een functie die hij momenteel combineert met allerlei gastdirigentschappen in Europa, moet hij veel lange, vermoeiende vliegreizen over de oceaan maken, waar hij slecht tegen kan. Daar is hij straks in elk geval grotendeels van af.

Jansons, geboren in Riga in 1943, is momenteel een van de topdirigenten in de wereld. Zijn vader, Arvid Jansons, was een beroemd dirigent, zijn moeder operazangeres en zelf kroop hij als peuter al in het operahuis rond, omdat zijn ouders geen geld hadden voor een oppas. Toen hij dertien was verhuisde het gezin naar het toenmalige Leningrad, waar zijn vader al een aantal jaren tweede dirigent was naast Jevgeni Mravinski, de chef van het Philharmonisch Orkest. Ook de zoon, die zijn aanvankelijke wens om voetballer te worden inmiddels had laten varen, ging er muziek studeren: viool, altviool en piano, als voorbereiding op een dirigentenopleiding aan het conservatorium. Het was een moeilijke tijd voor de puber Mariss. In een nieuwe stad met een andere taal moest hij zich staande zien te houden op een muziekopleiding waar de eisen, naar oude sovjettraditie, enorm hoog lagen. Hij sloeg zich erdoorheen door keihard te werken. Zelf zei hij over die periode: «Ik heb toen wel een mentaliteit aangekweekt. Als je geen werkmentaliteit had, dan was het meteen afgelopen.»

Een werkmentaliteit heeft hij altijd gehouden, ook nadat hij cum laude het conservatorium had afgerond, in het buitenland had gestudeerd bij grote namen als Hans Swarowski en Herbert von Karajan en dirigeerprijzen had gewonnen. Jansons is geen societyfiguur, niet de maestro die om een vip-behandeling geeft. Muziek, dat is werken, zweten, zwoegen. Net zo lang tot «het» er is. «Hij is onverbiddelijk, hij laat niet af», zegt Alexander Kerr, concertmeester van het KCO, die Jansons tijdens diens vele gastdirecties bij het orkest — sinds 1988 ongeveer twintig — redelijk goed heeft leren kennen.

Misschien dat de Let juist door die werkmentaliteit altijd een voorkeur lijkt te hebben gehad voor chefschappen bij de iets mindere orkesten, waar muzikaal gezien nog wel wat aan te verbeteren viel. Van Pittsburgh gaat hij straks naar München en tot enkele jaren geleden was hij chef-dirigent van het Oslo Philharmonisch Orkest, dat onder zijn leiding uitgroeide van een onbekend regionaal gezelschap tot een alom gerespecteerd kwaliteitsorkest. «Het orkest van Oslo is voor mij een goed laboratorium», zei Jansons er zelf over. «Een apparaat waarmee ik mezelf kan laten zien hoever ik ben.» Hoever hij was toonde hij vervolgens aan de wereld als tweede dirigent bij het Philharmonisch Orkest van Leningrad, net als zijn vader, en als gastdirigent bij toporkesten als de London Philharmonic, de Berliner en Wiener Philharmoniker en het Amsterdamse Concertgebouworkest.

Maar nu hij bijna zestig is, begint te tijd te dringen om eens écht te oogsten als chef bij een toporkest. Gezien zijn lichamelijke conditie kon het weleens zijn laatste kans zijn. Bij het KCO lijkt een rijke oogst verzekerd. Het klikt tussen dirigent en orkest. De vele gastdirecties waren stuk voor stuk grote successen, waarmee Jansons zich al lang geleden een bijzondere positie bij het Amsterdamse orkest wist te verwerven. Dat bleek twee jaar terug, toen de Let werd uitgenodigd om de Zevende symfonie van Mahler te dirigeren. Om zo’n werk aan een gastdirigent over te laten — het KCO heeft als geen ander orkest een Mahler-reputatie en de Zevende symfonie is een bijzonder complex muziekstuk, waaraan maar weinigen zich wagen — was zeer uitzonderlijk te noemen.

Het orkest is ronduit dol op Jansons, een gespierde, wat gedrongen man, die door zijn krachtige uitstraling groter overkomt dan hij werkelijk is. Omdat hij uiterst muzikaal is (violist Henk Rubing: «Hij gaat tot het diepste in de muziek»). Omdat hij de muziek op een emotionele wijze benadert (concertmeester Vesko Eschkenazy: «Als hij op een bepaald moment iets voelt, dan doet hij het zo. Hij werkt niet volgens het boekje»). Omdat het een bescheiden, charmante man is (concertmeester Alexander Kerr: «Hij is heel easy going, heel prettig in de omgang, hij geeft je nooit het gevoel dat er tussen jou en hem een afstand bestaat»). En misschien ook wel omdat hij zo anders is dan de huidige chef, Riccardo Chailly. Jansons stelt zich niet op bóven de musici, maar als een van hen. «Hij speelt niet de generaal die over zijn leger heerst», legt violist Rubing uit. «Hij heeft meer de instelling van samen de klus klaren en dat werkt buitengewoon prettig. Hij geeft de musici een groot gevoel van eigenwaarde.» En daar zijn deze blijkbaar, na vijftien jaar Chailly, aan toe.

Jansons doet het bewust. Hij leerde van zijn vader al jong hoe je met een orkest moet omgaan, als een soort psycholoog. Dat je musici niet zomaar je wil kunt opleggen, maar gevoelig moet zijn voor hun emoties. En voor alles respect moet hebben voor hun muzikaliteit. Respect heeft hij ook werkelijk voor het Concertgebouworkest. «Er zijn maar weinig plaatsen in de wereld waar een orkest zo’n hoge intelligentie heeft, een muzikale intelligentie die veel dieper gaat dan de noten», zei hij erover. Vandaar dat hij zo graag naar Amsterdam komt. Toch laat Jansons zeker niet over zich heen lopen. Op muzikaal gebied gebeurt er precies wat hij wil. «Een dirigent kan helaas niet democratisch zijn», zei hij daar zelf nuchter over. «Hij moet de beslissingen nemen.»

Wat het repertoire betreft is Jansons minder vooruitstrevend dan Chailly, die veel eigentijds werk programmeert. Dat zal onder Jansons minder het geval zijn. Hij staat bekend als vrij conservatief en zal waarschijnlijk de nadruk leggen op het romantische repertoire: Richard Strauss, Mahler, Bruckner. Maar ook Sjostakovitsj behoort tot zijn favorieten — hij kwam de componist regelmatig tegen toen hij als jongeman van in de twintig in Leningrad studeerde — evenals Stravinsky en Bartók. Zelf streeft Jansons naar een zo breed mogelijk reper toire. Daarom verdiept hij zich de laatste tijd ook in de iets oudere componisten, zoals Beethoven en Mozart.

Met Jansons krijgt het Concertgebouworkest voor de tweede keer sinds de oprichting in 1888 een buitenlandse chef-dirigent. De Let zal veel nieuws toevoegen. Hij heeft de Russische stijl: warm, emotioneel, expressief. En op zijn eigen manier is hij ook experimenteel. «Ik heb nog nooit zo veel pianissimi gespeeld als tijdens zijn laatste concert met ons», zegt concertmeester Eschkenazy. «Hij liet me steeds zachter spelen, hij probeerde tijdens het concert uit hoe zacht het kon gaan. Dat is leuk, dat is muziek, dat is kunst.»

Maar iemand met een zwak hart en een pacemaker tot chef benoemen, is dat niet vragen om moeilijkheden? «Ach, een bypass hebben er wel meer, Haitink heeft er ook een», relativeert tweede concertmeester Marijn Mijnders. «Sommigen worden er heel oud mee.» En je merkt er in de dagelijkse praktijk ook eigenlijk weinig van. Soloklarinettist Sjors Pieterson: «Als hij zich goed voelt, is hij sterk als een beer. Hij begint te dirigeren en de vonken springen er vanaf.»