Bestaat god?

Het is een eeuwenoude kwestie: Bestaat God? Zes mensen die het kunnen weten, maar er toch ieder voor zich heel anders over denken, debatteren over de Vraag der Vragen. ‘Nee, wat u doet, dat is nou typisch christelijk.’

BESTAAT HIJ OF bestaat Hij niet? Is Hij misschien een Zij, of een Het? Kunnen we zinvol van gedachten wisselen over het bestaan van God of verzandt zo'n gesprek in onmededeelbare belijdenissen en geplukhaar over definities?
Gelukkig is er een precedent. In een beroemd geworden debat voor de BBC-radio in 1948, getiteld The Existence of God, werden Bertrand Russell en pater F. C. Copleston S. J. het tenminste nog eens over de definitie van hun twistpunt. Op voorstel van Copleston hanteerden ze de volgende omschrijving van God: ‘Een persoonlijk opperwezen, onderscheiden van de wereld en schepper van de wereld.’
Voor het overige kwamen die twee er ook niet uit, dus hoe halen we het in ons hoofd om het met zes mensen nog eens over te doen?
Het begin is alvast weinig hoopgevend. 'Als mij rechtstreeks de vraag wordt gesteld of God bestaat, dan weet ik het antwoord niet’, zegt Cornelis Verhoeven. Als classicus en godsdiensthistoricus heeft hij menig vruchteloos dispuut over God achter de rug. In zijn essay Rondom de leegte schreef hij: 'Hoewel er ongetwijfeld niets belangrijkers is dan religie, vind ik het altijd buitengewoon potsierlijk wanneer een aantal mensen bijeenkomt om van gedachten te wisselen over god. Over god praten in het kader van een semi-gezellige bijeenkomst met koffie en sigaren is onmogelijk. Men disputeert dan ook niet over god, maar over het godsprobleem.’
VINDT HIJ HET wel een wezenlijke vraag of God bestaat?
Verhoeven: 'Dat weet ik niet eens, maar het is niet een vraag waar ik een parmantig antwoord op kan geven.’
De Nijmeegse criminoloog, filosoof en auteur Catharine Irma Dessaur, alias Andreas Burnier, benadrukt gelukkig al jaren de noodzaak om er wel over te spreken. Zij heeft het ook met hartstocht over haar recente herontdekking van het jodendom.
Burnier: 'Ik heb zo ongeveer alles verkend, van hedendaagse geavanceerde wetenschap tot boeddhisme en esoterisch hindoeisme. Met het christendom was ik al krachtig geconfronteerd toen ik tijdens de oorlog ondergedoken zat bij protestanten. Alleen van het jodendom wilde ik niets weten. Maar nu zie ik dat juist als een heel goede verpakking voor wat ik mijn ervaring van het goddelijke of alomvattende noem. Ik heb dus het geluk dat ik geboren ben in een traditie die mij na een lange omweg bleek te passen als een jas.’
En is die ervaring mededeelbaar?
Burnier: 'Je moet onderscheid maken tussen een godservaring en het praten over God, waarbij je het meestal hebt over een voorstelling. Dat laatste leidt tot zinloze discussies. Maar er bestaat zoiets als een godservaring. Je kunt daar eigenlijk alleen in verwijzende termen over praten, zoals je in verwijzende termen met elkaar praat over liefde of haat. Het jodendom is ook absoluut geen geloof. Het goddelijke is voor joden onbenoembaar, zodat ieder dat aspect mag benadrukken dat bij hem of haar past.’
DE SLAVIST EN emeritus-hoogleraar Karel van het Reve benadert wezensvragen nog altijd met ironische afstandelijkheid. Eenmaal genezen van de streng-communistische opvoeding waarvan hij verhaalde in Het geloof der kameraden, heeft hij nimmer een ander geloof omarmd. Van het Reve: 'Ik voelde geen enkele behoefte om naar een andere firma te gaan. Je merkt wel dat er meer in zo'n christelijke godsdienst zit dan in het communisme. Ik moet dan altijd denken aan een anekdote uit de Tweede Wereldoorlog. Een paar mensen waren van plan om een SS'er te vermoorden, maar ze vonden dat toch niet helemaal netjes, dus vroegen ze aan een pastoor of het wel mocht. En die pastoor antwoordde: “Eigenlijk niet.” Toen ik dat verhaal hoorde, ging er een wereld voor me open. Waar ik vandaan kwam was het heel nuttig om een SS'er te vermoorden. Dat het eigenlijk niet zou mogen, dat was een culturele verovering die mijn respect afdwong. Een subtiliteit die je in de complete werken van Marx, Lenin en Stalin niet zult vinden.’
Peter van Rooden komt uit de gereformeerde traditie ('Mijn overgrootvader ging met Kuyper mee en al mijn voorouders hebben van kerk gewisseld’) en doceert godsdienstgeschiedenis aan de Vrije Universiteit. Ook hij mag graag relativeren. Van Rooden: 'Voor de meeste mensen is geloof geen bijzondere ervaring. Voor de meeste mensen is geloof iets wat vanzelf spreekt, zoals de wereld grotendeels vanzelf spreekt. Natuurlijk is er een God. En natuurlijk zorgt God voor de mens - dat is zijn taak. Zelf ben ik ook geen zoeker. Toen ik theologie ging studeren, merkte ik al snel dat ik niet wilde zoeken maar dat ik wilde begrijpen. Hoe heeft godsdienst gewerkt? Hoe stellen mensen zich God voor? Maar ik heb daar geen godsvoorstelling bij.’
'Nou, ik heb echt het goddelijke ervaren, ik kan het zo voor je omschrijven. Maar dat wil helemaal niet zeggen dat ik in God geloof’, zegt Tamarah Benima, hoofdredacteur van het Nieuw Israelietisch Weekblad, om het allemaal nog ingewikkelder te maken. Zij beschouwt godsdienst niet als 'die lange wollen onderbroek waarvoor het wordt gehouden: ouderwets van snit en zo warm dat iedere seksuele opwinding in de kiem wordt gesmoord’, zoals ze het twee jaar geleden formuleerde in een lezing. Benima: 'Hoewel mijn ervaring van het goddelijke als het zijnde heel authentiek was, trek ik niet de conclusie dat er los van mij iets bestaat. Als je een XTC-pil neemt heb je ook een ander soort bewustzijn, een andere beleving. Het is best mogelijk dat ik toen iets deed - yoga of hardlopen of worteltjes eten - wat bij mij een effect teweegbracht waardoor die ervaring ontstond.’
Had die ervaring grote gevolgen?
Benima: 'Alleen toen het wegviel. Dat bracht enorme depressies teweeg. Maar het werkt niet andersom. God is voor mij een construct dat uit mijn eigen psyche voortkomt, uit de geschiedenis, de literatuur. En dat construct werkt. Als ik de kaarsen aansteek, dan werkt dat. In het jodendom leef je volgens de wetmatigheden van de schepping. Zo goed als de natuurwetten tussen aanhalingstekens “waar” zijn, zijn de wetmatigheden van de schepping in het jodendom “waar”. Dat staat los van je geloof in God.’
Burnier: 'Dat verbinden van het begrip geloof aan het begrip God is typisch christelijk. In de andere monotheistische godsdiensten is dat veel minder het geval en in het boeddhisme - dat echt een religie zonder God is - vind je zelfs verschijnselen die sterk op het jodendom lijken. Het koppelen van geloof aan goddelijke ervaringen, is typisch christelijk provincialisme.’
Van Rooden: 'Nee, het uit elkaar halen van de individuele vrome ervaring en de vormen die godsdienst aanneemt, zoals u dat doet, dat is nou juist typisch christelijk. Dat is echt liberale protestantse theologie zoals geformuleerd door Schleiermacher in de vorige eeuw.’
Benima: 'Ik ben het daar absoluut niet mee eens. Spinoza was niet voor niets de eerste die niet meer godgelovig was. In het jodendom is God op zichzelf, die is ver weg.’
VOOR ABDOEL WAHID ('Dienaar van de Ene’) van Bommel staat God, net als bij Burnier, aan het eind van een lange zoektocht. Zijn vader was sociaal-democraat, zijn moeder gereformeerd en zelf was hij als puber nihilist. Na een langdurig bekeringsproces werd hij onder meer woordvoerder bij het Moslim Informatiecentrum Nederland en tegenwoordig is hij voorzitter van de Nederlandse Moslim Omroep. Van Bommel: 'Ik denk dat je pas over dit soort zaken kunt spreken als je een soort bevoegdheid hebt vanuit je eigen ervaring. Aan het eind van mijn puberteit las ik van Gerhard Szczesny De toekomst van het ongeloof en tegelijkertijd had ik een buurman die in Lou was - die palingboer die beweerde zelf God te zijn, en in een drassig slootje eenn godservaring had, dat was voor mij heel visueel, heel dichtbij. Ik zat voortdurend tussen die twee krachten in. Ik maakte in die tijd ook intensief muziek. Wij waren als groep veel bij elkaar, we deden ademhalingsoefeningen, en op een bepaald moment ervoer ik de aardkorst als iets heel duns. Dat was voor mij het toppunt van onzekerheid: als de aarde niet zeker is, wat is er dan nog wel zeker?’
Hoe kwam u bij de islam uit?
Van Bommel: 'Op mijn achttiende bezocht ik een lezing van een aantal Pakistaanse moslims in Hotel Polen. En die stelden zich zo kwetsbaar op - ze zeiden: “Dit geloven wij, maar we geven het zo voor iets beters” - dat ik meteen literatuur aanvroeg en contact zocht.’
Verhoeven: 'En toch, iets in mij verzet zich ertegen om een moeilijk te plaatsen ervaring een godservaring te noemen. Je maakt allemaal wel eens iets mee wat je niet gemakkelijk kunt plaatsen, maar dat is dan per definitie een ervaring die je niet kunt benoemen. Doe je dat wel, dan geef je God een bepaalde identiteit en ontneem je hem Zijn majesteit, Zijn eigen gedaante.’
Burnier: 'Dat is nou typisch zo'n christelijke voorstelling. Als ik het heb over een goddelijke ervaring, dan heeft dat niets te maken met dat malle mannetje dat mannen van God gemaakt hebben. Ik noem het een ervaring van het bovenmenselijke of alomvattende.’
Verhoeven: 'Ach, het bovenmenselijke… Wat mijn verstand te boven gaat is heel makkelijk te vinden, dat is vrijwel alles. Maar te zeggen: waar ik ophoud, daar begint God - daar schrik ik toch voor terug.’
TOT ZOVER LIJKT het godsbesef vooral een individuele aangelegenheid waarover niet veel valt mee te delen, afgezien van rite en moraal, die juist weer los staan van de godsbeleving. Maar godsdienst heeft heel concrete gevolgen. Waarom slaan mensen elkaar bijvoorbeeld omwille van de godsdienst de hersens in?
Burnier: 'Het is een excuus, meer niet.’
Verhoeven: 'Het is natuurlijk het allernobelste smoesje dat je kunt verzinnen.’
Van Rooden: 'Er zijn veel meer mensen doodgeslagen om niet-godsdienstige redenen. Iedereen doet altijd alsof de godsdienst zo ontzettend bloederig is, maar als je naar de geschiedenis kijkt, valt dat allemaal wel mee.’
Benima: 'De geestelijke zelfbeheersing van mensen, dat is nu juist het gevolg van de godsdienst.’
Waar komt die morele kracht dan uit voort?
Benima: 'Bij mij komt die voort uit het effect dat de bijbel op mij heeft. Als ik de Tenach lees, wordt daar iets verteld wat een effect op mijn emotionele beleving heeft, wat aansluit bij waar ik op dat moment zit, en dat heeft gevolgen. De consequentie kan zijn dat ik mijn moeder bel en zeg: hallo, hoe is het met je? Of dat ik mijn geld op een andere manier uitgeef. Ik weet ook niet of God bestaat, ik ga er alleen van uit, alsof - dat werkt beter. Ik vind overigens wel dat het op zaterdag altijd beter weer is dan op zondag, maar dat kan gezichtsbedrog zijn.’
Van Rooden: 'Tamarah kan nu wel zeggen dat zij het jodendom zo beleeft, maar er zijn natuurlijk allerlei andere mensen die ook menen te weten wat het jodendom is. En zo'n gedachte dat het jodendom eigenlijk een godsdienst is die vooral gaat om de persoonlijke ervaring, die is zeer beperkt.’
Benima: 'Nee, ik heb absoluut niet gezegd dat het jodendom draait om een persoonlijke ervaring! Het gaat niet om geloof maar om het inrichten van je leven op een bepaalde manier. Yeshayahu Leibowitz, de joodse filosoof, zei dat men de regels moest volgen omdat God dat zegt, punt uit. De vooronderstelling is dat je weet hoe de schepping werkt, dat je door bepaalde dingen te doen meehelpt aan de schepping, en door bepaalde dingen niet te doen destructieve krachten op de schepping loslaat.’
Verhoeven: 'Ik vind godsdienst eerder een manier om de niet-vanzelfsprekendheid van het bestaan tot uitdrukking te brengen, het wonderlijke karakter ervan, het mystieke. Zo gauw het vanzelfsprekend wordt, wordt het platvloers. Als godsdienst geen lyrisch element in je bestaan vertegenwoordigt, dan is het alleen maar plicht. Ik vind dat lyrische element in mijn katholieke geloof ook pas nu ik er buiten sta. Het is een dierbaar deel van mijn opvoeding, een rijke cultuur waar ik nu als buitenstaander tegen aan kijk. Een Thomas van Aquino, aan wie ik vroeger een grote hekel had, kan ik nu eindelijk lezen omdat ik er niet meer in hoef te geloven. Zo kijk ik ook aan tegen godsbewijzen. Overigens ken ik een atheist die op bestelling sluitende godsbewijzen levert, maar atheist blijft. Dat moest eigenlijk niet kunnen. Dat is nou een intellectuele kronkel die ik interessant vind.’
Van Bommel: 'Een moslimtheoloog heeft eens zevenhonderd bewijzen voor Gods bestaan geleverd. Toen zei een collega: “Wat een zwak geloof heeft die man.” In mijn leven is het geloof gewoon dagelijkse ervaring. Als ik bij Albert Heijn een vrouw en haar dochter zie uitrekenen hoeveel ze kunnen uitgeven, dan voel ik mij heel barmhartig. Ik zie de goddelijke attributen weerspiegeld in de mens: de barmhartigheid, de genade, alle schone namen van Allah, zoals het in de koran heet.’
Verhoeven: 'Maar waarom moet dat nou weer God zijn? Dat is toch gewoon dat sentimentele ventje in jezelf?’
Van Bommel: 'Nee, ik vind de mens te middelmatig om de maatstaf van het heelal te zijn. Van daaruit kan ik mijn diepste ontroering, mijn grootste woede en mijn spiritualiteit niet verklaren. Datgene wat zich in mijn innerlijk afspiegelt, dat heb ik voor mij God genoemd.’
Van Rooden: 'Aha, dat doet mij denken aan de vraag naar de natuurlijke godskennis bij Calvijn. Kijk, als je vroeger in de trein van Amsterdam naar Brussel zat, holde er eerst heel snel een conducteur door de trein. Vervolgens kwam er een andere conducteur die iedereen naar zijn kaartje vroeg. En als je zei dat je geen kaartje had kunnen kopen, zei die tweede conducteur: er is al een conducteur langs geweest, dus u heeft geen excuus, u betaalt de volledige boete. Zo legt ook Calvijn de natuurlijke godskennis uit. De mens heeft van nature kennis van God, hij lijkt ook een beetje op God, net voldoende om ervoor te zorgen dat hij geen enkele verontschuldiging heeft om niet in hem te geloven.’
Burnier: 'Het is volgens mij relevanter om te praten in termen van psychologische typen. Er zijn mensen die iets boven zich willen kennen of vereren, dat vinden ze in een of andere institutie of ze vinden het niet en dan worden ze atheist. En er zijn mensen die in zichzelf die goddelijke vonk voelen. Dat is een onoverbrugbare tegenstelling en die is veel interessanter dan de vraag of iemand atheist is of moslim of katholiek.’
WAAROM HEBBEN MENSEN die die vonk ervaren nog een institutioneel geloof nodig?
Burnier: 'Omdat je als mens altijd een vorm nodig hebt voor wat je ervaart. Dat hoeft niet voor iedereen een kerkelijke vorm te zijn. Mensen die buitenkerkelijk zijn, hebben behoefte aan popstructuren, aan mediastructuren of aan sportstructuren waarin ze hun emoties kwijt kunnen. Of een wetenschapstructuur, dat is een typische hedendaagse instelling.’
Van Rooden: 'Toch zijn er weinig mensen van het type dat zoekt, dat een diepe persoonlijke belevenis wil hebben. Dat zijn in de hele geschiedenis altijd minderheden geweest, ook binnen de grote godsdiensten.’
Burnier: 'Dat geloof ik niet. In de voetbalhysterie zoeken mensen wezenlijk hetzelfde. Het zijn dezelfde oermenselijke impulsen die een ander kanaal zoeken, en daar moet je in eerste instantie in psychologische termen over praten. Wanneer je dingen alleen doet, of in een heel klein verband, heeft dat een totaal andere lading dan wanneer je dat met een gemeenschap doet. Ook die psychologische realiteit wordt in de traditionele godsdiensten vertaald: in het christendom door in een kerk bijeen te komen, in het jodendom met de eis dat er in elk geval minjan - een tiental - aanwezig moet zijn wil het bovenmenselijke zich kunnen realiseren.’
Van het Reve: 'Twee communisten bij elkaar zijn toch altijd nog twee communisten, minjan of geen minjan. Het zou me veel waard zijn om een vereniging op te richten van ex-communisten die samen de oude strijdliederen zouden zingen en zouden luisteren naar grammofoonplaten met redevoeringen van Paul de Groot. Ik heb daar wat oud-partijgenoten over aangesproken, maar ik ben geloof ik de enige die dat leuk zou vinden. Om weer even te beleven dat je met al die lui een groot blok vormt. En het zou uiteraard ordelijk moeten verlopen. Als iemand door zo'n redevoering heen praat, wordt-ie natuurlijk meteen geroyeerd.’
Verhoeven: 'Dat zogenaamd warme gemeenschapsgevoel betekende toch voor veel mensen een afgrijselijke verveling? Ik heb duizenden kerkgangen achter de rug en er was er zelden een bij waar ik mij niet verveelde en geen nieuwe ketterij verzon.’
Van Bommel: 'Voor mij zijn het gezamenlijke gebed of de gezamenlijke vasten in de ramadan een sterk sociaal gebeuren. Je vast de hele dag en dat geeft een bepaald eenheidsgevoel, een solidariteit met mensen die niet te eten hebben, maar ook met andere mensen die vasten.’
Benima: 'Ja, op het moment dat je vast, maak je allemaal hetzelfde proces door. Het is een soort synchronisatie van je eigen psychologische proces met dat van de anderen.’
VAN ROODEN: 'We praten nou wel zo mooi over gemeenschapservaring, maar bijna iedere gemeenschapservaring veronderstelt natuurlijk ook een andere groep. Je zegt eigenlijk: ons jodendom is gezelliger dan dat koude protestantisme, onze islam is zuiverder dan die andere godsdiensten, ons protestantisme is een redelijke godsdienst in tegenstelling tot al dat rituele gedoe. En laten we nou niet doen alsof uit deze persoonlijke ervaringen - het zoeken naar transcendentie, dit zoeken naar gemeenschap - niet ook vijandbeelden voortkomen, momenten van groepsvorming, gericht tegen anderen. Een totale gemeenschap bereik je immers nooit.’
Verhoeven: 'Die groepsvorming komt ook niet voort uit zoeken, maar uit gevonden hebben. Er is in een mens, in het bestaan, een bepaalde radeloosheid waaraan je geen einde kunt maken door een begrippenkader of een institutie te verzinnen die zich tegenover andere clubs kan opstellen. Als je het houdt bij het zoeken en niet gevonden hebben, dan heb je ook geen vijandbeeld.’
Wat een vreselijk postmoderne discussie: iedereen is van God los, iedereen geeft zijn eigen invulling aan het godsbesef en achter onze rug vallen de instituties met donderend geraas in elkaar.
Benima: 'Dat is helemaal niet waar. Ik denk dat zowel Andreas als ik als meneer Van Bommel wel degelijk in die instituties geloven, alleen zit er veel meer flexibiliteit, veel meer relativisme in.’
Van Bommel: 'Je kunt religie ook niet isoleren van de sociale en economische werkelijkheid in diverse landen, dat zou niet reeel zijn. Daar komt bij dat de islam geen kerk kent, hoogstens functioneert de staat zo, en ook die maakt een enorme ontwikkeling door. Turkije is volkomen geseculariseerd, Tunesie ook. Dus je kunt niet spreken van een islamitische institutie. Bij de moslimomroep willen wij ook absoluut niemand bekeren.’
Het jodendom wil ook niet bekeren.
Burnier: 'Daar is het mee opgehouden sinds de pogroms, uit angst een vijfde colonne binnen te halen. En nog steeds is het heel moeilijk, ook voor mensen die er alles voor over hebben, om joods te worden als ze niet joods geboren zijn. De rabbijnen doen alles om het tegen te gaan.’
Ook het katholicisme wint in feite geen zieltjes meer. Het heeft ook niet meer die pretentie de enige wereldgodsdienst te zijn.
Verhoeven: 'Het had iets totalitairs in die tijd, maar het was ook een tijd waarin totalitaire systemen bloeiden. Die totalitaire pretentie had twee kanten. Ten eerste het dwingende karakter: je moest erin, en met huid en haar. En ten tweede - en dat is ook typerend voor totalitaire systemen - was er de belofte dat je je totaal vrij zou voelen als je er eenmaal in zat. Ik denk dat het marxisme dat ook verkondigde. Maar dat had weer geen humor, zoals de roomsen.’
Van het Reve: 'Nee, zo ver ging het niet.’
BENIMA: 'Wat godsdienst als instituut ook heel belangrijk maakt is dat je toegang hebt tot de discussies over maatschappelijke of universele kwesties uit het verleden die in religieuze taal verpakt zijn. Ik ben erg bang voor cultuurverval als mensen religie zonder meer verwerpen en zichzelf de mogelijkheid ontzeggen om daarmee in contact te staan.’
Van Rooden: 'Het historisch bewustzijn is in onze cultuur inderdaad zeer gering. De geschiedenis begint met de Tweede Wereldoorlog, dat is de stichtingsmythe van de Nederlandse natie als eenheid. Als historicus betreur ik dat, omdat ik heel veel van de zestiende eeuw afweet, maar het is niet anders.’
Benima: 'Voor mij begint de geschiedenis niet bij de Tweede Wereldoorlog. In de joodse traditie zit een mystieke ervaring ingebouwd, namelijk de eenheid van plaats en tijd. Die traditie neemt als het ware een blad papier met daarop een uitspraak van iemand die in het jaar nul heeft geleefd, iemand uit het jaar twaalfhonderd en iemand uit achttienhonderd, en beschouwt die als gelijkwaardige meningen die allemaal actueel zijn. Je schakelt het historisch bewustzijn uit, terwijl je tegelijk een historische link legt naar drieduizend jaar geleden. Dat is voor mij een heel essentiele ervaring.’
Burnier: 'Theoretische fysici en kosmologen hebben ook vaak iets wat lijkt op een religieus bewustzijn omdat ze geimponeerd zijn door de complexiteit en de diepte van de natuur. Dat zou je een mystieke ervaring kunnen noemen.’
Verhoeven: 'Het raadsel wordt groter naarmate je je er meer in verdiept. Als iemand met een antwoord op de proppen komt, dan is hij al onbetrouwbaar. Nou heb ik mij niet in heel veel dingen verdiept dus ik mag niet generaliseren, maar als ik mij ergens in verdiep wordt het alleen maar raadselachtiger. Anders vind ik het ook niet interessant, trouwens.’
Van Rooden: 'Ik blijf de meeste onderwerpen heel lang interessant vinden. De geschiedenis is zo vol; ik kan mij eeuwigheden van onderzoek voorstellen.’
Benima: 'Waarom passioneert dat je zo? Wring je je niet in bochten om te vermijden dat je iets zegt over jezelf, dat je er iets godsdienstigs aan beleeft?
Van Rooden: 'Ik beleef niets godsdienstigs. Tenminste, niets wat ik zelf godsdienstig noem. Vandaar dat ik ook geen interessant innerlijk heb.’
Is dat nou het nut van een theologische opleiding?
Van Rooden: 'Ja, het houdt me van de straat.’
Benima: 'Maar waar ligt dan jouw passie?’
Van Rooden: 'Ik vertel dit toch allemaal met de grootste passie?’
Burnier: 'Hij heeft wetenschap als religie.’
Van Rooden: 'Nee, en ik zoek ook niet naar antwoorden in de achttiende eeuw. Die achttiende-eeuwers waren heel tevreden met hun samenleving. “Kijk om u heen”, zo luidt een prachtige uitspraak die ik onlangs las: “Kijk om u heen; waar is het als hier? En kijk terug; wanneer was het hier als nu?” Nou, daaruit spreekt toch een heel tevreden mens. Maar ik maak mij zorgen over de problemen van het eind van de twintigste eeuw, over wat ik denk dat het grote sterven zal worden dank zij de ecologische crisis, de overbevolking. Ik heb een diep-pessimistische visie op de toekomst, in christelijke termen: een apocalyptisch beeld. Maar ik zie ook niet goed wat eraan te doen is. Godsdienst helpt daar niet bij.’
Helpt het Tamarah Benima wel?
Benima: 'Ik denk ook wel eens dat ik uiteindelijk mezelf etend uit een vuilnisbak zal terugvinden. Maar ik voel me ook heel erg beschermd door het jodendom. Dat is voor mij de essentie van het jodendom, dat het beschermt.’