Toneel

Beschuit met smoesjes

Toneel: Joop van den Ende & de Toneelmeesters (1)

De aankondiging dat theaterproducent Joop van den Ende in 2007 een divisie klassiek theater opzet («Toneelmeesters») en ruimte vrijmaakt voor jonge speeltalenten («Cum Laude») werd de afgelopen week gebracht als Groot Nieuws. Dat was het niet. Toen Van den Ende vijf jaar geleden een oeuvretentoonstelling kreeg in het Theaterinstituut werd hem in het NOS-Journaal de vraag gesteld of er nog leven was na de treurbuis en de musical. «Klassiek toneel», antwoordde hij. Hij had net de rechten gekocht van Equus, een tekst van Peter Shaffer. Dat jokte Joop (die rechten lagen toen al bij Dirk Tanghe van de Paardenkathedraal) maar de mededeling was duidelijk: Van den Ende wil een serieuze speler worden in het Nederlandse toneellandschap, mét toneelklassiekers. Sindsdien nam hij één kwartaal per jaar de zaal van de Theatercompagnie over. Zijn stuk-keuze daar was niet gelukkig. Met lede ogen zag hij onlangs de rechten van weer een toneelklassieker (Amadeus, ook van Peter Shaffer) weggekaapt door de vrije producent Hummelinck/Stuurman. Wel veroverde hij onlangs een theaterlocatie aan de Amsterdamse Marnixstraat, tegenover de Stadsschouwburg (het huidige Nieuwe de la Mar en de bioscopen ernaast). En daar kan hij straks niet eindeloos met Arsenicum & oude kant, De tante van Charlie of De twee weezen komen aanzetten. De Grote Sterren uit zijn stallen zijn ofwel dood (Mary Dresselhuys) of nagenoeg aan het eind van hun loopbaan (John Kraaykamp senior). Tijd voor een ingreep. Acteur/regisseur Hans Croiset (1935) werd onlangs door de Firma Van den Ende aangetrokken als Toneelmeester voor het strengere werk en voor de jonge talenten. Tot zo ver de feiten.

Van den Ende is machtig (want rijk), hij is slim (die toneelzaal aan de Marnixstraat verwierf hij door het Stedelijk Museum te redden – een klassieke package deal met wethouder Belliot) én ambitieus (hij wil als toneelproducent ernstig genomen worden). Een experimenteel avonturier in het toneel zal hij nooit worden. Het mag een paar centen kosten, maar het moet op den duur wel geld opleveren, door middel van de toestroom van een breed publiek. Als Van den Ende in het toneel wilde avonturieren, dan was-ie wel gaan onderhandelen met Dirk Tanghe en Koos Terpstra. Ik wed dat hij hun werk niet eens kent. Hans Croiset (komend najaar 71) was zijn eerste keuze. Dat is – met alle respect – een veilige keuze. De eerste toneelmeester van Croiset is trouwens wel gewaagd: Brechts Moeder Courage en haar kinderen, met Anne-Wil Blankers in de titelrol. Ger Thijs (ex-kompaan van Croiset bij het Nationale Toneel in Den Haag) maakt een nieuwe bewerking van Heyermans’ Beschuit met muisjes.

De commentaren vanuit de gesubsidieerde toneelsector op de move van Van den Ende leverden vooral «beschuit-met-smoesjes» op. Van den Ende kan bussen bezoekers laten aanrukken, hij maakt via zijn tv-contacten mooie publiciteit, daar zijn wij vanuit de gesubsidieerde sector erg jaloers op. Ik citeer de ruis van de woordvoerder bij het Nationale Toneel. Tja! In de residentie en omstreken heeft het toneel klaarblijkelijk een poos zitten slapen. Terwijl Van den Ende vanuit de flanken het toneel begon te ver(her)overen, bleef men in Den Haag «voor-elck-wat-wils-toneel» produceren. Met als gewaagde krenten in de pap de voorstellingen van artistiek leider Johan Doesburg. Voor dat moedige theater is het fenomeen «subsidie» overigens uitgevonden. Niet voor flauwe aftreksels van de «vrije sector». En: die vrije sector is de afgelopen tijd steeds moediger, slimmer en vooral brutaler geworden. Zie het werk van Impresariaat Hummelinck/Stuurman, dat op de vrije markt de sandwichformule hanteert waar het gevestigde toneel in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw een legendarische reputatie aan ontleende: risicovolle producties financieren door middel van kaskrakers voor een breed publiek. Val Van den Ende vanuit het gesubsidieerde toneel dus niet lastig met ranzige smoesjes. Toon smoel, avontuur, brutaliteit. Van den Ende gaat toch wel door. Voorspelling: in 2009 wordt Willem Nijholt 75 jaar en (met een jaartje smokkelen) is hij dan vijftig jaar in het vak. Wedden dat Joop van den Ende in zijn nieuwe Amsterdamse theater een langlopende serie plant van Shakespeares King Lear? Willem Nijholt in de titelrol. Aan de Marnixstraat hebben we dan definitief ons eigen Londense West-End. Van Hove, Zandwijk, Doesburg – zorg dat jullie vanuit onze nationaal gesubsidieerde theaters daar iets substantieels tegenover zetten! Wellicht wordt de Randstad dan eindelijk een toneelstad van Europese allure.