Bescheiden zeebonk

Als zeeman kent hij zijn weerga niet. Al tijdens zijn leven is hij ongekend populair. Na zijn dood groeit hij uit tot de bekendste nationale zeeheld. Toch blijft Michiel Adriaansz. de Ruyter eenvoudig.
HET WAS 1970. Al enkele jaren waren jongeren in opstand tegen de burgerlijke, materialistische en schijnheilige wereld van hun ouders, met volstrekt achterhaalde waarden als vaderlandsliefde, orde, gezag, discipline, trouw, God en meer van dat soort flauwekul. De zekerheden van voorgaande generaties werden gezien als een dwangbuis die de volledige ontplooiing van de persoonlijkheid onmogelijk maakte. De ongebreidelde creativiteit moest kunnen losbreken, de geest diende te worden verruimd, met of zonder hulpmiddelen. Alles stond in het teken van de liefde, die zich niet langer hoefde te beperken tot één persoon, die je toevallig een keer was tegengekomen. ‘If you can’t be with the one you love, love the one you’re with’, kweelden Crosby, Stills, Nash & Young.

In Nederland werd deze nieuwe religie beleden tijdens het popfestival in het Kralingse bos, in het Vondelpark en op de plaats die wordt gezien als het hart van Nederland, de Dam, waar het Nationale Monument de herinnering aan de helden van de natie doet voortleven. Dat wat het visitekaartje van Nederland moest zijn, was een vrijplaats geworden voor al die jongeren die in de ogen van de oudere generatie niet deugden. Langharige slampampers, die hun dagen doorbrachten met het roken van, zoals mijn oma noemde, ‘verdovende drugsmiddelen’, die in hun ongewassen slaapzakken de liefde bedreven zonder getrouwd te zijn en die ergerlijke muziek ten gehore brachten. Een zucht van verlichting ging er dan ook door het land toen kranige, frisgewassen matrozen en mariniers de Dam 'schoonveegden’. Niet alleen waren die smerige hippies verdwenen, ook was het duidelijk dat niet de hele jeugd verrot was. Goddank waren er nog knapen als deze Jantjes; zij waren de ware zonen des vaderlands, de jongens van Jan de Witt, de nazaten van Michiel Adriaansz. de Ruyter. ALS ELFJARIGE leerling van de School met den Bijbel te Wormerveer was ik het van harte eens met deze eigengereide actie van de marine. Die lamzakkerige, luie, laffe hippies mochten hun haar dan wel net zo lang dragen als driehonderd jaar daarvoor admiraal De Ruyter, maar verder leken ze in niets op mijn grote zeeheld. Die stoere, dappere maar ook bescheiden zeebonk, die iedere zeeslag won, die de Engelsen voor schut had gezet met de tocht naar Chatham, die in het 'rampjaar’ de Nederlandse natie had gered. Uren kon ik wegdromen bij de schoolplaten van Isings die zijn heldendaden in beeld brachten. Elk boek dat ik over hem of over de zeevaart in de zeventiende eeuw te pakken kon krijgen las ik, evenals elk jongensboek waarin hij een rol speelde. Neem het uit 1908 daterende Paddeltje van Joh. H. Been. Al in het eerste hoofdstuk is het raak. Met een volstrekt onderbemand en slecht bewapend scheepje weet koopvaardijschipper De Ruyter op uiterst slimme wijze de 'prijs’ (buitgemaakt schip) van een Duinkerker kaper te veroveren. De stemming aan boord is uitgelaten, want elk lid van de bemanning zal delen in de buit. Ook de scheepsjongen Paddeltje. In gedachten heeft hij het geld al uitgegeven. Maar dan blijkt dat ze het schip niet zelf kunnen meenemen naar Vlissingen en dat een Zeeuws oorlogsschip die taak op zich neemt, waardoor de buit over twee schepen zal worden verdeeld. Paddeltje roept dat het een schandaal is. Een zware stem vraagt wat er zo schandalig is. Paddeltje draait zich om en ziet De Ruyter staan. 'De scheepsjongen keek eerst beteuterd. Toen vloog er een schelmse glimlach over zijn gezicht. “Wel schipper, nu krijgt m'n moeder maar één pand aan d'r jak en vader moet het met één laars doen.” “Waarom, malle jongen?” “Omdat dat lelijke oorlogsschip met de andere helft schoot gaat, schipper.” Michiel de Ruyter glimlachte. “Wees gerust, maatje! We hebben zoveel plezier van je gehad dat heel de manschap het goed zal vinden, dat jij je volle aandeel krijgt.”(’ Als bij ons op school vaderlandse geschiedenis werd gegeven, dan bestonden de jaren zestig niet, zelfs de twintigste eeuw leek ver weg. De Tachtigjarige Oorlog en de Gouden Eeuw, dat waren nog eens tijden. In mijn bewondering wedijverde De Ruyter met Willem de Zwijger. Maar ja, dat was een Duitser, die in Frankrijk een prinsdom bezat en die 'den kooning van Hispanje’ altijd had geëerd. Voor de elfjarige ultra-nationalist die naar zee wilde, stond De Ruyter zonder meer bovenaan. DE RUYTERS eenvoudige afkomst maakte identificatie met hem een stuk eenvoudi ger dan met Willem van Oranje. De Ruyter was geen prins maar de zoon van een bierdrager. Bovendien was hij het archetype van de jongensboekenheld, zo'n pientere knaap die het in de schoolbanken niet uithield, die allerlei kattekwaad uithaalde maar niettemin een hart van goud bezat. Voor veel verhalen over De Ruyters jeugd ontbreekt ieder historisch bewijs en dient te worden afgegaan op de biografie van Gerard Brandt uit 1687. Vaststaat dat De Ruyter korte tijd op een touwslagerij heeft gewerkt. Dat hij echter bij het draaien van het grote wiel gekleed was in een blauwgeruite kiel, dat schijnt geheel ontsproten te zijn aan de poëtische fantasie van Anton L. de Rop, die in 1875 het uiterst populaire gedicht 'Een draaiersjongen’ publiceerde. De Ruyter wilde van jongsaf aan naar zee, en op elfjarige leeftijd monsterde hij aan als hoogbootsmansjongen. Enkele jaren later werd hij als matroos gevangen genomen door de Spanjaarden. Na een avontuurlijke tocht over land bereikte hij weer heelhuids Vlissingen. De jonge Michiel bezat wat vroeger 'een heldere kop’ werd genoemd. Hij klom op tot stuurman en uiteindelijk tot schipper. Hij voer op koopvaardijschepen, walvisvaarders en was zelfs enige tijd kaperkapitein. Als zeeman kende hij zijn weerga niet. Zijn kennis en strenge doch rechtvaardige leiderschap maakte hem ongekend populair bij zijn bemanningen. In 1640 diende hij korte tijd op de oorlogsvloot en viel bij deze gelegenheid op als zeer bekwaam en dapper officier. Voorlopig bleef De Ruyter echter bij de koopvaardij, al was ook dat een veel minder vreedzaam beroep dan tegenwoordig. Duinkerker en Barbarijse zeerovers maakten de zeeën onveilig en menigmaal moest De Ruyter de strijd aangaan. Klassiek is het verhaal hoe De Ruyter zich kapers van het lijf hield door zijn schip in te smeren met boter. Als koopman-schipper die deels voor ei gen rekening voer, was De Ruyter zeer succesvol. Zijn rustige maar zelfverzekerde optreden maakte hem tot een geduchte onderhandelingspartner. Met de gevreesde 'sant’ van het beruchte kapersnest Salee onderhield hij bijzonder goede betrekkingen. Niet alleen wist hij telkens met kostbare lading terug te keren van de Noord-Afrikaanse kust, ook kocht hij vaak christelijke slaven vrij. De Ruyter was een devoot christen, die elke dag uit de bijbel las en die in zijn scheepsjournaal onophoudelijk God loofde en bedankte voor de gunstige wind en de behouden terugkeer. Hij was zeer bescheiden en wars van allerlei uiterlijk vertoon. Zelfs toen hij een beroemd en rijk admiraal was, bleef hij eenvoudig. Hij kocht geen stadspaleis in de bocht van de Amsterdamse Herengracht, maar woonde aan de haven, op wat nu de Prins Hendrikkade is. Hij ging gekleed in een eenvoudige schippersjas en zijn vrouw deed met een schort voor en een mand aan haar arm zelf de inkopen op de markt. Na de overwinning in de Vierdaagse Zeeslag in 1666 zag een Franse ooggetuige hoe De Ruyter zelf zijn kajuit schoonveegde en zijn kippen voerde. IN 1651 HAD De Ruyter genoeg kapitaal vergaard om stil te gaan leven. Kort daarvoor was hij voor de derde maal getrouwd - voor de goede orde: De Ruyter was geen moderne promiscue losbol maar zijn eerste twee echtgenotes waren jong gestorven - en zijn bruid wilde graag dat hij het gevaarlijke leven van schipper opgaf. Zij was zelf al weduwe van een op zee omgekomen gezagvoerder. Een jaar later brak echter de Eerste Engelse Oorlog uit. De Ruyter werd gevraagd het commando op zich te nemen van een marine-eskader dat Nederlandse koopvaarders in het Kanaal moest beschermen. Hoewel de eerste zeeslag onbeslist eindigde, werd dit in Nederland als een overwinning gevierd. Op slag was De Ruyter beroemd als 'manhafte zeeheld’. In de Driedaagse Zeeslag van 1652 weerde De Ruyter zich zo kranig dat opperbevelhebber Maarten Tromp hem als enige vlagofficier roemde. Nadat Tromp in de slag bij Ter Heide in augustus 1653 was gesneuveld, wilde raadspensionaris Johan de Witt De Ruyter benoemen tot luitenant-admiraal, en daarmee tot opperbevelhebber van de marine. Hiermee zou hij oudgedienden als Johan Evertsen en Witte de With passeren. Hij wilde dat omdat Evertsen als aanvoerder niet sterk was en De With zich met zijn hufterige optreden bij de bemanningen zo gehaat had gemaakt dat hem regelmatig de toegang tot zijn eigen schip werd ontzegd. Bovendien, en dat woog voor De Witt veel zwaarder, waren beiden felle Oranjeklanten, en daar zat de man die tijdens het eerste stadhouderloze tijdperk aan de touwtjes trok, niet op te wachten. De Ruyter was niet zo geïnteresseerd in politiek. Hij was niet tegen de vierjarige prins, maar hij was evenmin een fervent aanhanger van het Oranjehuis. Bij hem stond het landsbelang voorop. De Ruyter weigerde echter het oppercommando omdat hij zich niet geschikt achtte en bovendien weinig zin had om in zee te steken met ondergeschikten die barstten van de rancune. Vandaar dat de raadspensionaris in arren moede zijn politieke vriend Jacob Wassenaer van Obdam benoemde. Diens politieke betrouwbaarheid was een groot voordeel; het feit dat hij cavalerie-officier was leek minder handig. De Ruyter werd geacht als vice-admiraal de totale onervarenheid van zijn chef te compenseren. In 1654 werd de vrede met Engeland gesloten, die elf jaar zou standhouden. De Ruyter bleef bij de marine en werkte samen met De Witt aan de versterking van de vloot. In de jaren zestig verslechterden de verhoudingen met Engeland zienderogen. Een directe oorlog wilden de Staten Generaal nog niet riskeren, maar in 1664 werd De Ruyter wel met een vloot op pad gestuurd om de bezittingen van de Engelse West-Indische Compagnie op de Afrikaanse westkust aan te vallen. Met behulp van ingehuurde inheemse stammen wist De Ruyter, na het aanrichten van afgrijselijke bloedbaden, enkele Engelse forten te veroveren. Daarna werd hij naar het Caribisch gebied gestuurd. Omdat inmiddels de Tweede Engelse Oorlog was uitgebroken mocht hij zonder restricties huishouden in het Engelse territorium. Na terugkomst van deze zestien maanden durende strafexpeditie werd De Ruyter benoemd tot opperbevelhebber. In deze jaren bereikte hij de top van zijn roem. In de Tweedaagse Zeeslag van 1666 wist hij de volkomen vernietiging van de Nederlandse vloot op het nippertje te voorkomen. Het jaar erop vierde hij zijn grootste triomf: tijdens de fameuze tocht naar Chatham voeren Nederlandse schepen de rivier de Medway op en vernielden een deel van de Engelse oorlogsvloot, waarbij zelfs het vlaggeschip de Royal Charles werd buitgemaakt. De Engelsen dachten dat de eerste invasie sinds 1066 een feit was. Samuel Pepys noteerde in zijn beroemde dagboek: 'Mijn God, het lijkt wel of de duivel Nederlanders schijt.’ DE RUYTER WAS nu de absolute held en hij werd overladen met eerbewijzen. Toch zijn er enkele kanttekeningen te plaatsen. Zo had De Ruyter het in de Tweedaagse Zeeslag op zeker moment helemaal niet meer zien zitten en suïcidale neigingen vertoond. En bij nader inzien was de tocht naar Chatham niet in de eerste plaats zijn triomf. Van het begin af aan had hij bedenkingen gehad tegen de idee-fixe van Johan de Witt. Het was dan ook diens broer Cornelis, die als vertegenwoordiger van de Staten Generaal meeging op de expeditie, die de uiteindelijke aanval doordramde. Bovendien was De Ruyter niet bij de voorhoede die op 22 juni 1667 de Medway opvoer. Al sinds hij in september van het voorgaande jaar een gloeiende lontpluis had doorgeslikt, kwakkelde hij met zijn gezondheid. Meermalen had hij op het randje van de dood gezweefd, en ook op die 22ste juni voelde hij zich onwel. Pas ’s(avonds kon hij poolshoogte nemen en Cornelis de Witt en de dienstdoende officieren feliciteren met hun geweldige overwinning. Dat De Ruyter de belangrijkste Nederlandse zeeheld is geweest, zonder wie in de zeventiende eeuw belangrijke zeeslagen heel anders waren afgelopen, staat buiten kijf. Eveneens is duidelijk dat hij gunstig afstak bij de bloeddorstige ijzervreter Witte de With of bij de van pretenties uit zijn voegen barstende Cornelis Tromp. Niettemin heeft de mythe rond De Ruyter in de loop der eeuwen wel erg grote proporties aangenomen. Zo wordt hij doorgaans beschouwd als uitvinder van de zogenaamde 'kiellinie’, de gevechtsformatie waarbij de zeilschepen achter elkaar voeren waardoor optimaal gebruik kon worden gemaakt van het zijwaarts geplaatste geschut. In werkelijkheid had de in 1629 gesneuvelde Piet Hein de kiellinie reeds gebruikt, terwijl Maarten Tromp deze tactiek vervolmaakte. Michiel de Ruyter was een man van de praktijk, hij was geen theoreticus en geen innovator. De enige vernieuwing die hij invoerde, was het gebruik van spiegelgevechten om het varen in formatie en gevechtsmanoeuvres te oefenen. OP 29 APRIL 1676 overlijdt Michiel de Ruyter aan zijn verwondingen die hij een week eerder heeft opgelopen tijdens de slag bij de Etna. Daarna staat niets een ongeremde heldenverering meer in de weg. Als zijn gebalsemde lijk negen maanden later in het vaderland arriveert, krijgt De Ruyter een gigantische staatsbegrafenis en wordt er in de Nieuwe Kerk een immens praalgraf opgericht. Hij leeft in de herinnering voort als de grote held, die in de rampzalige oorlog van 1672-73 het land voor de ondergang heeft behoed. Vooral in de negentiende eeuw, als de behoefte aan nationale helden groter wordt, kent de verering van 'Bestevaer’, zoals De Ruyter door zijn mannen werd genoemd, geen grenzen. Ter gelegenheid van zijn driehonderste geboortedag, in 1907, is hij de eerste niet-Oranje wiens beeltenis op een Nederlandse postzegel verschijnt. Hoewel de nazi’s tijdens de oorlog de Nederlandse zeehelden annexeren, lijdt De Ruyters reputatie daar niet onder. Pas in de jaren zestig, als anti-autoritarisme, anti-militarisme en anti-nationalisme in de mode komen, is het met de verering van De Ruyter gedaan, althans buiten mijn School met den Bijbel. Tot grote woede van de marineofficieren distantieert premier Den Uyl zich in 1976 van de herdenking van De Ruyters driehonderdste sterfdag. Ook ik loop inmiddels met een gebroken geweertje.