Martha Gellhorn

Beschrijven wat je ziet

Deze maand verschijnt de Nederlandse uitgave van de brieven van Martha Gellhorn. ‘Ik ben geen Jane Austen’, schreef ze, ‘en ook geen van de Brontë-zussen.’

Wonderlijk genoeg is misschien wel de meest onverschrokkene aller vrouwen nooit een feministisch icoon geworden, terwijl huiskamergeleerden als Simone de Beauvoir en Susan Sontag zonder twijfel aanspraak kunnen maken op deze status. Misschien kent de levensloop van schrijfster, journaliste en oorlogsverslaggeefster Martha Gellhorn (1908-1998) niet genoeg innerlijke tegenstrijdigheden om getormenteerd en toch heroïsch genoemd te kunnen worden, en dus aansprekend, óf misschien is ze nooit symbolisch fakkeldrager van de vrouwenzaak geworden omdat ze zelf een beetje een afkeer had van die zaak. Wat dat betreft is haar status enigszins vergelijkbaar met die van onze eigen publiciste Renate Rubinstein (1929-1990), die zich ook zozeer vanzelfsprekend in een mannelijk domein bewoog dat ze zich in haar graf zou omdraaien als ze postuum tot inspirerend model voor andere vrouwen uitgeroepen zou worden.

Van jongs af aan was het voor Martha Gellhorn een uitgemaakte zaak dat de héle wereld haar domein was. Wat geholpen zal hebben is het gegoede milieu waarin ze opgroeide, in Saint Louis (Missouri), met een vooraanstaand arts als vader en een feministe als moeder, die zich hard maakte voor het vrouwenkiesrecht. Op 21-jarige leeftijd wist ze zich in te schepen op een boot naar Frankrijk, vastbesloten om in Parijs een begin te maken met het verwezenlijken van haar journalistieke en literaire ambities. Haar credo was: overal op af, alles zien en erover schrijven. Het hoogste was het schrijven van fictie, journalistiek was het middel om de wereld te beschouwen.

Drie jaar later, in 1933, publiceerde ze haar eerste roman, What Mad Pursuit. Grote bekendheid kreeg ze echter pas met haar non-fictiewerk The Trouble I’ve Seen (1936), waarin ze verslag deed van de gevolgen van de Depressie in alle vier de windstreken van de Verenigde Staten. Met name in presidentsvrouwe Eleanor Roosevelt vond ze een groot bewonderaarster, wat leidde tot een levenslange vriendschap. Verbazingwekkend onvrouwelijk, roemde Graham Greene The Trouble I’ve Seen. Hij kon er niet over uit dat een vrouw zó niet-sentimenteel en glashelder kon schrijven. In de afterglow van haar succes, op vakantie met haar broer en moeder in Key West, werd ze in een café gespot door de negen jaar oudere, en getrouwde, Ernest Hemingway. ‘Een vreemde vogel’, schreef Martha aan Eleanor. ‘Erg loveable, vol passie en een geweldig verhalenverteller.’ Én gewend alles te krijgen waar hij zijn zinnen op zette. Martha, voor wie Hemingway sowieso al een literaire held van oudsher was, viel voor zijn engagement met de Spaanse republikeinen. Samen vertrokken ze naar Spanje waar de burgeroorlog woedde; Martha deed verslag voor het tijdschrift Collier’s. Na de oorlog betrokken ze een landhuis op Cuba; niet haar eerste keuze om een bestaan op te bouwen, maar omdat het voor Hemingway werkte, zorgde zij dat dat ook voor haar het geval werd. Haar volgende roman, A Stricken Field (1940), over een journaliste begaan met het Tsjechische volk, droeg ze aan hem op, zoals hij zijn beroemde Spanje-roman For Whom the Bell Tolls (ook 1940) aan haar opdroeg.

Vooral uit het fascinerende boek The Hemingway Women (1983) van Bernice Kert wordt duidelijk in wat voor een onmogelijke relatie deze twee zich hadden gemanoeuvreerd. Hemingway was dol op de ontembare Martha – zij was in zijn ogen de dapperste vrouw ooit, hij hield erg van de tennissende, paardrijdende en jagende variant – maar werd woedend als ze te lang van huis was om weer ergens in de wereld ‘de polsslag van een natie op te nemen’, zoals hij dat spottend noemde. Martha op haar beurt had grote bewondering voor de schrijver Hemingway, voor zijn werkdiscipline die op haar ook een goede uitwerking had, maar ergerde zich vanaf dag één wild aan het feit dat hij net deed alsof zij alles aan hem te danken had. De toenemende concurrentie tussen de twee sloeg na vier tumultueuze jaren om in verbittering en onmachtige haat. De roem van deze voormalige echtgenoot zou tot Martha’s ergernis altijd aan haar blijven kleven, terwijl ze nog vele minnaars, en nog een andere echtgenoot, zou verslijten.

‘Vertrouw alleen op wat je ziet.’ Het was haar stelregel die maakte dat haar berichtgeving van het front uitsteeg boven die van de gemiddelde journalist, omdat ze ook daadwerkelijk zorgde dat ze met haar neus vooraan stond om alles te kunnen zien. Hitlers invasies hield ze aanvankelijk bij op landkaarten aan de muur, om al snel vermomd als verpleegster op een duikboot te springen. Haar rapportages over de oorlog in Vietnam waren beroemd. Zoals Hemingway, nog in zijn trotse periode, over haar specifieke talent zei: ‘Zij komt waar niemand komt. Haar stukken gaan over mensen. De dingen die haar gebeuren, gebeuren met echte mensen, en je ondergaat ze alsof je er zelf bij bent.’

Tegelijkertijd toont haar stelregel ook haar beperktheid. Martha Gellhorn was geen ideoloog, geen filosoof, geen essayist, maar een botte, zo je wilt politiek naïeve verslaggever, waardoor een deel van haar werk nu eerder curieus dan interessant is. Fictie schrijven bleef haar hele leven haar grootste verlangen – ze zou na 1940 nog zo’n vier romans schrijven, die redelijk ontvangen werden maar waarmee ze toch niet de eeuwigheid in ging – terwijl ze hierover ook het meest onzeker was. Achteraf gezien is het opmerkelijk om te lezen hoe onverdroten, want ingegeven door authentieke zorg en woede, ze afreisde naar de brandhaarden in de wereld, en zichzelf tegelijkertijd vervloekte om haar gebrek aan verbeeldingskracht. ‘Ik ben geen Jane Austen’, schreef ze met onmiskenbare spijt aan Heminway, ‘en ook geen van de Brontë-zussen.’

Bij nader inzien dus toch nog een lichtelijk getormenteerd leven, over de feiten waarvan ze in 1990 in een juridisch conflict terechtkwam met ene Carl Rollyson, die zich opwierp als haar biograaf. Gealarmeerd door zijn verregaande nieuwsgierigheid verbrandde ze alvast maar alle brieven van Hemingway aan haar. Drie jaar na haar dood zag Rollyson alsnog zijn kans schoon. In de inleiding bij zijn biografie, Beautiful Exile: The Life of Martha Gellhorn (2001), schrijft hij dat zij het front bezocht met gestifte lippen en op hoge hakken, dat ze met generaals sliep om aan goede verhalen te komen, en one night stands had met gewone soldaten die de volgende dag misschien toch het leven lieten. Vrienden van Gellhorn ontstaken na publicatie van deze biografie in oprechte woede. Inmiddels weten we dankzij de publicatie van Martha’s brieven eens en te meer dat een leven zich niet zomaar laat vangen, al dacht ze daar zelf tijdens haar werk misschien anders over.