Connie Palmens boekenweekessay

Bestaan in verhalen

In Connie Palmens Boekenweekessay De zonde van de vrouw zijn haar fascinaties handzaam samengebald in de korte levensbeschrijvingen van de vier vrouwen, waardoor ze behoorlijk concreet worden, meer vlees krijgen dan in veel van haar andere beschouwingen.

‘Het verstand speelt onder een hoedje met mijn lusten’, schrijft Connie Palmen in de korte beschouwing met de lange titel ‘Noem het gelukkige doodsangst, bange levensvreugde, die twee’. Het verstand verzint de mooiste motieven voor haar dronkenschappen, de veertig Marlboro’s per dag, de afgekloven nagels en sust zelfs dat stemmetje in haar hoofd dat fluistert dat ze zichzelf beschadigt en met haar leven speelt. Sterker nog, het verstand pept haar op dat het zonder verslavingen helemaal niet kán, ‘om het leven te kunnen leiden, moet het leven worden vernietigd’.

‘Noem het gelukkige doodsangst’, dat is opgenomen in Het drama van de afhankelijkheid, haar verzamelde essays, is een vlijmscherp exposé over het eenzame heldendom van de verslaving. Het geeft de dialoog weer die in het brein van elke verslaafde plaatsvindt, waarbij de zelfdestructieve stem altijd de winnende argumenten lijkt te hebben. Het laat zien hoe de roeszoeker in de veronachtzaming van zijn lichaam de domme eisen van de natuur met voeten treedt. Het wijst op de behoefte van de drinker en de roker om het op een akkoordje te gooien met de dood: als de dood een blindganger is die toeslaat wanneer het hem goeddunkt, dan kun je er maar beter bij leven al een verhouding mee beginnen. En het benoemt hoe verslaving gekochte vriendschap is. De verslavende middelen zijn te koop en met alles wat je koopt, koop je de zwaarte van wederzijdsheid af. Je hoeft de genotsmiddelen niets terug te geven. Zoals Palmen het kernachtig uitdrukt: ‘Jij houdt van Johnny Walker, maar Johnny houdt gelukkig niet van jou.’

Met dat laatste komt Palmen op het thema dat als een rode draad door haar essays loopt: het drama van de afhankelijkheid. Verslaafden snakken naar de ontsnapping, hoe tijdelijk ook, aan de afhankelijkheid en de verantwoordelijkheid die het leven met anderen met zich meebrengt. In een wederzijdse vriendschap of liefdesverhouding is de ander niet te koop. Hij of zij is onvervangbaar en daarbij zo menselijk dat hij je kan bedriegen en verlaten of kan doodgaan. Leven met anderen impliceert de acceptatie van afhankelijkheid.

De kloeke bundeling van haar beschouwingen verschijnt tegelijk met De zonde van de vrouw, het essay dat Connie Palmen voor de boekenweek schreef. Daarin portretteert ze vier vrouwen – Marilyn Monroe, Marguerite Duras, Jane Bowles en Patricia Highsmith – die niet alleen beroemd zijn om hun werk, maar evenzeer om hun drang tot zelfdestructie. Alle vier hebben ze te maken met het vroege verlies of de afwezigheid van hun vader, hebben ze voor een andere naam gekozen in het publieke domein, en bedanken ze voor het nauw omschreven vrouwenleven – met man en kinderen, uiteraard – dat voor hen klaarligt. Je zou kunnen zeggen dat ze hun talent en hun persoonlijkheid alleen kunnen ontplooien door het drama van de afhankelijkheid af te wijzen. Alcohol en pillen helpen niet alleen daarbij, maar ook bij het verlangen te verdwijnen, van zichzelf bevrijd te worden.

De zonde van de vrouw is in zekere zin een Palmen-lite. Haar fascinaties zijn handzaam samengebald in de korte levensbeschrijvingen van de vier vrouwen, waardoor ze behoorlijk concreet worden, meer vlees krijgen dan in veel van haar andere beschouwingen. Bijvoorbeeld als het gaat over Norma Jean die zichzelf herschept als de schitterende ster Marilyn Monroe, maar ondertussen haar ‘echte’ zelf, wat dat ook mag zijn, kwijtraakt in het wereldberoemde fantasieproduct. Of in het geval van Marguerite Donnadieu die, zoals ze het zelf zegt, opnieuw geboren wordt als de schrijfster Marguerite Duras en zo haar ongelukkige jeugd ongedaan probeert te maken. Uiteindelijk kan ze het imaginaire leven van het personage Duras niet meer scheiden van het reële leven, waardoor ze de liefde, het drama van de afhankelijkheid, niet meer kan aangaan. Ze kan geen enkele liefde meer vertrouwen, ‘want de liefde voor de vrouw uit het publieke domein is de liefde voor een idool, niet de liefde voor de echte vrouw, voor het beschadigde kind’.

Die fascinaties – voor de verhouding tussen de publieke en de ‘echte’ identiteit, tussen imago en oorsprong, fictie en werkelijkheid, waarheid en leugen, lichaam en ziel – gingen bij Palmen, zo blijkt weer eens uit de bundeling van haar essays, aan haar literaire schrijverschap vooraf, krijgen er telkens weer gestalte in en nodigen voortdurend uit tot expliciterende beschouwing. Met de publicatie van Het drama van de afhankelijkheid maakt ze opnieuw duidelijk dat haar schrijverschap is geworteld in de filosofie; de thema’s in haar werk draaien om, zoals ze het zelf noemt, de ‘koningskoppels’ van de wijsbegeerte. Het gaat haar, stelt ze herhaaldelijk, om grote vragen en grote antwoorden.

Zie hier de inzet van Palmens werk: we bestaan door verhalen, hoe gevaarlijk die ook zijn

Die dodelijke ernst van zichzelf karakteriseert Palmen in haar lange essay ‘Echt contact is niet de bedoeling’ als ‘kwezelachtig’. Even verderop noemt ze zichzelf een ‘nooddruftige metafysicus’ en een ‘drammerige absolutist’. Je kunt daar tekenen van zelfspot in zien, en natuurlijk is die er ook, Palmen is te zelfbewust om zich niet van haar zwaarte bewust te zijn. Maar eerder dan ironie – elders staat een betoog dat afrekent met de gemakzucht van de zelfverontschuldigende ironische levenshouding waar de babyboomers zo goed in zijn – is het zelfkennis: de zin van het leven, het verlangen naar waarheid, hoe meerduidig ook – voor minder doet Palmen het niet. Die grote inzet geeft haar romans een buitengewone intensiteit, maar maakt haar essays tot zeer intelligente maar zware kost. Of beter gezegd: Het drama van de afhankelijkheid is geen boek om achter elkaar te verorberen, maar om tot je te nemen in overzichtelijke hapjes waar je geduldig op moet kauwen. Dat heeft alles te maken met het veelal ontbreken van het verhalende, en dan letterlijk.

In ‘Het weerzinwekkende lot van de oude filosoof Socrates’, Palmens oeressay, de bewerking van haar doctoraalscriptie filosofie die ze maakte voordat ze als schrijver met De wetten debuteerde en die niet lang daarna apart in boekvorm verscheen, gaat het juist daarom, om het verhaal. In haar interpretatie van Plato’s Apologie, waarin Socrates zich verdedigt tegen de aanklacht dat hij de jeugd zou bederven, draait het erom dat Socrates zelf geen schrijver was. Hij werd gedreven door het verlangen zichzelf te bewaren, zijn ‘eigen aard, oorspronkelijkheid en eenmaligheid’, en had daarom een weerzin tegen de weergave. Palmen verbindt dat ook met het bewaken van je eigen naam; niet voor niets zei Socrates over zichzelf ‘ik ben die ik ben’. Maar als je zelf je naam niet gebruikt, je niet jezelf op schrift stelt, dan kun je nog niet verhinderen dat anderen dat wel doen, dat je bestaat in hun verhalen. Zelfs als je zelf wel schrijft gaan anderen met je op de loop. Zoals Palmen spottend stelt: ‘Die Palmen waar u het over heeft, daar kan ik niks aan doen.’

Omgekeerd: op het moment dat je spreekt over een ander en zijn naam gebruikt, werk je mee aan het lot van de ander. Het is zelfs maar de vraag of de eigen aard bestaat los van tekst, van verhalen. Via een naam, via een verhaal (of een foto of film) komt het eigene in handen van een publiek, en publiek zijn, dat houdt volgens Palmen een gevaar in. Dat is precies het tragische lot van Socrates: omdat hij zijn leer niet zelf opschreef, zijn eigen verhaal niet vertelde, werd hij een personage in het verhaal van anderen. Een personage dat zich ertegen verzet een personage te zijn. En tegen die verhalen van anderen kan hij zich niet verdedigen; hij moet ze met de dood bekopen. De oorsprong van verhalen, concludeert Palmen, hangt samen met de dood en met het overschrijden van grenzen.

Zie hier de inzet van Palmens werk: we bestaan door verhalen, hoe gevaarlijk die ook zijn. Dat is óók het drama van de afhankelijkheid: we moeten ons erbij neerleggen dat verhalen van anderen ons bestaansrecht geven. Wat ben je, vraagt Palmen retorisch, als niemand een verhaal over je te vertellen heeft? Het verhaal is gevaarlijk, omdat het de macht van betekenisgeving heeft; voor de verhalenverteller kan het zo een wapen zijn. Het is ook gevaarlijk omdat we weerloos en onmachtig zijn als we zelf betekenis krijgen door de verhalen van anderen. Als je zo nadenkt over het verhaal is het overal: in onze identiteit, die we ook met verhalende middelen samenhang geven; in roem, het publieke verhaal dat los kan staan van iemands privéverhaal; de werkelijkheid is opgebouwd uit verhalen. En de romanschrijver maakt dan weer een literair verhaal van die bij uitstek menselijke neiging verhalen te maken en onderdeel te zijn van verhalen.

In de beste essays in Het drama van de afhankelijkheid krijgt het verhaal steeds weer op een nieuwe manier diepte. Zo wijst Palmen er in ‘Een kleine filosofie van de moord’ op dat moordenaars, en moordenaars van beroemdheden in het bijzonder, zichzelf verwerkelijken met hun daad. Publieke personen behoren tot een symbolische orde; hun moordenaars zien hen niet als echte mensen die kunnen bloeden maar als personages (een symbool). Ze vermoorden dan ook niet een mens, maar een imago. En de ironie wil dat ze door die moord zelf iemand worden, de ‘moordenaar van’.

In haar essay over I.M. stelt Palmen dat het meest provocatieve aan dat boek was dat ze ‘roman’ op de kaft had laten zetten, terwijl ze in deze geschiedenis van haar liefde met Ischa Meijer toch onmiskenbaar putte uit de werkelijkheid. Maar in haar ogen levert de werkelijkheid geen betekenissen zonder maakwerk, kortom zonder verhaal. ‘Het berecht van Lucifer’ is net als de tekst over I.M. te lezen als een apologie van een controversiële roman, in dit geval Lucifer, geënt op het ‘reële’ leven van de componist Peter Schat. Ook in dat essay rekent ze af met wat ze ‘de suggestie van zuiverheid’ noemt: het idee als zouden fictie en werkelijkheid twee scherp te onderscheiden gebieden zijn. ‘De roman’, schrijft ze, ‘is altijd een medium, een tussending, iets tussen werkelijk en fictioneel in.’

De kracht, het gevaar en de dubbelzinnigheid van het verhaal – Connie Palmen reflecteert er diepgaand op in de essays die ze in de loop der jaren schreef. Maar hoezeer ze je ook tot nadenken aanzetten, ze doen je door hun abstractie vooral verlangen naar échte verhalen. Althans, naar de reflectie die hand in hand gaan met verhalen, zoals in Palmens romans. Het mooie is dat Het drama van de afhankelijkheid daar dan ook weer toe uitnodigt, tot lezen en herlezen van haar fictie.