‘best behoorlijk blij’

Hij is nog maar net op gang en nu verdient hij al een ton. Ronald Giphart werd, eerst als Nix en nu als Niet Nix, het grootste succesnummer van de jongste generatie schrijvers. Een kwestie van slim netwerken in sjieke Gooise kringen en af en toe hard ‘Kut!’ roepen.
RONALD GIPHART ontmoette ik voor het eerst op een voorleesavondje in Deventer. Er waren drie schrijvers uitgenodigd: Anja Meulenbelt, Ronald Giphart en Adriaan Morriën. De laatste was ziek, zodat mij een dag tevoren werd gevraagd om in te vallen.

Zo'n kans liet ik natuurlijk niet liggen. Er was die avond ook een thema, maar dat ben ik vergeten. De zaal zat vol. Keurige mensen, daar in Deventer. In de pauze maakten zich enkele fans los uit het publiek. Er waren wat dames met hennahaar. Die voerden gelijk een amicaal gesprek met Anja Meulenbelt. Je kon zien dat Anja Meulenbelt en haar fans al heel wat jaartjes samen meegingen. De twee verlegen meisjes van zo'n zestien jaar die Ronald Giphart om een handtekening kwamen vragen, stonden duidelijk niet op die voet van gelijkheid met hun idool. Ze zeiden dat ze zijn laatste boek zo mooi vonden. Ronald Giphart knikte beleefd maar verveeld. Het was hem aan te zien dat hij dit dag in dag uit hoorde van meisjes van zestien en dat hij er zo langzamerhand ziek van werd. Voor mij waren er uiteraard geen fans. Wel kwam er een enge man op me af die op barse toon vroeg wat ik tussen die schrijvers deed. Ik bleef beleefd en het liep af met een sisser.
Ik vertel dit niet om zielig te doen. Ik probeer de verhoudingen een beetje te schetsen.
In de trein terug onderhielden Ronald Giphart en ik zich met elkaar. Alle schrijvers die ik ken, hebben maar één onderwerp: zichzelf. Dat is niet altijd even gemakkelijk. Luisteren is heel vermoeiend. Ronald Giphart was de eerste belangstellende schrijver die ik leerde kennen. Of ik die wel eens ontmoet had… Wat ik van die vond… Gretig mannetje, dacht ik. Hij had zelfs een boek van mij gelezen en vond daar het een en ander van. Hij vond bijvoorbeeld de stijl goed, maar de structuur minder. Nou, daar doe ik het voor. Ik had nog nooit een schrijver ontmoet die een boek van mij had gelezen. Eerlijk gezegd wist ik niet beter of Nederlandse schrijvers lazen elkaar nooit. Zelf had ik bijvoorbeeld nog nooit iets van Ronald Giphart gelezen. Maar dat zei ik natuurlijk niet.
WAT RONALD Giphart zich nog goed herinnerde was een voorleesavondje in Utrecht waarop iemand Joost Zwagerman zou interviewen - ik meen dat dat Jessica Durlacher zou zijn, een goede vriendin van Joost Zwagerman, maar die was ziek, zodat mij op het laatste moment was gevraagd om in te vallen. Ik deed dat graag. Ik heb Joost Zwagerman altijd een aardige jongen gevonden. Net zo aardig als Ronald Giphart eigenlijk. Ik weet niet meer wat Ronald Giphart van die avond vond. Wel wist ik toen al dat Ronald Giphart een grote fan van Joost Zwagerman was. Dat had hij ergens in een interview gezegd. Ronald Giphart gaf ook toen al veel interviews, vandaar. Later las ik over Gipharts bewondering voor Joost Zwagerman in Gipharts eerste twee boeken Ik ook van jou en Giph. Ergens schijnt Joost Zwagerman geschreven te hebben dat hij Ronald Giphart ook heel goed vond. Daaruit citeerde Ronald Giphart weer op de achterkant van een van zijn boeken: ‘Joost Zwagerman: Ik ook van jou en Giph zijn de leukste literaire seksromans van de laatste jaren.’ Een hechte vriendclub, u hoort het. Ook Jessica Durlacher heeft warme dingen over Ronald Giphart geschreven.
Ronald Giphart is van 1965. Joost Zwagerman is van 1963. Ik ben van 1957. Joost Zwagerman maakte twee keer deel uit van een aanstormende generatie, eerst de Maximalen, toen de Nixers. Daar bouwde hij een literaire carrière uit waar je U tegen zegt. Volgens Hofland is Joost Zwagerman na Hoflands oorlogsgeneratie de eerste schrijver die echt wat te vertellen heeft. Ronald Giphart werd niet alleen het brandpunt van de Nixers (en ging dat vervolgens geheel in stijl ontkennen), hij is nu ook de ster van de Niet-Nixers, die de vrijgekomen stoelen in de uitstervende PvdA gaan overnemen, dus die gaat qua aanstormende generatie ook nog een keer in de herkansing.
Toen ik nog jong was, hoorde ik bij geen enkele aanstormende generatie, want mijn generatie (Martin Bril, Kristien Hemmerechts, Bas Heijne, Connie Palmen, Wanda Reisel, Thomas Rosenboom, P.F. Thomése, Robert Vernooy, Dirk van Weelden, Atte Jongstra) had niks met aanstormen en zeker niks met elkaar. Misschien zouden ze iets met elkaar gekregen hebben als ze elkaar lazen, maar zover is het nooit gekomen. Daarbij kwam dat de babyboomers toen nog niet over de vut nadachten, dus het had geen enkele zin om een aanstormende oorlog te beginnen. Tja. Zo liggen de verhoudingen. Niks aan te doen. Als de lezer verderop dit artikel gaat denken: 'Dat is allemaal de kift’, dan klopt dat wel. Maar ik heb het er dus eerlijk bij gezegd.
VOLGENS mij kan Ronald Giphart heel goed schrijven. Over het sterven van zijn moeder bijvoorbeeld. Daarover schreef hij een verhaal in Nieuwe Revu. In eerste instantie moet je daar natuurlijk van braken: Wie gaat de dood van zijn eigen moeder exploiteren om jezelf eens warm-menselijk voor een groot publiek uit te serveren? Dat doen toch alleen de Gerard Jolings van deze wereld? Braken en lezen gaat niet samen, dus ik heb toen dat verhaal maar overgeslagen. Ook omdat Ronald Giphart in interviews een beetje huilerig ging doen toen Theo van Gogh zijn welbekende grapjes maakte over de uitbating van Ronald Gipharts moederverdriet in de Privé door Ronald Gipharts boezemvriend, de toen nog Privé-journalist Dylan van Eijkeren. Volgens Ronald Giphart kwam dat allemaal alleen maar doordat zijn boezemvriend Dylan van Eijkeren destijds iets warms had met de Nix-ster Hermine Landvreugd die het doet met Theo van Gogh. Of deed, daar wil ik van af wezen. In ieder geval: zoveel kleffe viezigheid, zoveel ijdelheid, dan wend ik me maar even brakend af.
Ik had ongelijk. Het was een prachtig stuk in Nieuwe Revu. Ronald Giphart schrijft hier in koele, sobere zinnetjes, waardoor het allemaal juist net niet klef wordt. Er zitten zelfs een paar brutale grapjes in, wat heel knap het dramatische effect juist verhoogt. Ook is het allemaal van belang voor de Nederlandse literatuurgeschiedenis. Als de dood van moeder nadert, schrijft Ronald Giphart er zo over: 'Mijn zusje en ik zijn een paar weken permanent bij elkaar gaan wonen. Mijn optredens heb ik allemaal afgezegd, schrijven heb ik in die tijd ook niet gedaan. Met mijn zusje heb ik heel veel zitten praten, de laatste jaren hadden we nog maar erg weinig contact. Dit jaar ben ik erachter gekomen dat ik een zusje heb.’
Waarom is dit van belang voor de Nederlandse literatuurgeschiedenis? Omdat toen Ronald Giphart weer ging schrijven en optreden, hij meteen een boek over zijn zusje geschreven heeft. Dat boek heet Phileine zegt sorry en staat al weken op nummer één. Het gaat in dit boek nog wel een paar keer over 'mijn broer Giph’, maar diezelfde Giph was in de vorige boeken van Ronald Giphart het absolute middelpunt, dus de dood van moeder heeft de wilde Nixer van toen deemoedig gemaakt.
Ook heeft Ronald Giphart, waarschijnlijk tot niet geringe vreugde van zijn uitgever, aangekondigd dat hij hierna een heel boek gaat schrijven over de dood van zijn moeder. Daarin komen we misschien ook meer te weten over een nogal geheimzinnig item in het Nieuwe Revu-stuk: de volstrekte afwezigheid van de vader. Vruchtbare sterfbedweekjes, al met al.
Op het omslag van het pre-moedersterfteboek Het feest der liefde liet Ronald Giphart al aankondigen: 'Meeschrijvend met de wonderbaarlijke wederwaardigheden uit zijn verbijsterende leven, is Ronald Giphart (1965) aangekomen op een kruispunt in zijn leven.’ Waarover moeten we dan wel niet spreken bij Phileine zegt sorry? Op het breukvlak van twee oeuvres? Minstens.
IN HET NIEUWE Revu-stuk tipt Ronald Giphart ook iets aan over het milieu waarin hij opgroeide. We horen over de vriendinnen van zijn moeder, onder anderen Erica Terpstra en Gerda Havertong. De moeder, die voor de PvdA in de Tweede Kamer zat, ze heette Wijnie Jabaay, behoorde tot het puikje van een heel sjieke feministenclub, voornamelijk woonachtig in het Gooi en Amsterdam-Zuid en onder voorzitterschap van de mevrouwen Dresselhuys en D'Ancona.
De banden tussen deze club en Ronald Giphart moeten na de dood van de moeder stevig aangehaald zijn, want Ronald Giphart komt, zoals gezegd, met stip binnen bij de PvdA en siert ook, week glimlachend, een advertentiecampagne van Opzij. De jonge politiek-correcte schrijver zegt hier: 'Ik kreeg het feminisme - èn Opzij - met de paplepel ingegoten; wat ik eraan overhield is een absoluut gevoel voor gelijkwaardigheid tussen mannen en vrouwen. Maar als je het dan toch over verschillen hebt, ben ik eerder geneigd te zeggen dat vrouwen betere mensen zijn dan mannen.’ Ook kondigt Ronald Giphart aan dat hij voor het blad Opzij zal gaan schrijven.
In een heel gevoelig interview met het blad Elle gaat Ronald Giphart nog eens uitgebreid in op de dood van moeder, die hem veranderd heeft, en breekt hij ten overvloede nog eens een lans voor de vrouwen. Ook vertelt hij nog meer over het ouderlijke milieu. Heel onthullend. Zelfs zijn vader was feministisch. Maar toch zijn vader en moeder gescheiden. In die scheiding zit nog een superseller.
Ronald Giphart zal het vooral zo ver schoppen in de politiek omdat hij nu al een eigentijds vermogen tot het meewaaien met alle winden heeft vertoond. Zo startte hij met andere Nixers een uiteraard zeer succesvol literair blad, Zoetermeer, maar hij stapte daar direct uit zodra de publiciteitsgolf rond het blad was gaan liggen. Toen kon hij interviews gaan geven waarin hij zijn vroegere mederedactieleden voor rotte vis uitmaakte. En zo ging hij voor Sport7 werken toen het een literaire mode was geworden om voetbal geweldig te vinden, maar toen daar de pleuris uitbrak schakelde hij zijn boezemvriend Dylan van Eijkeren snel in voor een Nieuwe Revu-interview om het zinkend schip op tijd te kunnen verlaten: 'Voor mijn part gaat Sport7 morgen failliet, ik zou er geen seconde mee zitten.’ En: 'Ik werk niet bij tv, ik werk bij Joop van den Ende.’
Een zelfde professionele wendbaarheid legt Ronald Giphart nu aan de dag door aan het begin van zijn carrière lekker provocerend en dus aandachttrekkend te verkondigen dat hij nix heeft met engagement, in tegenstelling tot zijn softere generatiegenoten rondom het blad Millennium, om vervolgens doodleuk in het nog warme PvdA-bed van zijn overleden moeder te stappen. En dan, als gezegd, ook nog eens voor de Elle en Opzij naar buiten treden als Vrouwvriendelijk Auteur, wat een slimme commerciële zet is omdat er nu eenmaal meer lezeressen zijn dan lezers. Alleen: in dezelfde maand dat Elle op de cover kon stellen 'Ronald Giphart wil geen seks meer’, vertelde ook iemand onder de naam Ronald Giphart aan het post-Nix jongensblad Webber uitvoerig over hoe je een meisje zover kan krijgen dat ze je pijpt en komt hij met berestoere verhalen als: 'Er was ooit een dag dat ik na een lezing door een organisatrice naar een hotel werd gebracht, en voor ik een woord had kunnen zeggen, stapte ze naakt in mijn bed. Ik bedoel: ik had de deurkruk nog in mijn hand en daar lag ze. En ik ging er gewoon naast liggen. Kortom, literatuur is wel degelijk spannend.’
Dat is de manier. Zo glibber je je de weg omhoog naar het succes.
Maar ik dwaal af. Waarom was dat stuk in Nieuwe Revu zo goed? Omdat er een onderwerp was. Hoe ranzig de hele media-uitbating ook, hier schreef Ronald Giphart voor het eerst over iets wat hem aanging. Even precies als onderkoeld en godzijdank eindelijk nu eens nauwelijks melig behandelt Ronald Giphart, die zichzelf vooral lijkt te zien als een sociologisch schrijver, de nieuwe rituelen van het moderne omgaan met de dood. De drie beste vriendinnen in de woonkamer, broer en zus bij het sterfbed. De dochter speelt klassiek gitaar. De zoon voert de moeder wat Häagen-Dazs-ijs. 'Toen kwam de tweede injectie en dat duurde ongeveer een kwartier. Heel langzaam trok het leven uit haar lichaam weg. Het is gek, want op een gegeven moment zie je een verandering op het lichaam. Ongeveer een minuut voordat ze echt dood is, zie je iets wegtrekken. Het lichaam wordt bleek en de uitdrukking op het gezicht verandert.’
Best mooi, toch? En nog echt gebeurd ook.
Van een gebeurtenis die er toe doet is in de boeken van Ronald Giphart verder nog geen sprake geweest, ondanks zijn kennelijk zo 'verbijsterende leven’. Al zijn boeken gaan over jonge mensen die studeren. Soms wordt er geneukt en dan wordt dat uitgebreid maar volstrekt inspiratieloos en zeker niet opwindend beschreven. Soms wordt er niet geneukt en dan wordt daarover gezeurd. Soms gaan de jonge mensen op vakantie naar Frankrijk, dan weer op wintersport, het gaat over beste vrienden hebben, over continu verliefd worden op de eerste de beste meisjes, kortom een onafgebroken reeks non-gebeurtenissen, futloos aaneengebreid tot wat structuurloze lapjes. Zoiets durfde de uitgever nog een roman te noemen.
Met de meisjes wordt alleen maar gepraat over neuken. Als er niet met ze geneukt wordt tenminste. De meisjes leggen in de boeken een grote voorkeur aan de dag voor het neuken met de centrale figuur in het literaire universum van Ronald Giphart, ene Ronald Giphart, ook wel Giph. Net als bij de boeken van Jan Cremer dient het boek dus als platform ter zelfpromotie. Mannetje bakent territorium af door hard te schreeuwen: ik ben de beste voortplanter van allemaal! Zo doet Giph het ergens in dat oeuvre met moeder en dochter tegelijk, dus neuken en pijpen en beffen en meer van die dingen in ingewikkelde standjes. Wat een kerel!
Maar omdat Ronald Giphart ook nog eens van deze tijd is, speelt daarnaast aftrekken een grote rol. Als je je zo vaak aftrekt als Ronald Giphart, kun je gewoon geen ouderwetse babyboommacho à la Jan Cremer zijn. Dan ben je kennelijk vrouwvriendelijk genoeg voor de Opzij. Het aftrekken als metafoor is zo ongeveer de complete poëtica van het oeuvre. Ronald Giphart stelt ergens: 'Schrijven is me aftrekken.’ Dit soort zinsconstructies werken kennelijk besmettelijk, want in het Vara TV Magazine stelt Mascha Lammes, de samenwonende vriendin van Ronald Giphart: 'Televisie is voor mij mezelf ergeren.’
DE JONGENS onderling hebben het in de Giphart-boeken ook over al die seksdingen, maar op de tweede plaats komt de literatuur en dan eigenlijk alleen: hoe het te maken in de literatuur. Al ver voor Nix wilde Giphart in een groep. Dat is logisch. Met een groep kom je verder. Als je zwart bent en arm, dan vorm je een gang, als je blank bent en van goede komaf, dan vorm je een literaire groep. Maar dan moet je ook tegen de anderen zijn en dan moet je dus negatieve dingen vinden over de anderen.
Van de Maximalen heeft Ronald Giphart geleerd dat het sterk werkt om tegen Tom van Deel te zijn. Hele generaties aanstormenden zijn telkens weer over Tom van Deel heen naar de macht gehold. Zo had Ronald Giphart van zijn grote held en voorbeeld Joost Zwagerman geleerd dat de Maximalen ook al op Tom van Deel scholden. En dat dat werkte. Dus Ronald Giphart is ook tegen. Maar waarom dan? Tja, om nu al die boeken te gaan lezen… Wat te denken van zijn uiterlijk? Dus schreef Ronald Giphart over Van Deel: 'Zijn leven lang een metafoor voor een penis, gekeken naar dat eikelachtige kale hoofd en dat lange lullige lichaam.’
Joost Zwagerman had gelijk. Het werkte. En zoals Joost Zwagerman zich later weer van zijn mede-Maximalen losweekte toen al die tobbende dichters om hem heen een last dreigden te worden, zo worstelde Ronald Giphart zich los van zijn over vervreemding en verveling schrijvende mede-Nixers om als Zelfstandig Auteur, niet somber, maar leuk-leuk-leuk in het licht van de roem te kunnen staan. En dan wel als socialist, maar tegelijk vooral goed voor zichzelf zorgend. En een socialist anno nu schaamt zich niet meer voor zijn rijkdom. Door boezemvriend Dylan van Eijkeren liet Ronald Giphart dus trots aan het volk verkondigen inmiddels een ton per jaar te verdienen. Aardig opstartje. Ook dat is Niet Nix!
Goed, je bent dus tegen Tom van Deel. Maar waar ben je dan wel voor? Dat is al gelijk een stuk ingewikkelder. Want de Utrechtse Giphjes vinden nix nergens iets van, want er is in de wereld nu eenmaal nix niets waar ze niet te lui voor zijn om zich ervoor te interesseren. Of, zoals een van de vrienden van Giph, geheten Fräzer (het quasi-literaire gedoe met de achternamen is wel van alle studentenjongenstijden gebleven) het stelt in de 'debuutroman’ Ik ook van jou: 'Wat moet ik doen: moet ik maar een beetje ongeluk, moeilijke karaktertjes of zielige mensjes gaan zitten verzinnen? Daar heb ik helemaal geen sjoege van. Geen zin in ook. Ik wil over mezelf schrijven. Ik wil gewoon louter just and only for the goddamned fuckin’ fun of it, met piemie in de palm van mijn bezwete hand, wat tekstjes masturberen, erbij denkend: goddomme, wat ben ik een fantastische jongen, zeg.’
HET BIZARRE IS dat het grote literaire voorbeeld in de eerste twee 'romans’ juist Jeroen Brouwers is. Jeroen Brouwers schreef namelijk juist wèl literatuur over 'ongeluk, moeilijke karakters of zielige mensjes’, en dan ook nog eens met metaforen en doorgeconstrueerde opbouw, waar de Utrechtse Giphjesclub niets van moest hebben; allemaal intellectuelengedoe waar de gemiddelde scholier natuurlijk niet op zit te wachten. Bovendien is Tom van Deel altijd een uitgesproken promotor van het werk van Jeroen Brouwers geweest. Val je Tom van Deel aan omdat hij eruit ziet als een penis, dan mag je aan Jeroen Brouwers niet voorbij gaan. Ook al omdat Jeroen Brouwers, bijna nog voor de geboorte van Ronald Giphart, een polemiek voerde over het zogenaamde vertellersproza, dat veelal uitgegeven werd door de allang vergeten uitgever Loeb. Deze vertellers schreven destijds hun lollige jongensstukjes in Het Parool. Ronald Giphart, vandaag de dag een van de lollige-stukjesschrijvers in Het Parool, weet dit zelf niet, maar hij past helemaal in die traditie. In 1979 fulmineerde Brouwers in Vrij Nederland, onder de titel 'Sperma als wegstervende morse’: 'Bij voorkeur vertellen de Loebse vertellers over hun kindertijd, hun pubertijd, hun masturbatietijd, de sneeuw van weleer, de motregen van vandaag, de idealen van toen, de treurige lamlendigheid van nu.’ Dat had Brouwers anno nu over de Utrechtse Giphjesclub kunnen schrijven.
Het is duidelijk dat Ronald Giphart een beetje al te gretig is geweest met provocerend schelden en prijzen. Misschien had hij zich beter eerst een klein beetje kunnen inlezen. Maar Ronald Giphart is niet zo'n lezer. Hij leest het liefst de dingen die hij zelf geschreven zou kunnen hebben. In Het Parool schrijft Giphart: 'Lezers zijn grofweg in twee groepen te verdelen: zij die het liefst lezen over zichzelf en hun eigen omgeving en zij die het liefst worden geïntroduceerd in fascinerende onbekende werelden. Zelf reken ik me eerder tot de eerste groep.’
ALS ER OVER de inhoud dus nix niet veel te vertellen valt, dan draait het om de vorm. Het woord 'stijl’ komt dan ook veel voor bij Ronald Giphart. Ronald Giphart hanteert in zijn eigen boeken een lamlendig ouwehoerstijltje, waarin alles kennelijk expres honderd keer dubbelop wordt gezegd. Een voorbeeldje. Let vooral op het lollige gebruik van de ironische stijlfiguur: 'Zoëven stond ik voor mijn raam, te kijken naar de wolken boven de stad. Het schemerde, maar het regende niet. Ik kan dat heel lang, zo staren naar de stad en de lucht erboven. Jeroen Brouwers schrijft ergens “Ik vind er niets aan, aan leven.” En hoewel ik dat ook wel eens denk, overkomt het me toch vaker dat ik er juist wel wat aan vind, aan leven. Als ik ’s avonds zo'n beetje half en half naar de stad sta te staren, en ik hoor de straatgeluiden, en ik zie de mensen zitten in de cafés, en ik heb een volle agenda met allemaal leuke spaghetti-afspraken, dan word ik, tja, ik weet niet, het klinkt zo simpel, dan word ik best behoorlijk blij.’
Spannend hè?
Ook de Parool-recensent Ronald Giphart heeft de mond vol van stijl. Maar wat hij bedoelt, daar begrijp ik nix van. Bij het door hem bewonderde boek Blauwe maandagen van mede-nixer Arnon Grunberg heeft Ronald Giphart het over: 'de naïef-ironische stijl (die in de verte iets weg heeft van de stijl van schrijvers als Philip Roth, Salinger, Nescio, Zwagerman, Lanoye en de Bratpak-Amerikanen)’. Ik kan me bij een 'naïef-ironische stijl’ al niets voorstellen, maar als er dan een opsomming volgt van de meest uiteenlopende schrijvers, haak ik af.
Over de debutant Hans Dekker heet het heel mystiek dat deze 'ongeconcentreerd stileert’. Vele vragen roept dit bij mij op. Maar het wordt nog erger. De recensent Ronald Giphart heeft er een hekel aan als A. Moonen 'goochelt met de woordvolgorde van zijn zinnen’. Hoe durft die Moonen! En ook: hoe krijgt die Moonen het voor elkaar eerst 'zijn zinnen’ te schrijven en daar dan mee te gaan goochelen? Ik vind dat wel knap, maar van Giphart krijgt de speelse Moonen strafpunten. Over Moonen schrijft de nu ineens naar zeggingskracht hunkerende Giphart: 'Zoals veel schrijvers die eigenlijk weinig te vertellen hebben, zegt men ook van Moonen dat hij een groot stilist is. Ik vind dit niet.’ Voor de scholieren onder de lezers (dus: alle lezers van Giphart): 1. Op welke plaats dient het ontbrekende voorzetsel te staan? 2. Wat vindt de schrijver niet? A. Veel schrijvers hebben weinig te vertellen. B. Moonen is een groot stilist. C. Moonen heeft weinig te vertellen.
Over het debuut van Marcel Maassen, Blauwe damp, is Ronald Giphart zeer te spreken, al is er in stilistisch opzicht kennelijk een kritiekpuntje: 'Soms gebruikt hij een beetje overvloedig de stijlfiguur “herhaaltaal” (misschien heeft hij Jeroen Brouwers te goed gelezen), maar dit pakt vaker mooi dan lelijk & overdreven uit.’
Ja sorry hoor mensen, maar hier haakt deze jongen toch echt af. Herhaaltaal? Brouwers? Pakt mooi uit? Deze jongen heeft wel wat beters te doen dan dit soort crypto-shit te lezen. Deze jongen gaat eens lekker televisie kijken. Want televisie kijken is me aftrekken.
Ja, lachen. Als het niet zo triest was. Met één Ronald Giphart valt nog te leven. Maar in een recent nummer van De Groene Amsterdammer las ik over schrijversvakscholen waar jongeren de stief verkopende Ronald Giphart als de goeroe van de 'schrijf maar gewoon, dan schrijf je al gek genoeg’-mentaliteit zien.
We hebben het hier dus over nog veel meer aanstormende generaties. Horden ouwehoerende aftrekkers, studentikoze uit-het-raam-staarders, Tom van Deel-aanvallers en exhibitionistische uitbaters van stervende moeders. Horden opportunisten die grappige dingen gaan doen op de tv. De ene roept over me aftrekken en de ander leert nieuwe generaties meisjes pijpen. Nou, goed kut vind ik dat. Best wel goed kut. Of zo.