Bestaan zulke mensen nog?

Greshoff is bij Annemiek Recourt een mens en geen optelsom van ideeën © Tessa Posthuma de Boer

Wat heb ik nog van J. Greshoff in de kast? De tiende druk van Verzamelde gedichten, 1967. Vrijwel nooit iets van gelezen, behalve dan de afgelopen weken terwijl ik de bijzonder prettig gedetailleerde Greshoff-biografie las van Annemiek Recourt. In die verzameling staan geen gedichten uit zijn eerste dichtbundel uit 1909, las ik, daar schaamde hij zich later te veel voor. Dat is maar goed ook, bedacht ik kwaadaardig toen ik ergens een paar regels eruit las, ik zal ze hier niet citeren. Aan den verlaten vijver heette die bundel, say no more. Toch mag je er niet al te badinerend over doen, want Garmt Stuiveling rekende Greshoff in zijn vroeger veel geprezen Een eeuw Nederlandse letteren (ik heb de druk uit 1958) tot de ‘meer esthetisch dan intellectualistische generatie Bloem-Van Eyck-Roland Holst-Greshoff’. Daar hoorde hij dus volop bij.

Recourt laat prima zien hoe de hazen destijds liepen: het was een echte vriendenclub, ze zaten bij elkaar in het café, logeerden bij elkaar, steunden elkaar financieel waarbij Greshoff de spin in het web was. Later nam hij dus afstand van deze tamelijk hoog verheven en ijle poëzie, maar de vriendschap zegden ze niet op. Greshoff was een trouw mens, zelfs toen Bloem rare ideeën over het nationaal-socialisme begon te ontwikkelen liet hij hem niet vallen. Met Roland Holst hield hij een grote vriendschap in stand. Roland Holst bezocht hem zelfs na de oorlog in Zuid-Afrika toen hij daarnaar geëmigreerd was. In zijn latere poëzie beoefende Greshoff een concrete praatstijl waarin hij voortdurend bezwaren aanvoerde tegen holle frasen, uitgesleten blabla en verheven praatjes. Ter Braak had er een bijzonder hoge pet van op, hij besprak Greshoffs Verzamelde gedichten, had het over ‘de echtheid van zijn talent’ en prees zijn uiterst persoonlijke stijl en toon, die volgens hem weliswaar niet gespeend waren van ‘vulgariteit en sentimentaliteit’ maar toch altijd ‘le bonheur du vivre’ benadrukten.

Greshoff voerde voortdurend bezwaren aan tegen holle frasen

Zelf zie ik dat allemaal wat minder, er gaat iets vermoeiends uit van Greshoffs soms oeverloos doorstampend rijmende gedichten tegen kleinburgerlijkheid en hol georeer en zijn pleidooien voor het smerige en doorleefde leven. Je zou bijna naar kleinburgerlijkheid gaan verlangen. Recourt probeert zich hierover in te houden, maar af en toe klinkt in haar verder zo liefdevolle biografie toch enige terughoudendheid door. Het kon wel een graadje minder, maar ze wil hem dat (terecht) niet achteraf inpeperen.

Greshoff was een bedreven netwerker. Recourt laat overtuigend zien dat het hem niet alleen ging om de eigen eer en glorie. Hij gunde zijn vrienden en kennissen succes. Hij kende iedereen in Nederland, België (hij woonde jaren in Brussel) en Frankrijk. Hij verbleef vaak in Parijs, sprak vloeiend Frans, kende de literaire wereld daar op z’n duimpje. Je zou hem een schrijfmakelaar kunnen noemen, altijd nieuwsgierig naar nieuw talent en niet te beroerd om de door hem ontdekte talenten met woord en daad (en vaak geld) te ondersteunen. Zonder hem was bijvoorbeeld Willem Elsschot nooit in Nederland doorgebroken. Hij ontdekte Du Perron, was bevriend met Menno ter Braak en stond aan de wieg van Forum. Recourt vertelt een mooi verhaal over een redactievergadering van de Forum-mannen bij de familie Greshoff in Brussel, waarbij de kinderen de heren ‘galmend op de rugleuning van de sofa aantreffen, terwijl Ter Braak de muzikale begeleiding op de piano improviseert’. Ja, dit willen we weten! Greshoff zag ver na de Tweede Wereldoorlog het grote talent van Hans Lodeizen, zonder zijn steun was diens werk niet uitgegeven.

Het was altijd druk bij hem, altijd waren er logés en altijd was er tijd om op café te gaan. Greshoff was zonder meer een literaire bobo, je kwam hem in alle bladen tegen, maar bang hoefde je niet voor hem te zijn: hij naaide je geen oor aan en bleef je trouw als hij iets in je zag, ook als het een keer tegen zat. Bestaan zulke figuren in Nederland nog? Grunberg is natuurlijk een goeie kandidaat, hij is een literaire bobo, schrijft over ongeveer alles in alle bladen maar iedereen is bang voor hem en hij staat er niet bekend om anderen aan een literaire carrière te helpen. Vroeger misschien Joost Zwagerman? Gerrit Komrij? Die was te polemisch. Dit soort figuren bestaan niet meer. Greshoff schreef adembenemend veel en divers, kritieken, lange essays, journalistieke stukken, er moest brood op de plank, in tientallen kranten en bladen. Hij was zijn hele leven tevergeefs bezig met de oprichting van een beslissend literair tijdschrift, waarin hij zijn hoge kwalitatieve eisen aan mederedacteuren kon opleggen.

Recourt schreef een overtuigende biografie, gelukkig zonder zware theoretische uitweidingen over de ‘positie van Greshoff binnen de Nederlandse letteren’ of over zijn ‘status als deelnemer aan het literaire veld’, om maar iets verschrikkelijks te noemen. Ze heeft de neiging Greshoff te beschermen wanneer het over zijn opvattingen en keuzes gaat, waar ze het, ik weet het zeker, regelmatig helemaal niet mee eens is. Dat geeft aan haar boek een mooie, warme en voorzichtige toon. Greshoff is bij haar een mens en geen optelsom van ideeën die we achteraf even snel kunnen weerleggen.