Een pleidooi voor vergetelheid

Beter achter de rug

‘Herinneringen maken het leven mooi. Vergeten maakt het leven draaglijk.’ Dat zei Balzac al. In onze herinneringscultuur ligt zoveel nadruk op het vergaren en onthouden van kennis dat we uit het oog verliezen hoe belangrijk vergeten is.

De hele geschiedenis door is kennis, en het onthouden van die kennis, het hoogste goed geweest. En altijd werd beseft dat dit onthouden zwaar werk was, waarbij hulpmiddelen handig waren: opschrijven, knoop in je zakdoek, sneetjes in je kerfstok. Vanaf de Renaissance werd het adagium zelfs ‘kennis is macht’. Geldt de uitvinding van het schrift nog altijd als de grootste prestatie van de mensheid, de uitvinding van de boekdrukkunst gold als de beste archivaris en verspreider van kennis. De zestiende-eeuwse boekdrukker Christoffel Plantijn had dan ook als adagium: ‘Aensien doet gedincken’: het zien van een persoon maakt dat men aan hem denkt; oftewel, het zien van een voorwerp maakt dat men zich iets uit het verleden herinnert.

Daarvoor moest je dan wel een boek inkijken. Nu is ‘het boek’ een permanente audiovisuele cocon geworden, met de smartphone als middelpunt. Dit ‘aensien’ van alles en nog wat heeft een ware bewustzijnsexplosie veroorzaakt. Internet voorziet iedereen met een druk op de knop van feitjes en meningen, aankopen en routeplanners en foto’s. ‘Weet ik al!’, ‘Heb ik al gezien!’, ‘Ja, dûh, heb ik toch op mijn app!’ hoor je als je iemand een verhaal wil vertellen. Wil je iets inhoudelijk over een onderwerp weten, dan heb je na click-click-click en copy-paste binnen een paar minuten vele pagina’s tekst, en ook vele YouTube-filmpjes op je scherm. Zo zijn we een toerist geworden in het heden, en ook in het verleden, ja misschien wel in ons eigen leven.

Natuurlijk, deze informatie-explosie heeft veel goeds opgeleverd, leve Wikipedia. De geïnteresseerde burger leeft nu te midden van een eindeloos grote bibliotheek, en met YouTube en Netflix ook in een onafzienbaar grote videotheek. In elk geval was dit lang de gedachte: internet maakt de éducation permanente mogelijk, en ook de weloverwogen discussie over publieke zaken. Zelfs het stemmen zou elektronisch kunnen gaan. Na die eerste paar decennia van euforie sinds de komst van breedbandinternet medio jaren negentig liggen deze kennisbibliotheken onder vuur. De term uit de jaren zeventig, information overload, is weer terug. Die leidt tot infostress maar ook tot ignorance, onwetendheid en samenzweringstheorieën. Oftewel, meer informatie is minder wijsheid.

Er is zelfs een opkomende wetenschap die zich wijdt aan deze cultureel gevoede twijfel en ‘niet-kennis’, de agnotologie, van agnost: ik weet het niet. Een agnost was vroeger iemand die niet wist of God bestaat. Nu is het iemand die niet zeker weet of kwesties waar de meeste wetenschappers het over eens zijn – klimaatverandering, schadelijke effecten van roken of suiker, het nut van inentingen tegen de mazelen – waar zijn. De ‘handelaren in twijfel’ voeden deze twijfel graag ten gunste van hun goed betalende opdrachtgevers.

De keuze van de Britten voor de Brexit en de Amerikanen voor Trump heeft voor een breuk gezorgd in het denken over kennis. Het is nu overduidelijk dat meer kennis ook minder verstandig kan maken, zo niet uitgesproken dom. ‘Het is niet de information overload, het is een filterprobleem’, zeggen de internetadepten. Doorgewinterde internetcritici als Nicholas Carr daarentegen menen dat de overload alleen maar groter wordt als de filters beter worden: de hoeveelheid internetkennis is immers oneindig geworden. ‘Als u hierin geïnteresseerd bent, dan vast ook hier in’, en dan volgen nog dertig boeken die je kunt kopen. Vroeger hadden mensen hun eigen filters – ideologie, religie, onderwijzers, adviseurs.

Door de digitale technologie stromen permanent lawines van kennis over de buitenwereld naar binnen. Het is bijna onmogelijk geworden om the doors of perception af en toe dicht te houden, laat staan je even geheel af te sluiten en te overdenken wat je zoal zelf in huis hebt (gehaald). De mode van de mindfulness beperkt zich tot het rustig worden om daarna de informatie-explosies weer aan te kunnen. Het heeft niet zelfkennis tot doel. Maar wat is kennis? En hoeveel kennis heeft een mens nodig?

De zestiende-eeuwer Michel de Montaigne, de meester van de scepsis, schreef in een van zijn Essays dat je zoals je een plant te veel water kunt geven zodat die erin verdrinkt het hoofd ook te vol kunt proppen met kennis. Dat maakt het hoofd zwaar en onbeweeglijk. In navolging van de oude Grieken noemde hij de bekwaamheid tot denken, optreden en goed spreken samen ‘wijsheid’.

***

De zekerheid dat alles te weten is wat er moet worden geweten over het heden geldt dankzij internet ook steeds meer voor het verleden. Tenminste… als het over anderen gaat. Immers, bij het herinneren van je eigen verleden is de behoefte om het geheugen in overeenstemming te brengen met het zelfbeeld groter, zoals Friedrich Nietzsche, die grote psycholoog, in een paar luttele zinnen verwoordde:

‘Dat heb ik gedaan, zegt het geheugen. Dat kan ik niet gedaan hebben, zegt mijn hoogmoed. Uiteindelijk geeft het geheugen toe.’

Met betrekking tot de relatie tussen verleden, heden en toekomst was het ook Friedrich Nietzsche die de felste pleidooien zou houden voor het vergeten, en wel om het handelen in het heden mogelijk te maken.

De digitalisering van cultuurgoed heeft het onderscheid tussen heden en verleden vager gemaakt. Digitale archieven hebben het verleden in het heden gehaald, en in elke huiskamer. Daarom spreekt men nu van een breed heden. Dat gaat intussen eeuwen terug. Via de stamboomsite FamilySearch.org (Free Family History and Genealogy Records) van de Mormonen was ik binnen twintig minuten bij een voorouder in 1720.

We beleven dus ‘het einde van de tijd van verval’, en dat heeft enorme consequenties voor ons beeld van anderen, en van onszelf. Onze identiteit wordt gevormd met een contourstift. Anderen schetsen een beeld van ons, en wijzelf doen dat ook, door ons sommige dingen te herinneren – ‘Typisch mij!’ – en andere dingen te vergeten – verdringen, zou Freud zeggen. Dat onthouden beter is dan vergeten, was dan wel een adagium van de Verlichting, maar in de praktijk van het leven was dat veel minder het geval. Want herinneren en vergeten zijn niet positief of negatief, het zijn middelen om het leven aan te kunnen. De negentiende-eeuwse Franse schrijver Honoré de Balzac zei het mooi: ‘De herinneringen maken het leven mooier. Maar het vergeten maakt het leven draaglijk.’

Door de digitalisering van alles is ons geheugen niet meer in onszelf, in onze identiteit, verankerd

Na al die jaren van misplaatste euforie over internet dringt sinds enige jaren het besef door dat bij al dat ‘verleden dat niet voorbij wil gaan’ het urgent wordt meer methoden en wetten te ontwikkelen om dingen te vergeten. Delete: The Virtue of Forgetting in the Digital Age, noemde Viktor Mayer-Schönberger het in zijn gelijknamige studie uit 2009. Nu is internetkennis als wapen tegen de ander dagelijkse kost in de media, niet alleen als het gaat om hate speech en wraakporno maar ook door feitelijke negatieve dingen over het verleden van de ander op te diepen uit het instant-archief dat Google heet. In dat geval is internetinfo net een bak met pek en veren waar je, als je pech hebt, in gegooid kunt worden, en die nauwelijks van je af te schudden zijn.

De politiek heeft dit euvel uiteindelijk ingezien. Op 13 mei 2014 heeft het Europese Hof van Justitie in Luxemburg een opmerkelijk vonnis geveld. Aanleiding was de klacht van de Spanjaard Mario Costejo González. Hij zag zijn reputatie blijvend geschaad door een digitale krantenadvertentie waarin stond dat zijn goederen verbeurd waren verklaard. Dat was vijftien jaar eerder. Hij was er intussen veel beter aan toe, maar de informatie bleef hardnekkig rondzingen. Het Hof moest een afweging maken tussen het persoonlijke recht op databescherming en het recht op openbaarheid van informatie. Het vonnis, neergelegd in artikel 17 van de Richtlijn voor Databescherming, zegt nu dat individuen het recht hebben dat persoonsgegevens uit internet verwijderd worden – dat wil zeggen de links via zoekmachines als Google – als ze schadelijk zijn voor de reputatie of loopbaan én er geen algemeen belang is bij deze informatie. Er bestaat nu dus een ‘vergeetrecht’. (De Algemene Verordening Gegevensbescherming, avg, die op 25 mei 2018 van kracht is geworden is hier een follow-up van).

Het vonnis uit 2014 ‘kan als een cesuur in de geschiedenis van de mensheid worden bezien’. Dit oordeel velt de gelauwerde Duitse expert in de herinneringscultuur Aleida Assmann in haar boek Formen des Vergessens (2017). Kernstelling: herinneren en vergeten hebben stuivertje gewisseld, wat nieuw is in de geschiedenis. Het gevolg is dat daardoor de oude methoden waarmee we omgaan met gevoelige informatie over anderen, over je zelf, over het ‘verkeerde verleden’ en het getraumatiseerde verleden van individu of groep – tact, zwijgen, de afspraak ‘zand erover’ – niet goed meer werken.

Nu is het herinneren en herinnerd worden niet alleen maar een zegen, maar ook steeds vaker een vloek. Sterker, als verleden en heden door elkaar lopen, en als alle mogelijke informatie digitaal beschikbaar is, en niet langer in je lichaam hoeft te worden opgenomen, dan verliest men de contouren van zijn identiteit. Nu ook de persoonlijke toekomst beter voorspeld kan worden, op basis van je dna bijvoorbeeld, wordt het heden steeds zwaarder. Te meer omdat onze identiteit steeds meer een narratieve identiteit wordt: het verhaal dat je van jezelf maakt. Een wetenschapper als Andrew Hoskins meent daarom zelfs dat door de digitalisering van alles ons geheugen helemaal niet meer in onszelf, in onze identiteit, is verankerd: het is vrij shoppen geworden. Dit hyperbewustzijn en de hyperopvattingen over het zelf als bouwpakket leiden volgens cultuurfilosofen als Byung Chun-Han samen tot die epidemie van burn-out. Aleida Assmanns conclusie is iets voorzichtiger: ‘Het heden lijdt eronder dat ze het vergeten verleerd heeft.’

Waarom is vergeten in het verdomhoekje geraakt? Ten eerste omdat de relatie tussen heden, verleden en toekomst verstoord is geraakt, al bestaat daar geen vaste verdeelsleutel voor. In mijn jeugd waren er vooral heden en toekomst, want die toekomst zou mooi, mooier, mooist worden. Nu diepen historici en activisten het ene na het andere trauma in eigen verleden of het verleden van de natie of het hele Westen op uit de archieven. Niet zelden om daarna die oneerlijk geachte gebeurtenissen tot inzet te maken van politieke strijd om erkenning af te dwingen voor het geleden leed, en soms zelfs schadevergoeding. Zoals de Franse cultuurcriticus Pascal Bruckner het gevolg van al dat graven in het eigen ‘verkeerde verleden’ in zijn polemische boek The Tyranny of Guilt: An Essay on Western Masochism (2006) noemde: ‘een burgeroorlog van onverzoenlijke herinneringen’.

***

Een belangrijk element in het pleidooi voor vergetelheid is ook dat vergeten een beproefd middel is om iets nieuws te creëren, of om zich een eigen identiteit aan te meten. Het kapitalisme is door Joseph Schumpeter ooit creatieve vernietiging genoemd. En het consumptiekapitalisme wil ook dat je zo veel mogelijk spullen van gisteren vervangt door spullen van vandaag, of, liever nog, van morgen.

Het vergeten is ook altijd een belangrijke culturele strategie geweest, zoals de negentiende-eeuwse Amerikaanse schrijver Ralph Waldo Emerson al wist. Om cultureel vernieuwend en geestelijk zelfstandig te worden, moet men veel kwijtraken en opbergen in het ‘onvermijdelijke graf dat de schepping van het nieuwe denken voor het oude opent’. De Amerikanen in zijn tijd wilden zich ontdoen van de Europese identiteit om een eigen identiteit te ontwikkelen. Emerson construeerde een ‘oud Europa’ dat gebukt ging onder de last van tradities en geschiedenis; daar stelde hij de ‘jonge natie’ Amerika tegenover met haar veelbelovende toekomst. Zijn werk wordt nu als een ‘culturele onafhankelijkheidsverklaring’ gezien. Emerson noemde zichzelf ‘an endless seeker with no past at my back’. Daarom werd hij hét voorbeeld voor Nietzsche, de bekendste bestrijder van ‘de historische ziekte’ die door al dat herinneren het handelen in het heden verlamt.

***

Biedt de digitalisering de technische mogelijkheid het heden en verleden te laten samensmelten, het was de holocaust die voor de grote omslag naar herinneren zorgde. De herinnering aan eigen schuld vindt maar moeilijk ingang in het persoonlijke geheugen, en dat geldt ook voor de collectieve herinnering. Het nationale geheugen wordt gewoonlijk geregeerd door hoogmoed of de herinnering aan het eigen lijden. Dat gebeurde ook in de Tweede Wereldoorlog, en leverde na afloop van deze gruweltijd de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (1948) op.

De Duitsers hebben in hun poging weer erkend te worden door ‘de internationale gemeenschap’ gekozen voor de dubbelstrategie van het as strooien op het eigen hoofd en schadevergoedingen strooien over de slachtoffers van de nazi’s, én de belofte om een nieuw Duits nationalisme onmogelijk te maken door op te zullen gaan in ‘Europa’. Vanaf de jaren zestig werd de holocaust langzaam maar zeker het kernpunt van die oorlog, en werd er ook meer en meer herinnerd aan het eigen falen om de joden in eigen land te beschermen.

Vanaf de jaren tachtig maakte het algemene naoorlogse kader van ‘de mensenrechten’ het mogelijk dat er een nieuw nationaal en westers geheugenkader ontstond: een ‘politiek van berouw’, zoals Aleida Assmann het noemt. Nu werd de publieke schuldbekentenis mogelijk, en werd de herinnering aan zelf begane misdaden toegelaten in de nationale herinnering. Westelijke staten namen vaker de verantwoordelijkheid op zich voor de eigen historische misdaden en probeerden de perspectieven van de slachtoffers in ‘het nationale verhaal’ te integreren. Het kernbegrip werd het woord trauma.

Een trauma was altijd een acuut opgelopen fysieke wond, ontstaan bij een ongeluk of geweldsactie. Vanaf het moment dat de opdracht van holocaustoverlevende Primo Levi – ‘De plicht zich te herinneren’ – standaard werd in onze herdenkingscultuur, rond 1980, werd trauma in het algemeen een psychische wond die niet wilde helen. Sommige schrijvers, zoals Jacques van Doorn, Ian Buruma en Jolande Withuis, schreven destijds kritisch over de proliferatie van het begrip ‘oorlogstrauma’. Steeds meer groepen gingen zich beroepen op een traumatisch verleden, dat als zo’n last werd ervaren dat deze niet zonder professionele hulp afgeschud kon worden.

De ideologie van het succes en de emancipatie van de emotie leidden tot wat ik begin deze eeuw betitelde als een emotiecultuur. Die is in mijn ogen intussen verworden tot een slachtoffercultuur. Dat woord is niet onomstreden, omdat het woord slachtoffer intussen heilig is geworden. En het woord herinnering hoort hierbij. ‘Herinneren tegen vergeten’ is bij elke herdenking van oorlog, genocide, slavernij of uitbuiting en vernedering in het verleden de slogan geworden.

‘De zwakte van het geheugen verleent de mens zijn kracht’

Het probleem bij herinneren en vergeten is dat ze elkaar kruisen en elkaar overlappen, het is een permanent complex proces van interactie, dat gevraagde en ongevraagde resultaten oplevert. Soms kan de gewenste herinnering worden opgeroepen (Marcel Proust met zijn madeleine). Soms dringt de ongewenste herinnering binnen, omdat de kracht ontbreekt deze buiten te houden. Vandaar de tegenovergestelde waarderingen van ‘de herinnering’. Terwijl Proust de onwillekeurige herinnering zag als een seculiere vorm van Openbaring en als het terugvinden van een verloren gewaande tijd sprak Nietzsche over de niet geroepen maar terugkerende herinnering ‘als een onaangename gast die niet in een latere tijd past. En daar ook niets te zoeken heeft.’

***

Van de zeven categorieën vergeten die Aleida Assmann onderscheidt zijn het automatische vergeten, het vergeten door iets op te bergen in een archief en het selectief vergeten het ‘normaalst’. Is de canon het actieve ‘werkgeheugen’ van de samenleving, het archief is de wachtkamer van de geschiedenis waar de schijndode bronnen wachten op herontdekking. Meer omstreden was altijd het selectieve vergeten. Al weten we intussen wel dat vergeten heilzaam is omdat het overtollige informatie reduceert, om een psychose te voorkomen, en om handelen mogelijk te maken. Geestelijk vader van deze gedachte is Nietzsche, en na hem zijn Franse collega-‘vitalist’ Henri Bergson: ‘De man van de daad kenmerkt zich door zijn bekwaamheid om belangrijke herinneringen op te kunnen roepen. Door in zijn bewustzijn een barrière op te richten die hem beschermt voor de massa van onsamenhangende herinneringen.’ Bertolt Brecht zei het rond 1930 nog korter: ‘De zwakte van het geheugen verleent de mens zijn kracht.’

De meest negatief beoordeelde vorm van vergeten is de damnatio memoriae, de vervloeking van de nagedachtenis. Een mens leeft als zijn naam wordt genoemd. Beitel je zijn naam van het standbeeld, verwijder je deze uit het archief, dan moet hij symbolisch voor de tweede keer sterven. Het communisme was er meester in. Eveneens negatief is het ‘medeplichtige zwijgen’. De pleitbezorgers van de vernieuwende en transformerende kracht van het zwijgen en vergeten, waartoe ik mijzelf ook reken, maken gelukkig wel een uitzondering als het gaat om het beschermen van daders.

Aartsbisschop Philip Wilson van Australië werd afgelopen juli veroordeeld omdat hij in de jaren zeventig had gezwegen over het seksuele misbruik dat een andere priester beging bij jonge jongens. Bij dit soort zwijgen zijn er drie partijen actief, die elkaar versterken: de dader zwijgt (uit zelfbehoud), het getraumatiseerde slachtoffer zwijgt (uit schaamte), en de samenleving zwijgt (uit opportunisme). Pas als de samenleving bereid is het slachtoffer aan te horen wordt het taboe doorbroken, vaak met de kracht van een dambreuk, zie de huidige crisis in de rooms-katholieke kerk.

Tot slot hebben we het positieve of constructieve vergeten. Individuen kunnen zeggen: ‘Ik heb het verwerkt’, of: ‘Ik doe de luiken dicht’, of: ‘Ik ga emigreren.’ Dan is een nieuw begin het doel, een tabula rasa. Dit gebeurt soms ook bij hele volken, vooral als ze een burgeroorlog achter de rug hebben. Dan is de afspraak om niet meer over de gruwelen van gisteren te praten een beproefde manier om een gezamenlijke toekomst te beginnen. Het beroemdste voorbeeld is het Vredesverdrag van Münster/Osnabrück uit 1648, dat een einde maakte aan de Dertigjarige Oorlog. Daarin stond deze afspraak: Perpetua Oblivio et Amnestia, ‘voor altijd vergeven en vergeten’. Elke amnestie betekent vergeten.

Spanje heeft deze koers na het einde van de dictatuur in 1975 ook gekozen, met veel materieel succes, zoals toetreding tot Navo en EU. Pas nu woedt de discussie over de vraag wat te doen met de straatnamen van fascisten, of met het mausoleum van Franco buiten Madrid. Hier toont zich de waarheid van de bekende frase van schrijver William Faulkner: ‘The past isn’t dead. It isn’t even past.’ De discussie over het verleden kan altijd weer oplaaien. Al denken veel tijdgenoten in al hun bekrompen hoogmoed dat zijzelf daarvan zullen zijn uitgezonderd.

***

Intussen hebben ook de evolutiepsychologen en neurowetenschappers de positieve betekenis van vergeten ontdekt. Vergeten is belangrijk om je van aangeleerde of aangeboren oerangsten, zoals een spinnenfobie of een pak slaag als peuter, te bevrijden. En is ook wezenlijk om nieuwe dingen op te kunnen nemen. Een geheugen waarin de synapsen aan elkaar vastgekleefd zitten, kan zich niet aan nieuwe omgevingen aanpassen.

Het therapeutische vergeten kenmerkt zich door de herinneringen weer op te roepen om vervolgens via trucs de emotionele lading ervan te verminderen, en de destructieve kracht van de herinnering deels of geheel te neutraliseren. Nu is de techniek van de Eye Movement Desensitization and Reprocessing (emdr) erg in de mode. Het is kortstondig, dus goedkoop en blijkt effectief. Simpel gezegd: je haalt het trauma terug in je gedachten, de therapeut zwaait met de vinger heen en weer voor je ogen als een metronoom. Het gevolg is dat de herinnering aan het trauma vervlakt, misschien omdat de hersenen ook nog die vinger moeten volgen, niemand die het precies weet.

Een andere upcoming tak van traumaverwerking is de ImRs: Imagery Rescripting. Je trauma is bijvoorbeeld dat je als kind opgesloten werd in een donkere kelder. De therapeut laat je je verbeelden dat je tóch wist te ontsnappen naar de tuin, door dat geheime luikje in die kelder. Dat beeld herhaal je enkele keren per dag en dan, zo is de bedoeling, overschrijft die ingebeelde herinnering die akelige oude. emdr schijnt echt iets nieuws te zijn, deze ImRs is dat niet: onze verbeeldingskracht is altijd aan het werk.

Waarom al dit soort vervormende, afleidende of verdringende methoden werken is nog altijd niet duidelijk. De werking van de menselijke geest blijft een black box. Maar was vroeger de fysica het summum van wetenschap, nu is de biologie dat. Het idee dat onze geest een organisme is dat een trauma kan oplopen leidt gelukkig via die traumatherapieën tot meer aandacht voor de optie om niet te blijven vasthouden aan dat trauma, maar zich te focussen op manieren om er vanaf of voorbij te komen.

***

Voor Nietzsche was vergeten noodzakelijk om voor de handelende mens sterke motivaties als moed en daadkracht overeind te houden. Ook de twintigste-eeuwse filosofe Hannah Arendt zei dat er geen handelen is zonder vergeten. Zij gaat echter niet, zoals Nietzsche, uit van een handelende mens die zich blind maakt – en moet maken – voor de perspectieven van anderen en zich ook geen zorgen maakt over de gevolgen. Die onoverzienbare gevolgen van elke daad staan bij Arendt juist centraal. Waarom?

Vergeving is niet alleen een religieuze zaak, maar ook een voorwaarde in de politieke praktijk

Om deze reden. Elke daad is onomkeerbaar en kan in zijn gevolgen niet herroepen worden. Deze onverbiddelijke wet kan voor Arendt alleen door vergeven en vergeten door de omgeving buiten werking worden gesteld. In De menselijke conditie schrijft zij: ‘Als wij niet het vooruitzicht hebben op vergeving en de bevrijding van de gevolgen van ons handelen, dan zou ons vermogen om te handelen tot één enkele daad beperkt zijn, van welke wij ons nooit meer kunnen herstellen. Wij zouden voor altijd het slachtoffer van haar gevolgen zijn, zoals de tovenaarsleerling die de magische formule vergeet waarmee hij de ban zou kunnen breken.’

Wie de lessen van Nietzsche en Arendt, en natuurlijk Jezus Christus, het overtuigendst in de praktijk heeft gebracht is de man wiens honderdste geboortedag afgelopen juli allerwege werd herdacht met boeken, dagboeken en documentaires, en die in het jaar 2000 werd verkozen tot meest bewonderde man in de wereldgeschiedenis: Nelson Mandela.

Het therapeutische vergeten voor individuen en groepen betekent in de praktijk meestal: de bladzijde moet worden gelezen, liefst hardop, voor ze kan worden omgeslagen. Bij de christelijke biecht moest de gelovige ook de hele lijst van begane zonden opzeggen voor die door de absolutie van de priester konden worden gedelgd, na het verrichten van de boetedoening van zoveel Onze Vaders, of een bedevaart of financiële donatie in vroeger tijden. In het Griekse tragedietoneel gebeurde hetzelfde: de last van het verleden moest nog één keer gezamenlijk worden beleefd om daardoor overwonnen te worden. Dat was de catharsis. Het is allemaal niet vergeten, maar de emotionele lading is eruit gehaald.

Wat Mandela deed ging evenwel een stap verder. Hij vergaf zijn vijanden. Net zoals Václav Havel in 1990 de communistische leiders vergaf die hem als dissident zo lang gevangen hadden gezet. Om een gezamenlijke vreedzame toekomst mogelijk te maken voor het hele land.

***

Ik ken geen kortere tekst, nog geen zes pagina’s, over de potentie van vergeving als geneesmiddel dan de rede die de Franse filosoof Paul Ricoeur hield in Parijs in 1994. De titel luidde Kan vergeving genezen? Het antwoord is ‘ja, maar na zware arbeid’. Ook na de val van de Muur, toen er opnieuw de noodzaak was om het dictatoriale verleden te integreren in het gedeelde geheugen, kon men zien dat sommige volken lijden aan een teveel aan geheugen, ‘alsof ze achtervolgd worden door de herinnering aan de vernederingen die in een ver verleden werden ondergaan, evenals door die aan lang vervlogen roem’. En dat andere volken lijden aan te weinig geheugen, ‘alsof zij het spook van hun eigen verleden ontvluchten’. Ricoeur gaf zijn eigen Fransen – Vichy, Algerije – als voorbeeld van het laatste. Je kunt dus te veel geheugen hebben, te weinig geheugen, last hebben van een exces aan geheugen en een gebrek aan geheugen.

Bij de vraag wat de relatie is tussen herinneren en vergeten sloot Ricoeur aan bij Freud. Die concludeerde: de patiënt herhaalt in plaats van zich te herinneren; iets heeft de plaats ingenomen van de verwachte herinnering. Die patiënt moest, aldus Freud, ophouden met kreunen, maar de moed vinden om ‘de ziekte te beschouwen als een waardige tegenstander, als een deel van zichzelf, als een grond waaruit hij kostbare bronnen hoort te putten voor het verdere leven’. Anders komt er geen ‘verzoening’ tot stand.

Hoe werkt dit in de praktijk? In feite zegt Ricoeur hetzelfde als de aanhangers van Imagery Rescripting – en wat de geschiedschrijving, literatuur en kunst altijd al hebben gedaan: herschrijf dat verleden. Want het is een illusie dat alleen de toekomst onbepaald is, en het verleden bepaald en gesloten. De voorbije feiten zijn misschien onuitwisbaar, maar de ‘zin’ van wat ons is gebeurd is niet voor eeuwig vastgelegd. Je kunt de morele lading van het verleden veranderen. En zo zet de arbeid van de herinnering ons op het pad van de vergeving.

Het originele van Ricoeur is dat hij het freudiaanse begrip herinneringsarbeid verbindt met een ander freudiaans begrip, dat van de rouwarbeid (uiteengezet in Trauer und Melancholie)._ De rouwarbeid bestaat er dan in zich geleidelijk los te maken van het liefdesobject – dat soms ook voorwerp van haat is – tot op het punt waar het opnieuw geïnternaliseerd kan worden, in een beweging van verzoening die lijkt op onze herinneringsarbeid.

Ricoeur plaatst de vergeving op het kruispunt van herinneringsarbeid en rouwarbeid. Men kan immers slechts vergeven wat niet is vergeten. De schuld moet worden weggenomen en niet de herinnering. Anderzijds gaat de vergeving gepaard met een actief vergeten, zoals in de rouwarbeid. In die zin is zij genezend.

Maar herinnering en rouw zijn niet voldoende voor vergeving, daar komt de ‘gave’ bij, de gave van de generositeit. Vergeving wordt gevraagd, en kan worden geweigerd. Daarom is de geschonken vergeving ook zo groots. Ricoeur geeft Arendt gelijk dat vergeving niet alleen een religieuze zaak is, maar ook een voorwaarde is in de politieke praktijk.

In onze ‘cultuur van berouw’ en ‘geschiedenis als burgeroorlog van onverzoenlijke herinneringen’ is het goed met Ricoeur de grootheid van Nelson Mandela en andere unieke politieke leiders, zoals bondskanselier Brandt met zijn knieval in Warschau (1970) voor de misdaden van de nazi’s jegens de Polen, of de koning van Spanje na de dood van Franco in 1975, te blijven herinneren. Want wat deden zij? Zij vroegen vergeving aan de slachtoffers voor wat hen niet door henzelf maar door ánderen – hun misdadige politieke voorgangers – was aangedaan. Door dit soort grootse gebaren van generositeit toont de vergeving zich als cement tussen herinneringsarbeid en rouwarbeid.

In de afgelopen decennia is de herinneringscultuur tot een echte wetenschapsdiscipline uitgegroeid, maar ook tot een kenmerk van de samenleving zelf. Dat lijkt mij op zich niet onterecht. ‘There is always another story, there is more than meets the eye’ (W.H. Auden). Het is dus goed om de verhalen van anderen over hun trauma’s uit het verleden met een welwillend oor aan te horen, en deze daarna een plek te geven in de gezamenlijke geschiedenis. Sommigen hebben ervoor gepleit om ook een vergeetkunde tot wetenschap te verheffen. Dat is echter een contradictio in terminis. Als je bewust iets wil vergeten, ben je het dus niet vergeten. Beter is om de relatie tussen verleden en toekomst weer iets gezonder te maken. Het tegendeel van herinnering is niet vergeetachtigheid, het is geschiedenis, kritische geschiedenis die voor iedereen waar is.

Het beste, of snelst werkende, medicijn voor een gezondere houding in het heden is het formuleren van een wenkend perspectief in de toekomst. Dat maakt het heden minder zwaar, en daarmee het verleden ook.


Henri Beunders is hoogleraar ontwikkelingen in de publieke opinie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam