Besef

Op televisie zegt de presentatrice van het (commerciële) journaal: ‘Bij een ongeluk zijn twee gewonden gevallen’, met de klemtoon op het laatste woord. In een talkshow praat een man over de dood van zijn zoon: ‘Na zo'n overlijden ervaar je, naast een zekere depressiviteit, toch een stukje verantwoordelijkheid naar de nabestaanden toe.’ Hij zegt niet: ‘Mijn zoon is dood. Ik ga kapot van verdriet. Mijn vrouw ook.’ Nee, hij zegt: ‘Na zo'n overlijden ervaar je, naast een zekere depressiviteit, toch ook een stukje verantwoordelijkheid naar de nabestaanden toe.’

Gewone mensen proberen te praten als politici. Of als voetbaltrainers. Op de radio worden buurtbewoners geïnterviewd. Ze gebruiken woorden die ze eigenlijk niet kennen. Ze hebben het over hun goede voornemens. Ze zeggen: ‘Mijn doelstelling voor het komende jaar is mijn rookoverschot terug te brengen.’ Ze zeggen: 'Mijn verwachtingspatroon voor 1999 is zeker niet pessimistisch.’ Mensen weten niet meer wat ze moeten zeggen. En dus zeggen ze maar wat Belangrijke Mensen zeggen. We nemen de groenteman op de markt niet kwalijk dat hij bij de sperziebonen een bordje 'Harrie Goverts’ heeft staan, of de lekkerste aller groentes met 'antiechjocue’ aanprijst. Of zijn appels met 'Godden Liesjes’. We nemen het topsporters niet kwalijk dat ze voortdurend 'verzuren’. We vinden het niet erg dat de handbalbondscoach, 'als handbalploeg zijnde’ de beleving vooropstelt. (Het Nederlands verslonst, meneer Van Boxtel. Het raakt uitgehold. Wie leest er nog wel eens een zin als: 'We bouwen in de tuin een treurige schuur, van betonnen planken.’ Taal is een dimensie aan het verliezen: de dimensie van het overbodige-maar-schone. De taal, onze taal wordt stilaan alleen nog maar functioneel: reclametaal. Het Nederlands heeft steeds meer alleen nog de bedoeling om mensen ergens van te overtuigen. Mensen een rad voor ogen te draaien.) Het wordt schrijnend wanneer (voorheen) gerespecteerde opinie- en andere bladen slordig en lui beginnen te worden. Iedereen maakt de volgende fout. Iedereen zegt en schrijft: 'Ik besefte me…’ en: 'Ik bedacht me dat…’ Beseffen en bedenken worden tegenwoordig steevast wederkerend gemaakt. Typisch een verschijnsel van deze tijd, de tijd waarin het ego groter en groter wordt. Het is dan ook niet puur slordigheid, dat 'me’ achter werkwoorden die geen 'me’ verdragen. Het benadrukt ons egocentrisme. We willen zo veel mogelijk naar onszelf verwijzen: Ik kauw het Nederlands plat, ik geeuw het aan flarden, dus ik besta. Het Grote Verhaal, dat zijn wij zelf. Alleen we vertellen het zo lelijk.