Sjuul Deckwitz

Bescheiden tromgeroffel

Sjuul Deckwitz

De auto’s van mijn vader

Uitg. Querido, 306 blz., € 18,50

In romans die actuele kwesties aankaarten zijn de personages dragers en verkondigers van ideeën waarbij het meestal niet gaat om nuances maar om duidelijkheid. Dit is fout en dat is goed. Vaak zadelen schrijvers in dit soort boeken hun helden op met een flinke dosis woede of rancune, vermoedelijk omdat ze daar zelf ook last van hebben. Ze laten misstanden aantonen: dat de wereld niet deugt, dat de kleine man altijd aan het kortste eind trekt, dat er veel te vaak oorlog is, dat de vrouw het niet gemakkelijk heeft, dat het niet meevalt volkomen jezelf te zijn en dat er veel vormen van vaak ongrijpbare onderdrukking bestaan. Of die personages zijn illustraties van deze niet al te verrassende en weinig precieze opvattingen. Dat de werkelijkheid weleens anders in elkaar zit, speelt daarbij geen grote rol, want we hebben het over actuele literatuur en dan hoef je algemeenheden blijkbaar niet uit de weg te gaan. In zo’n roman moet het over ideeën gaan, anders is er niks aan en hoe je die ideeën voor het voetlicht krijgt, welke stijl je dus hanteert, dat is minder belangrijk. Connie Palmens werk kan hierbij als schoolvoorbeeld dienen.

Sjuul Deckwitz speelt in haar nieuwe roman De auto’s van mijn vader een merkwaardig spel met deze uitgangspunten. Ook in haar boek kun je de hoofdpersonages zien als dragers van maatschappelijke ideeën, maar Deckwitz doet haar uiterste best deze ideeën niet om de haverklap en op dreunende gelijkopeisende toon uit te dragen. Ze verbergt ze binnen een verhaal met zeer gewone mensen die we ons direct kunnen voorstellen, die min of meer gewone dingen meemaken en die niet al te opzichtig opereren vanuit de een of andere nauwelijks verborgen politieke of filosofische agenda. Deckwitz wil liever tonen dan overtuigen.

Haar verhaal bevat op voorhand genoeg stof voor een pittige maatschappelijke discussie. De heldin Ellen Stikker lijdt aan eerst vage, maar later zeer vervelende ziekteverschijnselen: hele en halve verlammingen, toenemende zwakte en verslapping. Ze belandt tot haar opluchting in het ziekenhuis. Alleen die opluchting is al eigenaardig. Romans over ziekenhuizen en ziektebeelden moeten het meestal hebben van zelfmedelijdende lijdenswegen waarbij het ziekenhuispersoneel het gedaan heeft, de artsen incompetent zijn en het hele gezondheidszorgbestel op de helling moet. Niks daarvan bij Deckwitz. Ze schetst een normaal ziekenhuis met aardige en minder aardige artsen en verpleegsters, die wel allemaal hun best doen en verregaand «ge woon» met de patiënten omgaan. Ze geeft een piekfijn beeld van het dagelijks leven in ziekenhuizen, waarbij ze de merkwaardige sfeer van mensen die wel ergens aanwezig zijn maar zich er niet bij vinden horen, raak typeert. Tegelijkertijd laat ze ook haarscherp, maar dus zonder te drammen, zien hoe de gezondheidszorg in Nederland roeit met de riemen die ze heeft. Ze oordeelt hier niet, ze toont. Daar sluit haar stijl zich bij aan. Ze gebruikt nooit opgeklopte of vergezochte beeldspraak, maar stelt er wel een eer in de zaken zo precies mogelijk voor te stellen, ook wanneer ze schrijnende ziekenhuisscènes weergeeft.

Deckwitz’ heldin is een positief ingestelde vrouw. Laconiek en vaak genoeg geestig meldt ze de verschrikkingen die haar overkomen en even laconiek beschrijft ze de langzame verbetering. Een ander soort verschrikkingen blijkt zich in de loop van het verhaal ook in haar jeugd te hebben afgespeeld: haar vader mishandelde zowel haar als haar broer. Dit gegeven levert alweer stof waarbij iemand anders dan deze bescheiden opererende schrijfster met kracht op heel grote en verontwaardigde trommels zou hebben geslagen. De heldin probeert te achterhalen waar die mishandelingsdwang van haar vader vandaan is gekomen en zet een speurtocht in naar diens verleden in het Nederlandse leger tijdens de politionele acties in Indonesië. Een afdoende verklaring levert dit niet op, maar wel een reconstructie van wat mannen ooit in dat leger doormaakten en wat dat voor hun latere leven betekende. Alweer: Deckwitz klaagt niet aan, maar legt verbanden en schetst mogelijkheden. Ze weigert met zwart-wit-schema’s te werken.

Toch heeft deze nadrukkelijke en princi piële beklemtoning van het «gewone» van mensen en van het alledaagse van dagelijkse gebeurtenissen voor een roman ook nadelen. Soms hoopte ik op een doorbreking van de af en toe voortkabbelende verhaallijnen. Een verschrikkelijke woedebui of aanval van zelfmedelijden. Een verrassend einde waarin die mishandeling van later in een heel ander licht kan worden gezien. Of toch dan maar de een of andere opbloeiende liefdesrelatie waar ze wel een paar ingrediënten voor aandraagt. Iets bedachts bedoel ik dus, maar dat is Deck witz in ieder geval nooit van plan geweest. Gelijk heeft ze, vind ik, het had zeker niet binnen haar boek gepast, maar toch zat ik ernaar te verlangen omdat deze roman af en toe zo gelijkmatig deinend is. Dan dacht ik: kan Ellen Stikker niet eens gaan schreeuwen of flink om zich heen trappen?