Besmettingsgevaar

Tien jaar geleden verdwenen de scheidslijnen tussen Oost en West. De vreugde duurde kort. Oost- en Midden-Europa raakten in de greep van malaise, criminaliteit en etnisch geweld. Het Westen zij op zijn hoede.

OOK AL LIJKT het een eeuwigheid, toch is het nog maar tien jaar geleden dat in Europa de muren vielen. Niet alleen die ene, maar alle muren tussen Oost en West, zo leek het. De beelden uit Berlijn en Praag waren uitzinnig, die uit Boekarest hallucinant. Dictators en standbeelden tuimelden van hun voetstuk. Alom werden de geopolitieke loopgraven verlaten, de ideologische prikkeldraadversperringen opgeblazen. Wetenschappers, gelovigen, handelaren, gezinsleden, intellectuelen en kunstenaars die tientallen jaren of zelfs levenslang gescheiden hadden geleefd, vielen elkaar in de armen. De sfeer was euforisch omdat de grote opruiming bijna overal geweldloos verliep. De regering-Honecker smolt als sneeuw voor de zon. Tsjechoslowakije koos in de persoon van Vaclav Havel een schrijver als president, Hongarije kreeg een regering van heerlijk saaie christen-democraten.
En de dooi zette door, tot in het hart van de Sovjet-Unie. De Golfoorlog van 1990-91 gaf, naast veel ellende, voor het eerst in lange tijd een broederlijk optreden van Russen en Amerikanen te zien. Ze maakten zelfs een begin met de ontmanteling van hun kernwapenarsenalen. Helaas was de vreugde van korte duur. Wat volgde was een periode van gevaarlijke instabiliteit in Moskou, een explosie van etnisch geweld in diverse voormalige Oostbloklanden en een economische neergang in de hele regio die zijn dieptepunt nog niet heeft bereikt. Onder die omstandigheden bleek het uiterst moeilijk om de Oost-Europese geesten te winnen voor de democratie, terwijl het beloofde ‘vredesdividend’ voor de westerse belastingbetaler uitbleef. Het laatste sprankje optimisme werd gesmoord in het menselijke slachthuis dat Joegoslavië heette.
Als je niet wist wat eraan voorafging, zou je de val van de muur een catastrofe noemen. De meeste regeringen in Oost- en Midden-Europa zijn er niet in geslaagd een samenleving op te bouwen die zijn burgers beschermt tegen willekeur, corruptie, misdaad en politiek geweld. In de helft van de betrokken landen is de staatkundige desintegratie in volle gang. Tegenover de min of meer geslaagde hereniging van DDR en Bondsrepubliek staat het uiteenvallen van de Sovjet-Unie, Joegoslavië en Tsjechoslowakije, in het laatste geval gelukkig zonder geweld. In twintig van de zevenentwintig gewezen communistische staten woeden etnische conflicten. Eenderde van deze landen zijn failed states, mislukte staten, een aanduiding die door de wetenschappers Ratner en Helman is bedacht voor landen die op het punt staan politiek of etnisch uiteen te vallen.
Een aanzienlijk deel van de communistische elite is blijven zitten, zij het onder andere politieke vlag. De afvallers bekeerden zich moeiteloos tot het opkomende roofkapitalisme of de behartiging van de nationale zaak met behulp van rozenkrans en kalasjnikov. In veel gebieden beheerst de criminaliteit het openbare leven, vooral dankzij de schier onbelemmerde drugshandel, zo blijkt uit de astronomisch gestegen misdaadcijfers. In sommige gevallen is het niet de vraag óf, maar in hoeverre de staatsmacht al in handen is van de georganiseerde misdaad. De wijze waarop Boris Jeltsin zich de laatste jaren heeft laten inpakken door een kongsie van corrupte zakenlieden lijkt erg veel op zo'n machtsovername. Het contrast tussen hun rijkdom en het lot van de tientallen miljoenen sloebers en schrapers die de Russische straten bevolken, is symbolisch voor de sociale ramp die zich intussen voltrekt.
TIEN JAAR GELEDEN moesten veertien miljoen Oost-Europeanen dagelijks rondkomen van vier dollar of minder. Nu zijn dat er 147 miljoen en hun aantal groeit. De Oost-Europa-experts van het United Nations Development Programme (UNDP) weten er alles van. Ze hebben de afgelopen tien jaar zevenentwintig Oostbloklanden, van Letland tot Tadjikistan, bij de 'overgang’ begeleid en ze zijn er niet vrolijk van geworden, zo bleek twee weken geleden op hun bijeenkomst in Den Haag. In hun gezamenlijke rapport, getiteld Human Development Report for Central and Eastern Europe and the CIS, wordt de balans opgemaakt. Het overgangsproces naar een democratische markteconomie verkeert in crisis. Het blinde vertrouwen in de markt, dat de Oost-Europese regeringen na 1989 werd opgedrongen door het IMF, de Wereldbank, de Europese Ontwikkelingsbank en diverse westerse regeringen, bleek niet gerechtvaardigd. Dit neoliberale uitgangspunt was de grootste startfout van het millennium, schrijft regio-directeur Anton Kruiderink in zijn voorwoord: 'Nieuwe naties met instellingen die in technologisch opzicht sterk, maar in democratisch opzicht zwak ontwikkeld waren, kregen het bevel om de almachtige staat af te breken zonder dat er iets voor in de plaats kwam.’
Tsjechië en de Baltische staten doen het relatief goed, aldus het rapport, maar 'de vooruitgang in die paar landen is des te schrijnender vergeleken bij het leed in de overige’. Het sterftecijfer is dramatisch gestegen, met name in de Russische Federatie en daar weer vooral onder jonge en middelbare mannen. 'Enige miljoenen mensen hebben de jaren negentig niet overleefd’, stelt het rapport laconiek: 'De overgang naar de markteconomie betekende voor hen letterlijk de dood.’ Als eerste oorzaak voor de hoge sterfte noemen de auteurs de (terugkeer van) volksziekten zoals tuberculose en geslachtsziekten. Een tweede oorzaak is de armoede. In Armenië en de Oekraïne leeft de helft van de gezinnen onder de armoedegrens, in Georgië tweederde. Van alle voormalige communistische (deel)staten slaagt alleen Slovenië erin eenzelfde nationaal inkomen te verdienen als vóór 1989.
Al met al tonen de UNDP-statistieken een desolaat beeld. Alom heeft de massawerkloosheid toegeslagen. Het onderwijsniveau en de onderwijsdeelname dalen gestaag, vrouwen worden van de arbeidsmarkt en uit het openbare leven verdrongen en met de veiligheid, de gezondheidszorg en de kwaliteit van de voeding wordt het almaar beroerder. Veel van deze verschijnselen, stelt het rapport, zijn een regelrecht gevolg van 'overheidsdesertie’. De afschaffing of privatisering van sociale en gemeenschapsvoorzieningen heeft ontwrichtend gewerkt, niet alleen op het economische, maar ook op het morele vlak. Symptomatisch zijn de zelfmoordcijfers. Het aantal zelfmoorden is in de Baltische staten praktisch verdubbeld, in Rusland is het met de helft en in Polen met eenderde gestegen. De aanleiding voor zelfmoord is vaak het verlies van werk, inkomen, uitkering of een huwelijkspartner, de oorzaak is het verlies van de hoop op een menswaardig bestaan.
DE RAPPORTAGE van het UNDP wettigt de vraag in hoeverre de Oost-Europese problemen eigenlijk overgangsproblemen zijn. We hebben sinds 1989 de gewoonte om conflicten en mislukkingen in Oost-Europa in verband te brengen met de communistische voorgeschiedenis. Met voldoende tijd, goede wil en westerse investeringen komen ze er wel, zo is ons door politici en experts voorgehouden. Maar zijn de genoemde verschijnselen wel specifiek voor de overgang van Oost-Europees communisme naar de westerse welvaartsstaat? Er is zo langzamerhand een omvangrijke literatuur over de funeste gevolgen van het economisch neoliberalisme dat sinds de jaren tachtig in diezelfde westerse welvaartsstaten gemeengoed is geworden en van daaruit aan de rest van de wereld is opgelegd. En het zijn allang niet meer alleen linkse theoretici die zich hierover kritisch uitlaten. Juist internationaal erkende instellingen nemen de laatste tijd het voortouw.
Het jaarlijkse Human Development Report van het UNDP behoort tot die literatuur. De jongste editie, die de afgelopen zomer verscheen, velt een vernietigend oordeel over de zogenaamde 'markthervormingen’ die wereldwijd plaatsvinden onder het motto van de globalisering. Het recept voor onderontwikkelde landen - streven naar 'integratie in de wereldeconomie’ - blijkt averechts te werken: de armste onder de arme landen (doorgaans in Midden-Afrika gelegen) zijn tevens het meest 'geïntegreerd’ in de wereldeconomie, althans gemeten naar hun handelsbalans. Maar ook de rapportages van Unicef, de internationale vakbondsorganisatie ILO of het mondiale Fundamentalisme Project van de Amerikaanse theoloog Marty ondersteunen deze kritiek. Uit al die teksten verrijst een beeld van sociale en politieke desintegratie, opgeroepen of gevoed door de mondiale saneringswoede van de jaren tachtig en negentig. Om geestelijk of lichamelijk te overleven zoeken mensen hun toevlucht in een exclusieve en dwingende groepsidentiteit, hetgeen de opkomst van etnische en religieuze bewegingen zou verklaren.
Zelfs het IMF geeft mondjesmaat toe dat zijn saneringsbeleid in de derde wereld ('structurele aanpassing’ geheten) ravages heeft aangericht. Directe aanleiding voor deze institutionele boetedoening is de déconfiture van de Albanese piramidefondsen, een schandaal waarin het IMF, naar achteraf bleek, een belangrijk aandeel had. Ook in menig westers land begint men te ontdekken dat de democratie en sociale samenhang niet zijn gediend met een onvoorwaardelijke terugtrekking van de overheid en een ongeremde groei van het welvaartsverschil. Spreekt het niet vanzelf dat een neoliberale afbraakpolitiek die van België tot Somalië de burgersamenleving heeft doen verbrokkelen, de opbouw van zo'n samenleving in Oost-Europa in de weg staat? Met de woorden van Kruiderink: 'Als de democratie wordt gelijkgesteld aan armoede, moeten we in de toekomst met nog veel meer instabiele landen rekenen.’
ZO BESCHOUWD is de misère van Oost-Europa geen blijk van achterstand. Zij is - bij ongewijzigd beleid - ons aller voorland. Dat inzicht is echter moeilijk te aanvaarden zolang we vasthouden aan een andere slechte gewoonte: het verbinden van etnisch en religieus geweld met economische malaise. Een populaire theorie zegt dat de economische achteruitgang in Oost- en Midden-Europa als katalysator voor etnische conflicten werkt. De groeiende armoede zou mensen in de armen van demagogen drijven. De implicatie van die verklaring voor de welvarende westerse landen is geruststellend; als het omgekeerde ook opgaat, zal iets dergelijks ons niet gauw overkomen. Deze van oorsprong marxistische verklaring (dezelfde waarmee 'links’ al een halve eeuw het succes van Mussolini en Hitler probeert te verklaren) gaat echter mank.
De Nederlandse onderzoeker Koos Postma nam enkele jaren geleden een voorschot op de werkelijke discussie. Hij onderzocht het verschil in vreemdelingenhaat in het Hongarije van vóór en na 1989. Zijn opmerkelijke conclusie luidde dat de afkeer van joden en zigeuners, de traditionele zondebokken van de Hongaren, na de economische neergang rond 1990 niet was gestegen, zoals de gangbare theorie zou doen verwachten, maar gedaald (Changing Prejudice in Hungary, 1996). Het tegenovergestelde is ook waar: een uurtje bladeren in Keesings Archief volstaat om te beseffen dat etnisch nationalisme zich ook manifesteert in gebieden met een hoge en gedurig stijgende welvaart zoals Catalonië, Vlaanderen, Oostenrijk of Quebec.
Etnisch-nationalisme en religieus fundamentalisme zijn bij nader inzien moderne verschijnselen die lang niet altijd samengaan met een negatieve welvaartsontwikkeling. Niet zelden raken de twee fanatismen vermengd. Daarvan zijn voorbeelden te over onder zowel 'jonge’ als 'oude’ staten, ongeacht of ze arm of rijk zijn. In Polen, India, Israel, de VS of Kroatië bestaan machtige groeperingen die één godsdienst, met uitsluiting van alle andere overtuigingen, als de ziel van de natie beschouwen. Misschien is het etnisch-nationalisme in het voormalige Oostblok ook al niet zo specifiek en historisch bepaald als we graag denken, maar de voorbode van een mondiale meltdown in de sociale betrekkingen. Hans Magnus Enzensberger voorspelde al iets dergelijks in zijn Aussichten auf den Bürgerkrieg (1993), al was zijn bewijsvoering zuiver intuïtief. Hij waarschuwde voor een aanstaande 'atomaire burgeroorlog’ en beschreef het verschijnsel als een besmettelijke ziekte die zich dankzij de tv voortplantte van Sarajevo naar Berlijn en New York.
Hoe dan ook: om dit verschijnsel beter te begrijpen zijn nieuwe analyses hard nodig. De historicus en tv-maker Michael Ignatieff, die voor de BBC langs etnische brandhaarden in de hele wereld reisde, heeft hiertoe een poging gedaan. Hij werd getroffen door de overeenkomst in ideologie en retoriek van al die bewegingen en groeperingen. Zelfs als ze elkaar bestrijden, lijken ze verdacht veel op elkaar. In 1993 zat Ignatieff in het dorp Markovci, op de grens van Servië en Kroatië, in een loopgraaf met enige Servische strijders die op hun voormalige buren aan de overkant van de straat schoten. Dit is een dorpsoorlog, besefte Ignatieff: de Serviërs die hier op wacht staan, hebben op school gezeten met de Kroaten in de bunker vlakbij. Hun strijd is niet te verklaren door 'oeroude tegenstellingen’ of door de economische achteruitgang van Joegoslavië. Deze dorpsbewoners zijn honderden jaren gewend geweest om lief en leed te delen. Ze haten elkaar niet, ze zijn alleen maar bang voor elkaar.
'HET IS GEMAKKELIJK zich etnische strijd voor te stellen als een uitbarsting van onverbeterlijk tribalisme dat in iedereen schuilt’, schrijft Ignatieff in Etnische conflicten en het moderne geweten (1999): 'Toch is er in onze natuur niets dat etnische of raciale conflicten onontkoombaar maakt.’ Volgens Ignatieff zijn zulke conflicten ingegeven door vrees, die weer het gevolg is van het ontbreken van politieke instellingen waaraan de mensen hun bestaanszekerheid en een burgerlijke identiteit kunnen ontlenen. Alleen wanneer die burgerlijke identiteit ontbreekt, zoeken ze hun toevlucht in etnische loyaliteit. Ignatieff bevestigt uit eigen waarneming wat de politicoloog Fred Riggs al in 1994 veronderstelde: in de naaste toekomst zullen steeds meer zwakke staten uiteenvallen, niet omdat ze te zwak zijn om sterke middelpuntvliedende krachten te weerstaan, maar omdat hun zwakte zulke krachten vanzelf oproept.
'Let op de oorzakelijke volgorde’, vat Ignatieff samen: 'Eerst de ineenstorting van de overkoepelende staat, dan de vrees van Hobbes, en pas dan de nationalistische paranoia, gevolgd door oorlog. Zolang mensen in een stabiel land leven, zelfs al is het arm, hebben ze er geen behoefte aan de bescherming van de groep te zoeken. Het is de desintegratie van staten en de daaruit voortvloeiende angst die leidt tot etnische opdeling en oorlog.’ De UNDP-experts komen langs andere weg tot een vergelijkbare uitspraak. Ze bepleiten eerherstel voor de 'activistische staat’ die het gemeenschappelijk belang behartigt en een evenwichtige verdeling van de welvaart garandeert. Zolang dergelijke staten in Oost-Europa ontbreken, 'hebben nationalisme, fanatisme en terreur vrij spel’. Misschien kunnen onze eigen politici die les alvast ter harte nemen. In plaats van te klagen over doorgeschoten individualisering, zinloos geweld, vreemdelingenhaat en andere verschijnselen van sociale desintegratie, kunnen ze beter de uitverkoop van de BV Nederland opschorten. Tien jaar aanschouwelijk onderricht door de Oost-Europeanen geeft toch te denken.