Betekenen

De betekenis van het tekenen, tot en met 5 november in de Rijksacademie, Sarphatistraat 470, Amsterdam.
In de marge van het jubileum van de Rijksacademie huist de tentoonstelling De betekenis van het tekenen. Samengesteld door docent of, in de nieuwe terminologie, begeleider Frank Van den Broeck. De Rijksacademie leidt sinds 1985 geen studenten meer op, maar verzorgt een aanvullende opleiding voor reeds gevestigde kunstenaars. Omdat nergens het getekende werk van jonge kunstenaars in overzicht wordt getoond, bedacht Van den Broeck dat het tijd werd voor een tentoonstelling. Omdat die samen viel met de jubileumactiviteiten heeft ze wat minder aandacht gekregen dan ze verdient.

Bij de tentoonstelling is een boek verschenen met opstellen van Pietje Tegenbosch, docente aan de academie, en Dirk Lauwaert, publicist en voormalig exegeet van de Parijse deconstructivisten, structuralisten en semiologen. Lauwaert gaat voortvarend te werk: losse gedachten en invallen over het woord en het begrip ‘tekenen’ rijgt hij vaardig aaneen. Tekenen is merken, en daarmee verminken. Tekenen is ook ondertekenen: 'Iedere signatuur dwingt de signerende; impliceert hem in de tekst. Ondergeschiktheid bij het merkteken; verantwoordelijkheid bij de ondertekening.’ Met een reusachtig gebaar ontworstelt Lauwaert aan zulke speelsigheden de conclusie: 'De tekening schept dus stabiliteit.’ Elke hypothese stolt onmiddellijk tot een vaststelling, zodat aan de top van de piramideredenering een wel erg nauwe definitie van tekenen overblijft.
De tentoonstelling zelf geeft blijk van een geheel andere opvatting. Niet alleen strekt die zich uit tot aquarellen, gouaches en andere kleurtechnieken (waar Lauwaert schrijft: 'Het papier kleurt niet op, begint niet blozen en te geuren zoals bij het aquarel; nee, het zwart is een somber spoor’), ook hoeft een tekening niet een definitief zwart spoor te zijn dat iedere beweging van de totstandkoming laat zien: waar German Stegmaier zijn lijnen nooit helemaal uitgomt, daar moet je bij andere tekeningen oneerbiedig dichtbij komen om verbeteringen te kunnen constateren. Tekenen is evengoed weghalen als toevoegen. En dat is niet nieuw: om zijn aquarellen te hogen, scheurde Constable begin vorige eeuw reepjes van het papier, en liet Turner voor dat doel een puntig gevijlde duimnagel staan, zijn eagle-claw.
De exposanten laten de integriteit van het oppervlak echter intact; alleen Mathilde ter Heyne geeft doorkijkjes in een wereld achter de achtergrond die het papier wordt, zodra het wordt betekend. Ter Heyne is tevens de enige die de collagetechniek gebruikt, in haar krijsend gekleurde samenraapsels van al het leuke dat de hedendaagse beeldcultuur te bieden heeft.
Van de 46 aangezochte en 24 geselecteerde kunstenaars werkt alleen Stegmaier abstract; voor het overige is de figuratie glorieus heringetreden. Daarbinnen geven de meest uiteenlopende technieken, formaten en stijlen een enorme diversiteit, van de virtuoze potloodvoorstellingen van Dora Garcia Lopez en de plastische portretten van Wouter van Riessen tot Henri Jacobs’ tekst-en- beeldcombinaties en Erzsebeth Baerveldts koppige uitwerking van haar persoonlijke legende. Zo'n representatief overzicht doet concluderen dat het ambachtelijke tekenen weer in aanzien staat bij kunstenaars uit verschillende disciplines (beeldhouwers, schilders, fotografen), dat vorm- en materiaalonderzoek en abstractie aan belang hebben ingeboet, dat grote formaten uit zijn (alleen Merina Beekman werkt wandvullend), en dat er nauwelijks titels worden gegeven.
De tentoonstelling duurt maar drie weken. Ooit was er in Amsterdam een uitgelezen plek voor tentoonstellingen als deze, maar dat particuliere initiatief heeft de gemeenteraad om hals gebracht. Museum Overholland bestaat echter nog steeds, al is het niet voor publiek geopend. Met wat politieke daadkracht zouden we regelmatig door zulke overzichten op de hoogte kunnen blijven.