Adam Phillips over schaamte, en beschamen

Besprongen door jezelf

Volgens psychoanalyticus Adam Phillips geeft schaamte ons een beeld van de wereld waarin we denken te leven. En: ‘Ik denk dat shaming, het afdwingen van schaamte bij een ander, een van de ergste dingen is die we doen.’

Medium adam phillips 01
‘Je kunt heel veel over een cultuur aflezen aan dat wat ze als beschamend beschouwt’

Het is vier uur ’s middags, een woensdag in december, en de duisternis is al met een zekere onverbiddelijkheid aan het invallen: alleen de kale bomen steken nog helder af tegen de statige witte huizen van Notting Hill. Op de bel naast een grote grijze deur – en van maar liefst vier met exact hetzelfde nummer – is een stickertje geplakt. Het handschrift verraadt dat de naam, ‘Phillips’, pas achteraf erop is gekrabbeld. Drie trappen hoger staat de psychoanalyticus in de deuropening van dat wat ooit zijn huis was maar inmiddels al weer een kwart eeuw dienstdoet als zijn praktijk. In de kamer aan de straatzijde dreigen een bureau, een spartaanse houten stoel, een kleine sofa en een wat versleten maar zichtbaar comfortabele fauteuil te worden verzwolgen door een zee van boeken die in stapels tegen de ingebouwde kasten en de muren klotst.

Je zou hem kunnen omschrijven door te zeggen dat zijn zwarte krullen grijzer worden, dat hij een beetje loenst, dat hij klein van stuk is en een vriendelijkheid uitstraalt die vanaf het eerste moment dieper gaat dan eenvoudige beleefdheid. Je zou kunnen zeggen dat direct duidelijk is dat hij gewend is om met een ander te verkeren met het gemeenschappelijke doel te ontdekken waar vrijuit denken en spreken toe kunnen leiden. Je zou erop kunnen wijzen dat hij iemand is die niet over een e-mailadres beschikt. Je zou ook kunnen zeggen dat wanneer een regisseur Monty Python-lid Terry Jones zo gek zou krijgen om de psychoanalyticus in een film te vertolken zelfs Adam Phillips’ eigen gezin tijdens het kijken wellicht het ongeloof even zou kunnen opschorten.

Hoe dan ook: de man die zelf in de houten stoel plaatsneemt en die vriendelijk naar de sofa wijst, terwijl hij een krukje naar voren schuift voor een opnameapparaat waarvan hij het bestaan slechts vermoedt, die man ontvangt hier niet alleen al meer dan 25 jaar cliënten, zoals dat in het jargon heet, hij schrijft er ook een indrukwekkend oeuvre van essaybundels en monografieën over bijeen. Het eerste doet hij vier dagen in de week. Het laatste slechts op woensdagen. Hij woont niet ver weg en wanneer hij op woensdagochtend hier naartoe wandelt dient zich vrijwel altijd een onderwerp of een openingsregel aan. Eenmaal aangekomen gaat hij zitten en begint hij. Hij beschouwt schrijven als een vorm van denken, als iets dat over een eigen momentum beschikt.

Phillips’ essays worden gekenmerkt door een vorm van aftasten die geen voorzichtigheid maar zelfvertrouwen uitstraalt. Tegelijkertijd is het alsof zijn hele denken op de pagina is gekropen om er zich te nestelen. Hij schrijft over de kleine psychische drama’s van het alledaagse leven en over de grootste literatuur en over alle manieren daartussenin waarop we proberen om te gaan met het zwarte gat dat we de realiteit noemen. Hij schrijft over de rol die onze niet geleefde levens spelen in ons wél geleefde leven, over de manieren waarop we onze zorgen onbewust voor ons laten werken en over de vraag wat het nut van vergeten is. Hij schrijft over het probleem van de zelfkritiek en over de zin en onzin van het recht op de pursuit of happiness dat wordt gegarandeerd in de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring. Hij schrijft een lofzang op de frustratie, of een antibiografische biografie van Freud. Het is dikwijls tegelijk licht en zwaar, speels en ernstig.

Het doet soms denken aan een schoonspringoefening. Het begint zonder noemenswaardige aanloop, met een klein sprongetje, waarna er als vanzelf snelheid wordt gemaakt. Na een reeks soms onnavolgbare mentale capriolen eindigt het in iets dat tegelijk sierlijk en weinig ostentatief is. Een kleine plons, weinig spetters. Wat rest is ontzag of de vraag waarvan je zojuist precies getuige bent geweest. ‘Phillips pretty much does any damn thing he pleases’, vatte The New Yorker zijn manier van schrijven eens samen.

In zijn drang zijpaden te betreden is hij onstuitbaar: ‘Digression is secular revelation’, schreef hij ergens. Het uit zich onder meer in een grote citeerdrift, maar wie zich daaraan ergert mist dat ieder goed gekozen citaat niet alleen het eigen denken verder helpt maar tegelijkertijd een kleine ode is aan het genot je ongans te lezen.

In uw boek Het ongeleefde leven haalt u een interview met de dichter John Ashberry aan, waarin hij zegt dat naarmate iemands kunst slechter is het voor diegene gemakkelijker wordt om erover te praten. U beschrijft de psychoanalyse ook regelmatig als eerder een kunst dan een wetenschap. Vindt u het moeilijk om over psychoanalyse te praten?

‘Het is een fantastisch citaat van Ashberry en ik denk inderdaad dat het ook van toepassing is op de psychoanalyse. Die draait tenslotte om het onbewuste, om datgene wat moeilijk onder woorden te brengen is. Er zijn genoeg analytici die met groot gemak en schijnbaar veel autoriteit spreken over wat ze precies doen. Maar dan denk ik toch telkens: hoeveel kun je hiervan afweten? Mensen die er goed in zijn hebben de grootst mogelijke moeite uit te leggen hoe ze het doen; wat ze precies doen. Het is zo specifiek. Zo… singular. Zo onvoorspelbaar ook vaak.’

In elke sessie bedoelt u?

‘In elke sessie ja. Je weet niet wat je zal voelen, niet wat de ander zal voelen. Je weet niet welk effect de een op de ander zal hebben. Je kent de geschiedenis van de ander niet en die van jezelf eigenlijk ook amper. Dus wanneer twee mensen in een ruimte zitten en ze hebben afgesproken zo vrijuit als mogelijk is te spreken, dan is dat toch zeker in potentie nogal onvoorspelbaar. Ik wil het niet mooier maken dan het is, want vaak is het veel prozaïscher. Maar het draagt altijd de mogelijkheid in zich om mensen dingen te laten denken en zeggen en voelen waarvan ze niet wisten dat ze het in zich hadden.’

In uw werk treft de lezer soms op één en dezelfde pagina wel twee of drie pogingen tot een definitie van wat de psychoanalyse is of doet. Is dat een levenslange worsteling om grip te krijgen op dat waarmee u uw dagen vult?

‘Het is een levenslange interesse: het eindeloos herbeschrijven, het uitwerken van wat het is. Het schijnt me toe dat het draait om een project waarin we nieuwe vormen van samenzijn uitdokteren, nieuwe manieren om met elkaar te verkeren. Misschien is dit gesneden koek voor je, maar we onderzoeken iemands repertoire van onbewuste risico’s. Niet om die vervolgens bewust wel te nemen, maar slechts om de mogelijkheid daartoe te laten ontstaan.’

Hoewel veel van zijn essays over zaken gaan die raken aan schaamte schreef hij er in het verleden zelden expliciet over. Maar kort geleden gaf hij in York, waar hij doceert, een lezing over ‘schaamte en aandacht’ en heeft toegezegd die lezing nog te zullen uitwerken voor een Amerikaans literair tijdschrift.

Is er een duidelijke reden waarom dit onderwerp u nu bezighoudt?

‘Ik herlas James Baldwins roman Giovanni’s Room. Baldwin is een schrijver waar ik veel van hou en hij is vooral interessant waar het moraal betreft. Wat me tijdens het lezen opviel was dat telkens wanneer een van de personages zich schaamde hij op hetzelfde moment zijn morele kompas leek terug te vinden. Alsof je op het moment van schaamte je diepste moraal herontdekt juist door haar te verraden. En wat me vervolgens opviel was dat juist op die momenten de personages conservatiever leken te worden, niet-radicaal. Ze hadden geen nieuwe gedachten. Het was alsof de schaamte het gesprek deed verstommen.

Wanneer je je schaamt is het evident dat je iets slechts hebt gedaan. Daarom denk ik dat schaamte een van de repressiefste, conservatiefste emoties is. Het is de wijze waarop de cultuur je lichaam binnendringt. Je voelt afgrijzen en je gelooft dat afgrijzen. Het is een onvoltooide actie, iets dat het gesprek in jezelf afkapt. Je zou kunnen denken dat een beschamende daad een radicaal protest tegen acculturatie is. Een protest tegen regels die absoluut lijken. Een aftasten van de absolute regels.

Als je iets beschamends doet word je besprongen door alles en iedereen, inclusief jezelf. Wanneer je jezelf schaamt is er in je hoofd sprake van een karaktermoord. Je zegt tegen jezelf: jij bent een verschrikkelijk iemand. Dit is een feit. Geen gesprek maar een voor eens en altijd vaststaand feit.

Ik denk dat shaming, het afdwingen van schaamte bij een ander, een van de ergste dingen is die we doen. Het is een manier om via marteling een moraal af te dwingen. Het is alsof in de schaamte de moraal iets vanzelfsprekends is geworden. Dus waar ik nieuwsgierig naar ben is wat er gebeurt wanneer we er niet aan toegeven. Of wanneer we zeggen: soms onthult onze schaamte dat waar we het meest om geven, maar op andere momenten toont het een protest tegen datgene waarvan ons is verteld dat we er het meest om geven.

Er zijn zoveel interessante kanten aan schaamte, maar één daarvan is hoe sommige mensen beschamende ervaringen lijken na te streven. Mensen die telkens maar weer dingen doen waarvoor ze zichzelf vervolgens schamen. Nu kun je denken dat deze mensen heel rechttoe, rechtaan zichzelf eindeloos proberen te straffen. Of dat ze zichzelf eindeloos willen verraden. Maar ze zouden ook eindeloos kunnen proberen iets uit te testen, eindeloos hopen iets uit te vogelen. Zichzelf? Hun omgeving? Het zou een onderzoek kunnen zijn waarbij ik, als ik iets beschamends doe, denk: als ik dit doe zal iedereen ontzet reageren. Maar de onbewuste gedachte zou kunnen zijn: als ik dit doe, hoe zouden de mensen dan reageren? Zouden ze anders kunnen reageren? Zou er een reactie denkbaar zijn die de actie voor me zou herschrijven? In die zin zou het de ultieme liefdestest gericht op de wereld zijn. Als je je eigen afgrijzen nastreeft, dan is de vraag toch: wat doe je echt?’

Schaamte draait om socialisatie?

‘Als ik me zorgen maak over incontinentie, is dat omdat ik vermoed dat er buiten een vijandige wereld bestaat’

‘En socialisatie draait in dit opzicht om geheimhouding. De vraag is waar de schaamte ontstaat. Stel, iemand krijgt in het openbaar te maken met incontinentie. Dat is iets waar veel mensen zich zorgen om maken. We zullen allemaal zeggen: het is normaal om je op zo’n moment te schamen. Maar waarom is dat zo vanzelfsprekend?’

We zouden het normaal vinden dat iemand zich op zo’n moment schaamt, maar we zouden niet graag de spiegel voor die schaamte willen zijn, toch?

‘Nee. En het draait inderdaad om het getuige zijn. Het draait om een publiek. Maar het lijkt me niet onmogelijk om je een wereld in te denken waarin een volwassene die publiekelijk incontinent is op een volledig sympathieke reactie kan rekenen. Dat kun je je in theorie voorstellen. Baby’s, kinderen, bejaarden, mensen die ziek zijn: ze kunnen allemaal te maken krijgen met incontinentie. En toch maken we er ons allemaal zorgen om, uit angst voor de schaamte die het met zich mee zou brengen.

In die zin geeft schaamte ons een beeld van de wereld waarin we denken te leven. Als ik me zorgen maak over incontinentie is dat omdat ik vermoed, wellicht terecht, dat er buiten een vijandige wereld bestaat. Een wereld die mijn gebrek aan controle zou haten. Het is de cultuur in jezelf op z’n wreedst, denk ik.

Small hh 20935222
‘Als mensen slechte dingen doen moeten we ze daarvan weerhouden, maar we hoeven niet wreed te zijn in de wijze waarop we dat doen’

Waarom zou iemand zich schamen als hij homo is? Waarom zou liefde voor iemand van hetzelfde geslacht je met afgrijzen vervullen? Het is ongelofelijk. Het is verbijsterend. Maar dat is a) iets wat nu nog altijd gebeurt en b) iets wat in het verleden haast onvermijdelijk was. Het is het bewijs dat het te maken heeft met een cultureel ethos. Het is niet dat homoseksualiteit intrinsiek beschamend is. Het is tot iets dat schaamte wekt gemaakt. Net als incontinentie. Net als heel veel dingen.’

Hoe zit dat met meer onbestemde schaamtegevoelens. Schaamte voor dingen die we niet kunnen beschrijven?

‘Ik zou zeggen dat we die dingen in theorie wel zouden kunnen beschrijven, maar dat we weerstand bieden. We schamen ons voor wat belangrijk voor ons is. Schaamte is in die zin een aanwijzing. We schamen ons alleen voor zaken die te maken hebben met geld, seks, status en ons voorkomen. En je kunt heel veel over een cultuur aflezen aan dat wat ze als beschamend beschouwt. Maar laat me hier het morele punt herhalen. Ik denk dat shamen een van de ergste dingen is die we doen.’

En we doen het vaak en zonder veel nadenken.

‘We doen het met ontstellend groot gemak.’

Waarom?

‘Het is een manier om te zeggen: zo ben ik niet, zo ben jij. En zolang de schaamte zich bij een ander bevindt, bevindt hij zich niet in jou.’

Maar je kunt je natuurlijk schamen omdat je ervoor hebt gezorgd dat een ander zich schaamt.

‘Zeker. En ik wil ook niet beweren dat schaamte in zichzelf louter slecht is. Het kan namelijk ook een manier zijn om dat waar we om geven te beschermen. We kunnen hier simpelweg niet generaliseren. Ik denk bijvoorbeeld dat mensen zich wel zouden moeten schamen voor het vernederen van anderen. Maar schaamte is nooit een oplossing. Neem Harvey Weinstein. Ik denk niet dat hem publiekelijk vernederen een oplossing voor het probleem dat hij vertegenwoordigt dichterbij zal brengen. Zelfs als we alle seksuele mishandelaars zouden shamen lost dat het probleem niet op. Het zou slechts een nieuw probleem opleveren. Want wat we dan zouden doen is het mishandelen van de mishandelaars.’

Maar als straf zou het in theorie toch in verhouding kunnen staan tot…

‘Ik denk dat we mensen straffen wanneer we niet weten wat we met ze aanmoeten. Het is een wanhoopsdaad en iedereen weet dat het in zekere zin niet werkt. Je kunt kinderen straffen, mits je het op een zachtaardige manier doet en op momenten wanneer het nuttig is. Maar volwassenen straffen is futiel. Je hoeft moordenaars niet te gaan prijzen, maar mensen moeten uiteindelijk slechts tegen zichzelf en anderen in bescherming worden genomen. We hoeven daarbij niet wreed te zijn tegen wie dan ook. Wreedheid is nooit het antwoord.

De vraag is of we een cultuur willen die is georganiseerd rond straf, een cultuur waarin we geen slechte dingen doen uit angst te worden gestraft. Als mensen slechte dingen doen moeten we ze daarvan weerhouden, maar hoeven niet wreed te zijn in de wijze waarop we dat doen. En met het publiek uitbuiten van schaamte creëren we een moraal die is gebaseerd op vernedering.’

Maar soms kan shaming toch een middel zijn om een machtigere partij, een persoon of een bedrijf of een overheid, te dwingen moreel juist te handelen?

‘Je zou kunnen beargumenteren dat shaming een plaats heeft als laatste redmiddel. Maar dan nog zou het nooit iets moeten zijn waar we meer aan ontlenen dan die redding. Het corrumpeert namelijk alle partijen.’

Zonder in details te treden: hoe belangrijk is schaamte als thema in de gesprekken die u met uw cliënten voert?

‘Als ze het aankunnen hoop ik dat mensen nieuwsgierig zijn naar hun eigen schaamte, niet slechts ontzetting ervaren’

‘Belangrijk, maar omdat het nu eenmaal per definitie gaat om iets wat men verhult, is het moeilijk te bespreken. Dus je zou ook kunnen zeggen van niet. Maar als je het mij vraagt kan het eigenlijk niet anders dan de kop opsteken. In een open en eerlijke uitwisseling is het altijd een van de onderwerpen die worden aangesneden.’

Waarom zouden mensen toch willen praten over dat waarvoor ze zich schamen?

‘Aan de ene kant zou je kunnen zeggen: vergeving of iets als een bekentenis. Het is alsof ze het uitschijten. Maar ik denk dat als je met iemand als ik wil praten over dat waarvoor je je schaamt, dan is dat omdat je op een herbeschrijving hoopt. Omdat je voelt dat er een andere reactie dan straf in het verschiet ligt.

Erover praten zou ze in staat kunnen stellen hun schaamte vanuit meerdere oogpunten te beschouwen. Ze zouden wellicht kunnen achterhalen wat ze hopen te bereiken wanneer ze iets beschamends doen. De schaamte zou niet iets vanzelfsprekends zijn, maar iets dat moest worden onderzocht en uitgepakt. Als ze het aankunnen hoop ik dat mensen nieuwsgierig zijn naar hun eigen schaamte en niet slechts ontzetting ervaren.’

Mensen schamen zich voor wat ze verlangen, voor wat ze hebben gedaan, voor wat ze vrezen te zullen doen. Zou u dat verschillende vormen van schaamte noemen?

‘Dat is een goed voorbeeld van iets wat je in elk specifiek geval zou willen uitzoeken. Elk van die zaken betreft waarschijnlijk een net iets andere ervaring. Zodra we het allemaal afdoen met het woord “schaamte” is het net alsof we al weten wat dat precies is. Maar zo’n woord doet onbewust al verschrikkelijk veel werk. Het bestrijkt een veelheid van zonden. Alsof we weten waarover we spreken als we over onze schaamte spreken. Dat doen we en dat doen we niet.’

Dat was mijn beoogde openingsvraag: wat is het waarover we het hebben als we het over schaamte hebben en wat is het waarover we het niet hebben als we het over schaamte hebben?

‘Dat is het precies.’

Kunt u hem beantwoorden?

‘De vraag zal altijd zijn hoe we onze schaamte inzetten om iets anders uit de weg te gaan. Als jij mij over een beschamende ervaring vertelt ben ik één en al oor. Het zal alle aandacht in het gesprek organiseren. Het zal me direct doen ophouden met over iets anders na te denken. Er schuilt een grote kracht in: je kunt er iemand anders geest mee vernauwen.’

U schrijft veel over literatuur. Bent u bovenmatig geïnteresseerd in de rol die de bekentenis daarin kan spelen?

‘Niet bijzonder. De bekentenisliteratuur is zeker niet mijn favoriete genre, wellicht heeft dat iets te maken met de religieuze connotaties. Maar ik denk vooral ook dat het een val is. En daarmee bedoel ik dat mensen het risico lopen te gaan geloven dat dat wat ze bekennen het belangrijkste aan hen is. En dat zou ik altijd wantrouwen. Niet dat het per se in alle gevallen onwaar is, maar omdat het altijd een vraag blijft.

Ik vrees dat we geneigd zijn te geloven dat dat waarvoor we ons schamen is wat we zijn. Zo dwingend is de macht van de moraal van het afgrijzen. Die vertelt je dat je dat wat essentieel is moet willen verbergen. Maar de vraag is waarom we ons überhaupt schamen. Waarom is het zo’n enorme factor in ons leven? Het zou toch interessant zijn je een moraal in te denken die niet op schaamte of schuld is gebaseerd. Een moraal waarin het goede iets is om naar te verlangen louter om zichzelf. Een moraal waarin je geen angst wordt aangejaagd om het je te doen verlangen. Waarom zit er zoveel angst in onze moraal?’

Omdat we, als we er eenmaal van hebben geproefd, beseffen dat er in angst een niet te ontkennen kracht schuilt om het gedrag van anderen te sturen?

‘Helemaal mee eens, maar dan blijft nog altijd de vraag: houdt onze moraal onze wreedheid onder controle, of maakt hij ons ook wreed?’

Kunt u het moment waarop we onze schaamtegevoelens beginnen te ontwikkelen aanwijzen?

‘Ik denk dat het al heel vroeg gebeurt. Het begint zodra we eraan worden blootgesteld. Voor de hand ligt dat we in het bijzijn van onze ouders iets hebben gedaan waardoor ze ontzet zijn. Op dat moment ervaren we de verschrikking van het absolute verlies van liefde. Alsof hun reactie ons vertelt: wanneer je dat doet, kan ik in zekere zin niets meer met je te maken hebben. En op dat moment vertel je jezelf: dat moet ik nooit meer doen. En een ander deel van je denkt: dat moet ik nog eens doen.’

Waarom?

‘Omdat we ons ervan zouden willen verzekeren dat we ermee kunnen doorgaan zonder andermans liefde te verspelen. We zouden het trauma willen overwinnen. Een deel van ons zegt: ik ga me hiernaar gedragen. Een ander deel zegt: ik kan niet leven in een wereld die dat van me verlangt.’

Zou het in theorie mogelijk zijn die ontzetting te verbergen en het kind de schaamte nog even te besparen?

‘Ik hoop het. Maar… het ouderschap is fucking hard. Fay Weldon, de schrijfster, zei ooit iets fantastisch: voordat je kinderen krijgt kun je denken dat je een aardig iemand bent. Als je ze eenmaal hebt, weet je hoe oorlogen beginnen.’