Bespogen stad

Deze reportage kwam mede tot stand dank zij het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten.
De kachels werden opgestookt met boeken. Toch stierf de literatuur niet. Het verhaal van de kunst in de zwarte winters van Sarajevo.

SARAJEVO - Mirza hurkt tussen de distels aan de voet van een geknakte lantaarnpaal. ‘Kijk, deze gebruikten we voor de salade’, zegt hij. Aan beide kanten van de weg ligt een glooiend terrein. Vroeger stonden hier bomen. Die zijn opgestookt. Nu liggen er lange rijen grafheuvels, met kleine kruisen. De naam, het jaar van geboorte en dood: 1992 of 1993. Soms in cyrillische letters, soms met een half maantje. Het kerkhof strekt zich uit voorbij de muren van het ziekenhuiscomplex. Tijdens de belegering waren de ziekenhuizen al vroeg het doelwit. De granaten zijn met grote precisie op iedere verdieping ingeslagen.
Mirza Halilovic is een jonge acteur die twee winters lang heeft gedroomd van melk en tomaten. In die tijd legde hij meer dan duizend kilometer te voet af, rennend en wegduikend, tussen zijn huis en het kantoor van het International Theatre and Film Festival Sarajevo. Nu stopt de tram er weer voor de deur. De mensen verplaatsen zich weer. En toch is de terugkeer van voertuigen uit de tijd dat bewegen nog gedachteloos ging, onwezenlijk.
Er zijn op dit moment twee of drie toegangswegen naar Sarajevo. Ze zijn allerminst veilig. De belangrijkste poort blijft het vliegveld dat geen vliegveld is. Een barak, zandzakken, kapotgeschoten gebouwen en de onregelmatig binnenkomende vliegtuigen van de Verenigde Naties, door de blauwhelmen Maybe Airlines genoemd. Tussen de landingsbaan en de modderpoelen waar wat journalisten en hulpverleners op een lift staan te wachten, ligt misschien dertig meter. Die stoffige passage tussen de zandzakken is een sluis in de tijd.
Op weg naar het centrum rijdt het busje door Dobrinja. Brede straten waar het afval rondwaait, schichtige kinderen, zwartgeblakerde balkons vol wapperende was. Uit de flatgebouwen zijn alle ruiten weggeblazen, de muren houden elkaar uit een bijna opgegeven logica staande. Magere mensen kruipen rond in hun groentetuintjes of dwalen traag over het gescheurde asfalt. Een enkele auto raast voorbij alsof het mortiervuur ieder moment weer kan losbarsten.
De frontlijn ligt een paar honderd meter verderop. De afstand tot de rest van Europa is niet in kilometers uit te drukken. Deze woestenij kan ik me niet anders voorstellen dan ver weg, van achter het autoraam, een voortsnellend landschap.
'WIJ VERKEERDEN IN dezelfde omstandigheden als mensen een miljoen jaar geleden. In de vooruitgang geloof ik niet meer. We leefden onder de hemel en zagen de sterren, want in de stad was nergens licht. De mensen hielden zich bezig met de meest elementaire vragen. Ik zorgde met liefde voor mijn familie, bracht ze water en voedsel. Ik was zevenhonderd dagen op straat, schreef artikelen voor de krant, verdiende geld - om sigaretten te kopen en voedsel voor mijn kind.’ Semezdin Mehmedinovic is een schrijver van mijn leeftijd, met diepe groeven in het gezicht. 'Toen de oorlog uitbrak was mijn zoontje tien. De volwassen wereld werd voor zijn ogen verwoest. Hij zag de beschietingen op tv, volwassen mannen op hun knieen, vrienden van ons. Ik was woest en verscheurde op een dag een van zijn kinderboeken: versjes en prenten van Radovan Karadzic. Mijn zoon raapte de snippers bij elkaar. Het was zijn boek. Hij wilde de grote-mensenwereld zoals hij die kende bij elkaar houden.’
Mirza helpt me rozen te kopen op de markt, een paar meter van de plaats waar in januari het bloedbad plaatsvond. De verkoper is een veteraan die nog iedere nacht zijn plaats inneemt aan het front, ergens in de heuvels boven de stad. Mirza is rustiger dan de meeste andere jongens hier, minder broeierig. Geestig, maar ook oprecht verdrietig en bitter over wat hij heeft meegemaakt. 'Ik ben somber over de toekomst. De aanblik van jerrycans en granaatinslagen maakt me ziek. De mensen zijn niet meer in staat om verder te kijken dan de volgende dag. Ze zijn het vermogen kwijt om na te denken over zoiets als de toekomst of de samenleving. Ze kennen geen empathie meer, zijn niet meer in staat zich voor de gevoelens van anderen open te stellen.’
Ik loop met hem door de stad. Hij doet niet al te hoopvolle, maar wel aanhoudende pogingen om mij duidelijk te maken hoe alles eruitzag voor de oorlog. Niet om hulp of medeleven los te maken, maar om me te laten zien hoe het was. Toch zal de stad zich wel weer oprichten, denkt hij. 'De gebouwen zijn op den duur te repareren. Onherstelbaar zijn de mensen.’ De meelwitte vrouwtjes, wiegend op een afgekalfd trappetje; de breedgeschouderde jongemannen die gewapend over straat banjeren; de griezelige, dierlijke jongetjes in de portieken, die te veel gezien hebben.
WIE DENKT ER in zo'n omgeving nog aan literatuur? Toch ga ik haast vanzelf op zoek naar de verhalen en gedichten die uit de donkere winters tevoorschijn zijn gekomen. Schrijven is een overlevingsstrategie. Schrijven veronderstelt een later, ook als de schrijver zelf de hoop heeft opgegeven die dag te bereiken, en dus ook iemand die kan lezen, iemand voor wie de woorden op papier getuigen van wat er is aangericht.
Er is in Sarajevo een kleine, makkelijk op te sporen elite van schrijvers, filmers, theatermakers en journalisten die is blijven doorwerken. Ze ontsnappen aan de ontreddering door vooruit te vluchten. Gedreven door afkeer van de Cetniks in de heuvels, maar ook van de huidige regering, die totalitaire trekken begint te vertonen, en van het gehele Westen, waardoor ze zich persoonlijk in de steek gelaten voelen. Ze zijn uitgeput, maar ze willen Europa laten zien dat hier de toekomst begint. Ze leven in een andere tijd dan de onze. Tvrtko Kulenovic parafraseert de relativiteitstheorie van Einstein: 'Ieder systeem in beweging kent zijn eigen tijdsberekening. Zijn eigen jaartelling. Zo ook Sarajevo.’
Tvrtko Kulenovic is hoogleraar in de literatuurwetenschap en voorzitter van de Bosnische Pen. Zijn oude collega, Nikola Koljevic, ontpopte zich als een van de theoretici van het nieuwe fascisme. Zijn vrouw stierf tijdens de belegering aan kanker. Zijn broer moet gemutileerd door het leven. Tijdens de beschietingen heeft hij een roman geschreven, Een geschiedenis van de ziekte. Op mijn vraag of het niet alleen al fysiek onmogelijk was, vanwege de kou, om aan zijn bureau te zitten, veert hij lachend op: 'Maar we hadden verwarming! We hadden onze boeken om in het vuur te gooien! Net als de nazi’s, en net als zij pasten ook wij een zekere selectie toe. Het eerste boek dat ik verbrandde was De ondergang van het avondland van Oswald Spengler. Lezen kon ik toch niet meer. De bladzijden beefden in mijn handen. De spanning waaronder we leefden riep op tot activiteit. Lezen was een vorm van ontspanning die ik niet meer opbracht. Voor schrijven had ik een hogere concentratie nodig, en die kon ik paradoxaal genoeg nog wel opbrengen. Het werd een noodzakelijke activiteit om me uit te drukken, net als water en hout halen. ’s Nachts stond ik vaak op, liep naar het bureau, noteerde frasen en invallen, en werkte die dan overdag weer uit.’
Nermina Kurspahic zit glimlachend naast hem. Aan huis gekluisterd door de beschietingen en door MS, de ziekte waarover ze een boek schreef met de mooie titel Hiatus, produceerde ze stukken voor de krant en redigeerde ze een literair blad, Odijek, waarvan tijdens de oorlog drie nummers verschenen. Vorige zomer voltooide ze een roman, die nu moet verschijnen in Kroatie, Turkije en Italie. 'Ik kon geen geweer opnemen, anders had ik het gedaan. Nu was dit mijn wapen. Ik schreef volstrekt instinctief. Een roman, het is niet meer dan een interpretatie achteraf. De eerste impuls was spontaan. Ook het construeren van een roman hoort blijkbaar tot het menselijk instinct. De natuur zorgt ervoor dat je in tijden van crisis een ding gaat maken, een constructie. Ik probeerde de opening te vinden naar een wereld naast de wereld die me omringde - maar de werkelijkheid in mijn roman bleek zo mogelijk nog zwarter dan de dagelijkse. Het einde van de roman is somber. Ik zag geen toekomst. De hoofdpersoon sterft in een ziekenhuis in Sarajevo. Kort daarvoor is haar vriendin aangereden door een busje van Unprofor. De chauffeur en de soldaten laten haar op straat liggen om te sterven, lachend en grappen makend over de hoertjes met wie ze de nacht hebben doorgebracht, meisjes van tien, elf uit Sarajevo.’
Bij ons vertrek zwaait Kurspahic ons na vanaf het balkon, tegen de verkoolde wand van het appartementengebouw. Om de hoek ligt het militair hospitaal, een zwartgeschroeide rechthoek waarvan alleen nog het stalen geraamte in de lucht priemt.
Theatermaker Haris Pasovic is een popcornmachine van ideeen. Hij is niet te fixeren; geen enkele uitspraak over de stad staat hij toe zonder ook het tegendeel te opperen. Hij heeft misschien meer dan wie ook gezorgd dat de ironische, onzuivere, open, koppige, eclectische geest van Sarajevo zichtbaar is gebleven. Levend in zijn tegenstellingen, niet als een martelaar opgebaard. Hij maakte Sarajevo, de openingsvoorstelling van Antwerpen Culturele Hoofdstad, hij organiseerde een filmfestival in deze stad zonder elektriciteit, hij begeleidde Susan Sontags regie van Godot, hij haalde architecten uit Europa en Amerika voor een conferentie genaamd Dystopia, hij bedacht het web van theaterverhalen Scheherezade 2001, en hij wil dit najaar op tournee met zijn jonge theatergezelschap, Mirza en de charismatische kaalkop Velibor Topic voorop.
Pasovic lacht me uit omdat ik op zoek ben naar het verhaal van de kunst in die twee zwarte winters. 'Of de kunst een getuige was? Daar dachten we helemaal niet over na. Wij hoefden niet te getuigen. Het kon ons niet schelen of de wereld het wist. Kunst was een luxe. Wat veel belangrijker was: je haren wassen. Een bad nemen in die winter was een veel en veel diepere ervaring dan welke vorm van kunst ook.’
Zonder veel commentaar loodst hij me door de oude benedenstad, Bascarsija. Een enkele intacte minaret, kerken van de vier godsdiensten, een voetgangersgebied van steegjes en pleintjes. De kopersmeden zijn achter hun houten luiken vandaan gekomen om hun theeservies te etaleren, uit de kleine koffiehuizen klinkt muziek. Waarom hebben we dit zo weinig op televisie gezien, in de tijd dat je de grauwe beelden van Holiday Inn en Sniper’s Alley kon dromen?
Misschien, zegt Haris, omdat de media nog banger zijn voor de moslims dan voor de Cetniks. Er is een aarzeling om Sarajevo tot Europa te rekenen, tot het domein van ons verantwoordelijkheidsgevoel: een stad, in het hart van ons werelddeel, waar de moslimcultuur is verweven met die van de orthodoxen, de katholieken en de joden.
DE MEEST GEBRUIKELIJKE reactie van weldenkende buitenstaanders is om Sarajevo tot mythe te verheffen. Een multicultureel, multireligieus Atlantis. Een verloren stad om welke men hoffelijk mag rouwen. Maar niets is hier zo simpel. Voordat ze levend worden begraven, slaan de inwoners van Sarajevo zelf de mythe aan scherven. Ze zijn trots op hun spreekwoordelijke tolerantie, maar maken tegelijk duidelijk dat geen enkele generatie in deze stad de afgelopen vijfhonderd jaar zonder oorlog heeft geleefd.
Op dit moment lopen de straten vol met vluchtelingen, plattelanders met een hang naar wraak. Ze vormen een willige prooi voor de regeringspartij SDA, die het vroegere regime dreigt te vervangen door een even autoritair beleid van islamitische signatuur. Er is een dubbele economie ontstaan: die van de dinar met zes tot acht nullen, en die van de D-Mark. Alsof dit een nieuw Berlijn is, en de grote investeerders afwachten om toe te slaan als het cease-fire standhoudt.
We lopen Hotel Europa binnen, een kapotgeschoten grootheid uit de socialistische jaren zestig, waar nu onder de met roet beslagen kroonluchters wilde vluchtelingenkinderen rondrennen. Haris wijst om zich heen en vertelt dat hij hier een film wil maken: zo is het vandaag in Europa.
'ER IS DIE FOTO uit het begin van de oorlog. Een brandend huis in Sarajevo: in de rookwolken boven de vlammen is het gezicht van Karadzic te herkennen, een grijnzende duivelskop. Veel mensen die de foto zagen, zeiden: Sarajevo is de hel. Een hyperreele hel zelfs, in de woorden van Baudrillard. Volgens zijn zwarte filosofie leven wij in de post-historie, voorbij het einde van de wereld. Mij zegt dat niets. Baudrillard laat me koud. In de hel wordt iemand gestraft voor zijn zonden - ik zou, al leg ik al mijn zonden naast elkaar, niet weten waarom ik dit moet doorstaan. Het verschil tussen de realiteit van Sarajevo en de postmoderne kringen van Parijs geeft mij het recht om te zeggen dat Baudrillard de term hel verkeerd gebruikt. Ik leef niet in de hel. Ik hoor niet tot een andere wereld.’
Semezdin Mehmedinovic, die met de groeven in het gezicht, wordt door iedereen genoemd als de belangrijkste jonge schrijver van de stad. Zijn micro-essays horen tot de meest essentiele flarden van literatuur die de oorlog tot nu toe heeft voortgebracht. Hij is dichter, redacteur van het eigenzinnige weekblad Dani en oprichter van het literaire blad Fantom Slobodan, 'het fantoom van de vrijheid’. Literatuur is voor hem een eerste levensbehoefte.
Mehmedinovic: 'Ik schrijf uit een verschrikkelijke innerlijke noodzaak. Uit angst om alleen te zijn. Uit verzet tegen de dood. Doodsangst dwingt je in beweging te blijven. Ik geloof niet dat ik schrijf om voor de buitenwereld een spoor van waarheid over de stad achter te laten. Eerder is het de wens om met mezelf te praten, om mezelf duidelijk te maken wat hier gebeurt. Ik schrijf een iconografie van het kwaad. Dat is mijn taak. Al verschijnt er maar een boek over de wandaden van Karadzic, dan bestaan die wandaden. Vinden ze hun weg niet naar de werkelijkheid van de taal, dan ontloopt hij misschien alsnog zijn straf. Als die ene journalist dat gevangenenkamp niet had ontdekt, dan zou het nooit hebben bestaan.
Het werk van Danilo Kis heeft niet voorkomen dat er in onze tijd opnieuw concentratiekampen zijn ontstaan. Dat ben ik me bewust. En toch verliest de literatuur haar waarde niet, al leeft ze in de schaduw van het populisme. Het gaat erom dat schrijvers ideeen blijven uitwisselen, dat ze de geest van de tijd weergeven. Nog nooit was de communicatie tussen verschillende culturen zo nodig als nu. Het is noodzakelijk om over het kwaad te berichten. Die plicht heeft de schrijver, of hij nu uit Bosnie, Frankrijk of Nederland komt. Daarom wijs ik het idee af dat ik in een andere wereld leef. Als een van de mensen die vertrapt zijn door de olifant van de geschiedenis, om met Milosz te spreken, moet ik duidelijk maken welke ervaring ik deel met andere volken die iets vergelijkbaars hebben meegemaakt. Het is heel gevaarlijk te denken dat wij hier zwaarder lijden dan de mensen elders. Er is in delen van de wereld waar geen oorlog heerst genoeg kwaad dat vergeleken kan worden met het kwaad dat wij hier ervaren. De problemen van Bosnie zijn de problemen van Europa.’
Hij vertrekt geen spier van zijn gezicht. Dit zijn geen grote woorden, blijkbaar, voor iemand die de afgelopen winters eigenhandig de betekenis van water en vuur heeft herontdekt.
De brandmerken van het kwaad zijn in de huid van de stad gestampt. Mirza wijst ze onbarmhartig aan. Overal op het zonnige trottoir de granaatinslagen. Als klodders spuug, een grote kwat in het midden en daar omheen de spetters. De gedachte aan de mensen die hier voorbij renden op het moment van de inslag, door de scherven besprongen.
'THAT IS PERHAPS the greatest problem of all. Life as we know it has ended, and yet no one is able to grasp what has taken its place. (…) On the one hand, you want to survive, to adapt, to make the best of things as they are. But, on the other hand, to accomplish this seems to entail killing off all those things that once made you think of yourself as human. Do you see what I am trying to say? In order to live, you must make yourself die. That is why so many people have given up. For no matter how hard they struggle, they know they are bound to lose. And at that point it is surely a pointless thing to struggle at all.’
Het is een ongelooflijk boek, In the Country of Last Things van Paul Auster. Verschenen in 1987, beschrijft het woord voor woord de afgelopen twee jaar in Sarajevo. Nu dient het als basis voor de volgende voorstelling van Haris Pasovic en zijn gezelschap. Ze werken als bezetenen in hun schemerige kantoor. De toekomst staat er op exploderen. Met uitzicht op de door granaten aangevreten gevels aan de overkant vinden ze de wereld opnieuw uit. Sarajevo bevindt zich op een onmogelijk moment. Nu er niet meer op de stad wordt geschoten, hangt er een omineuze stilte. Nie mand kan zeggen welke kant het op zal kantelen. Nieuwe beschietingen of blijvende wapenstilstand. Nieuwe stedenbouw of primitieve urbicide. De grootsteedse cultuur van de jongeren of de boerse tradities van de vluchtelingen. MTV of zwarte sluiers. Democratie of repressie. Tolerantie of wraakzucht. De eeuwenoude beschaving van de valleibewoner of de spiegelglazen arrogantie van de nieuwe kolonisator. Het trauma of de hoop.
Haris: 'De oorlog heeft alles op losse schroeven gezet. Misschien is de beschaving waarin ik ben opgevoed, alles wat ik tot nu toe heb geleerd en gedaan volkomen verkeerd geweest. Nu moet ik beginnen te leven op de plaats waar mijn eigen geschiedenis is opgeblazen. En daarmee is alles weer mogelijk. Soms denk ik dat ik op een hoge heuvel sta. Ik kijk om me heen en aan alle kanten, zover mijn blik kan reiken, ligt het land wijd open.’
Buiten hobbelt een antieke teerwagen over de weg. Blauwhelmen dichten samen met arbeiders in hemdsmouwen de gaten in de straat. Ik vertrek uit een stad die me voortdurend het woord ontnam. Alles wat ik probeerde op te merken was misplaatst, achterhaald en van buiten. En zelf heeft Sarajevo zoveel te zeggen, zoveel tegenstrijdigs. De weg loopt tegen de heuvel op. Rechts ligt het kerkhof onder de zon. Daarachter loopt de frontlijn. Daar liggen de moordenaars nog altijd, het wapen in de aanslag. Zij vertrekken niet.