Bestemming is belangrijker dan afkomst

Anil Ramdas, De beroepsminnaar en andere verhalen. Uitgeverij De Bezige Bij, 280 blz., 3 34,90
OP TWEE DERDE van zijn boek De beroepsherinneraar en andere verhalen legt Anil Ramdas een knoop in de draden die hij tot dan toe in deze bundel heeft gesponnen. ‘Multi-culti!, is de titel van het essay waar het hier om gaat. De popie-jopie-uit-drukking met aansluitend uitroepteken maakt dat je als lezer meteen op je hoede bent. Anil Ramdas is zelden uitbundig en bovendien nogal zuinig met humor - het zou hier wel eens om sarcasme kunnen gaan. En inderdaad maken mildheid en relativering die zo kenmerkend zijn voor vrijwel al zijn verhalen, hier even plaats voor een iets fellere toon, waaraan overigens ook een fractie bitterheid niet ontbreekt.

Dat gebeurt hoogst zelden in dit mozaïekachtige boek waarin Ramdas met behulp van verhalende essays, herinneringen, reiservaringen en portretten op zoek gaat naar de betekenis van begrippen als ‘culturele identiteit’ en 'persoonlijkheid’. Niet alleen hier maar het hele boek door spelen vragen als: wie ben ik, waar hoor ik, met wie voel ik me verbonden.
IN KORT bestek vertelt Ramdas over de in Nederland nog steeds aanhoudende kermis van multiculturele manifestaties, meestal georganiseerd door even enthousiaste als goedwillende en betuttelende geesten, bijeenkomsten waarop gekleurde schrijvers, acteurs en beeldend kunstenaars elkaar met enige regelmaat ontmoeten. Het liefst zou hij er nooit meer verschijnen, maar voorlopig blijft die wens een droom. Uitgaande van de vraag of deze 'Marokkaanse, Turkse en Surinaamse vrienden zich werkelijk zo ontworteld en miskend voelen ’, herkent hij ook bij hen het dilemma dat hem altijd in de greep is blijven houden. De knellende tradities verbonden met het land van herkomst zijn hun allang een gruwel, maar een breuk ermee lijkt vooralsnog evenmin een oplossing.
Nederlands patronalisme speelt hierbij een niet te onderschatten rol, betoogt hij verderop. De angst voor vreemdelingenhaat zorgt ervoor dat in dit land een mentaliteit in stand wordt gehouden, die culturele afkomst boven talent stelt.
Hoe een en ander in elkaar steekt, formuleert Ramdas na een kort exposé over de mogelijkheden van emancipatie bij migranten. Daarin zijn 'erkenning’, 'culturele verscheidenheid’ en burgerschap’ sleutelwoorden en wordt afgerekend met het bestaan van een begrip dat al sinds jaar en dag de discussie daarover vervuilt: 'groepsidentiteit’. Na die opmaat wijst hij op het feit dat de verheerlijking van die identiteit ook typisch Nederlands is, 'maar dan in een vorm die wezenlijk kwalijker is: de groepsidentiteit wordt georganiseerd, gesubsidieerd, van staatswege gesanctioneerd. Bij gebrek aan zichtbare obstakels tot zelfontplooiing hebben de culturele instellingen bedacht dat wij ten onder gaan aan ontheemding en nostalgie. Er is sprake van een geinstitutionaliseerd heimwee, en of we nu de ouderlijke cultuur verguizen of ophemelen en onze vaders prijzen en uitkafferen, heimwee zullen we hebben. ’
GEEN omstandigheden die de vorming mogelijk maken van wat Ramdas het 'karakter’ van de allochtoon noemt, de eigen onvervreemdbare persoonlijkheid. De weg naar erkenning en zelfontplooiing is er een van zelfbevestiging. Die mag nooit een retirade zijn in herinnering en tradities - zo blijven achterstanden immers bestaan - maar moet worden afgelegd met de blik op de toekomst. Of, zoals hij het tijdens een’ bezoek aan India tegenover een onttroonde Rajah formuleert: 'Bestemming is belangrijker dan afkomst.
Ramdas is ervan overtuigd dat gekleurde schrijvers en kunstenaars van onschatbare waarde zijn om hun lotgenoten stem te geven. Al in zijn eerste essaybundel, De papegaai, de stier en de klimmende bourgainvillea (1993), verdedigde hij een auteurschap dat zich op doelmatigheid richt. Surinaamse schrijvers, zo heet het daar, moeten 'het gedrag van mensen beschrijven. Ze moeten dat gedrag onderzoeken, de herkomst van de motieven traceren, de geheime drijfveren blootleggen, de wanhoop aangeven ’. In het verlengde van die opvatting introduceert hij nu de 'beroepsherinneraar’, een woord dat hij oppikte uit een recensie, waarin het werd gemunt voor degene die de verwerking van het koloniale trauma mogelijk maakt. Ramdas zet het begrip vervolgens naar zijn eigen hand en maakt er een schrijver van die 'het collectieve geheugen van eenvoudige, gewone en onbelangrijke mensen tot nieuw leven’ brengt. Iemand die de verbeelding van de romancier prikkelt en de aandacht van de historicus trekt, maar zich met geen van beide identificeert. Wars van elke vorm van heimwee of nostalgie, overdenkt en herkent de beroepsherinneraar het verleden voor zover het doorwerkt in de actualiteit van alledaagse leven. In feite zou je het boek De beroepsherinneraar een proeve van zo'n manier van verbeelden kunnen noemen.
Levenslot en visie op de wereld gaan bij Anil Ramdas hand in hand. In de eerste twee delen van het boek behandelt hij zijn thuisloosheid, zijn worsteling met nergensland, zijn switchen tussen Nederland en Suriname, waarbij hij hooguit even troost vindt in het jongleren met de verschillende werkelijkheden waarin hij verstrikt zit. Hij herinnert zich zijn jeugd in Suriname: de jaren doorgebracht in Nickerie, de beslotenheid van het gebied waar de nazaten van de als slaven gehaalde migranten uit India en Java hun idyllische dessa’s reconstrueerden. Hij memoreert de jaarlijkse vreugde rondom het Sinterklaasfeest dat alleen maar gehouden kon worden dank zij die ene blanke die zich kon meten met de lengte van de goedheiligman. Hij beschrijft het kwartje van de Surinaamse onafhankelijkheid, de euforie en daarop volgende roes bij de wisseling van de wacht, die naderhand niet meer bleek te zijn dan het stuivertje wisselen van elitaire machten en ten slotte de in 1977 ondernomen 'vanzelfsprekende reis naar Holland’ waardoor hij in migrant verandert en voorlopig het bestaan van een sloeber zal leiden.
DE AANVANKELIJKE bewondering voor deze even onbekende als andere wereld maakt na enige tijd plaats voor verwondering. Dat wil zeggen: de dingen spreken voor de dolende en trekkende Ramdas niet langer meer voor zichzelf, er ontstaan vragen en waar vragen ontstaan, wordt naar antwoorden gezocht.
In een aantal verhalen, die soms ongemerkt overgaan in essayeren, gaat hij in op zaken die hem bevreemden of raken: de migrant als eeuwige laatkomer, het gevoel van vervreemding, ongemak met het Sinterklaasfeest, de betekenis van de fiets, soul als een manier van kijken en denken (,Soul bestrijkt het terrein tussen nuchterheid en geilheid’), de seksuele relaties tussen zwart en blank, de liefde als lakmoesproef voor een multiculturele samenleving, Nellie Cooman, taboes, zijn 'inburgeringstraject’. Zijn weg zoekend tussen verbijzondering en generalisatie is hij - expliciet of tussen de regels door - regelmatig op zoek naar de ziel van de Nederlander, een fenomeen dat hij op diverse plaatsen reduceert tot Hollander.
Waaruit valt af te leiden dat Anil Ramdas kennelijk meer Randstedeling is dan hij zelf vermoedt. ln elk geval demonstreert hij hier een zwakkere kant van zijn overigens vaak intelligente en innemende manier van beschouwen. Ondanks zijn verzekering 'dat het hele idee van een typering nutteloos, is, maakt hij er zich niet altijd van los.
OOIT ZAG HIJ Madame Bovary als een vroege allegorie voor wat later de migrantenervaring zou worden genoemd, 'omdat ook zij het avontuur zocht, in de spanning van het romantische overspel, in de sensatie van de melodramatische ontrouw. Emma had zich bevrijd uit de gevangenschap van de burgerlijkheid, net als de migrant zich bevrijdt van zijn geboortegrond en zijn gemeenschap’.
Van die romantiek is met een elegant gehaar afscheid genomen. Inmiddels bevestigt Anil Ramdas in de andere wereld aangekomen te zijn, en - zoals hij niet zonder ironie meldt - zich een burgermannetje te voelen.
Zijn nieuwe status heeft een niet te onderschatten voordeel. Sindsdien kent elk vertrek een terugkeer op een thuisbasis. Van de reizen die hij vervolgens maakte en de ontmoetingen die hij had, doet hij in de rest van het boek verslag. Onder meer in een reeks aangrijpende portretten waaruit me de levensgeschiedenis van de Javaan Soerjono nog lang zal heugen.