Beter dan een seresta

Thomas Mann, De Toverberg. Vertaling Pe Hawinkels, De Arbeiderspers, 972 blz., f69,-
ZO'N TIEN JAAR geleden was ik even zelf een teringlijder. Ik was op wintersport in het Zwitserse hooggebergte en blesseerde mijn knie. Skien kon ik toen niet meer, ik kon wel de berg op en me met een boek bij een berghut nestelen. Ik zette een ligstoel in een zachte deken van sneeuw, wikkelde mijn lange winterjas met grote slagen om me heen en las. Soms draagt de leesomgeving sterk bij aan de kwaliteit van het gelezene. De op en top Engelse romans van Jane Austin verslond ik als puber onder een knoestige eik op de glooiende heuvels van het Engelse park in de buurt van mijn ouderlijk huis.

In het hooggebergte las ik De Toverberg. De ligstoel werd een rustbed, mijn jas de wollen deken die Hans Castorp steeds bedrevener als een envelop om zich heen vouwde, de zonnebaders naast mij waren medepatienten, mijn zere knie werd een zwakke plek in mijn longen. Inderdaad, mijn identificatie was wel van het heel romantische soort.
Zoals bekend beschrijft Thomas Mann in De Toverberg de deftige teringlijders die voor de Eerste Wereldoorlog in een sanatorium in Davos een luxe en ledig leven leiden. Mann schildert een wereld waar hij zelf kortstondig in verkeerde: in 1912 moest zijn vrouw, om van een lichte longaandoening te genezen, zes maanden rusten in een herstellingsoord in Davos. Hij bezocht haar en logeerde er drie weken. De chef-arts onderzocht ook zijn longen, ontdekte prompt een zieke plek en adviseerde hem een half jaar te blijven kuren. ‘Als ik zijn raad had opgevolgd’, zei Mann in 1939 tijdens een lezing voor studenten aan de Amerikaanse Princeton University, 'wie weet, lag ik dan misschien nog steeds daarboven.’ In plaats daarvan begon hij aan De Toverberg, de roman waar hij twaalf jaar lang aan zou werken.
HANS CASTORP, de hoofdpersoon van de roman, doet het sanatorium aanvankelijk ook aan voor een tijdelijk verblijf. Hij is een vierentwintigjarige ingenieur die zijn tuberculeuze neef Joachim Ziemsen, een ongecompliceerde beroepsmilitair, voor drie weken zal bezoeken. Al na een paar dagen begint ook hij koortsachtig te worden en brengt een onderzoek aan het licht dat hij net als de andere bewoners van de Toverberg een 'vochtige plek’ in de longen heeft. Hij blijft niet drie weken, maar zeven jaar. Aan het eind van het boek, in 1914, verlaat hij Davos zonder geheel genezen te zijn om zich in het 'kwalijke dansfestijn’ van de oorlog te storten.
Nu gaat het in De Toverberg niet zozeer om de handeling, want die is niet spannend en arm aan uiterlijke gebeurtenissen. Nee, het gaat om de wereld van verfijnd verval die Mann de lezer voorspiegelt, het schimmenrijk 'hier oben’, ver van het 'Flachland’, waar andere wetten en waarden gelden. Terwijl op het vlakke land vooruitgang, gezondheid, leven en een duidelijke moraal heersen, wordt de Toverberg beheerst door stilstand, ziekte, dood en morele ongebondenheid. En dat hoog gelegen schemergebied, dat zich letterlijk tussen hemel en aarde uitstrekt, is door Mann met een scherp oog voor details uitgewerkt. De vijf overvloedige maaltijden per dag; de beleefd-onbenullige tafelconversaties; het pruttelen, ruisen en fluiten van de longen van de patienten; de morbide zuurstofflessen voor de kamerdeuren van de stervenden; de blauwwangige geneesheer Behrens die bij iedereen standaard een ooglid omlaag drukt, waarop steevast de diagnose 'totaal anemisch’ volgt - Mann schetst het allemaal met sardonische precisie.
HET KON HAAST niet anders of een tweede lezing moest op een lichte teleurstelling uitlopen. Met mijn voeten in de sneeuw ging ik volledig op in de delicate indolentie van het santoriumleven. Toen ik het boek later, veel minder romantisch, in Amsterdam herlas, groeide de verveling en ergernis. Nu, bij een derde lezing, blijkt dat het boek behalve een probaat slaapmiddel, een regelrechte steen des aanstoots is. Het lezen van De Toverberg is als het wandelen over stroperig asfalt. De breedsprakigheid en gedetailleerdheid van de roman - alweer een maaltijd - maken dat ik steeds wegdommel. De ellenlange twistgesprekken tussen de liberale vrijmetselaar en literaat Settembrini en de reactionair, jezuiet en communist Naphta doen mij vooral geeuwen. Het rijke burgerlijke leven dat in het boek wordt getekend, is mij, met al zijn afkeer van zinnelijkheid, zijn belachelijke beheerstheid en bedaagdheid, zijn strikte normen van fatsoen en wellevendheid, een gruwel. De preutse, stijve, flegmatieke Hans Castorp, die 'kleinburgerlijke wijsneus’, dat verwende rijkeluiszoontje, roept op tot wrevel, geenszins tot identificatie. De pedante alwetende verteller wil ik het liefst naar de keel vliegen.
Natuurlijk betekent mijn irritatie niet direct diskwalificatie. De Toverberg is een monumentale roman, waarin - voorzien van allerlei mythische, filosofische en symbolische lagen - subtiel de principiele chaos en verwardheid van de wereld wordt voorgesteld. Veel van mijn ergernis is dan ook inherent aan het boek. Neem de verveling. Op de Toverberg tellen andere tijdseenheden, tijd speelt er eigenlijk geen rol. Het bergklimaat kent nauwelijks jaargetijden: het kan er elke dag sneeuwen, elke dag is er kans op zon. De ijzeren dagindeling van het sanatorium maakt dat de tijd een amorf geheel is. De tijd vervaagt zozeer dat de patienten in een eeuwig heden leven en de tijd geheel afwezig is. 'Wanneer men van de verveling dus zegt dat ze de tijd lang doet vallen, is het nader beschouwd veeleer zo dat ze de tijd kort, een ziekteproces ten gevolge van monotonie.’
Mijn gapen en slapen is dus een verdienste van de roman: een bladzijde duurt inderdaad een eeuwigheid.
OF NEEM de slome Hans Castorp. Thomas Mann heeft met opzet voor een in alle opzichten middelmatige hoofdpersoon gekozen. Zoals hij in de introductie van De Toverberg schrijft: 'Nu gaan wij het verhaal vertellen van Hans Castorp - niet omdat “hij” het is (de lezer zal hem namelijk leren kennen als een eenvoudig, doch innemend jongmens), maar omdat het verhaal ons in hoge mate vertellenswaard voorkomt.’ Hans Castorp is 'geen genie, maar ook geen domoor’, hij heeft hoegenaamd geen belangstelling voor de wereld om hem heen, hij stelt geen vragen, hij is kortom een onbeschreven blad. Discussies gaat hij aan op de manier van niet onintelligente jonge mensen die maar wat goochelen met mogelijke zienswijzen. Vrijblijvend zogezegd. Als Settembrini hem op zijn lijfspreuk 'placet expiriri’ ('het is aangenaam ervaringen op te doen’) vergast, moet je dat wel ironisch interpreteren. Ervaringen zijn aangenaam, meer niet.
Hans Castorp is een willige marionet in de handen van de verteller. Onder veel meer is De Toverberg een parodie op de klassieke Duitse Bildungsroman. In de aloude Bildungsroman ontplooit een jonge held zich, door middel van allerlei ervaringen, tot een geintegreerd lid van de samenleving. De held maakt, dwingend gestuurd door de omstandigheden, een onmiskenbare ontwikkeling door. Hoe anders is dat bij Hans Castorp. Aan het begin van het boek is hij een afgestudeerd ingenieur van respectabele familie, aan het eind leidt hij als stamgast van een sanatorium een min of meer vegeterend bestaan. Zijn ontwikkeling is eerder een proces van verval. En wat het placet expiriri al aangeeft: Hans Castorp doet louter willekeurig ervaringen op. Hij neemt slechts kennis, maar maakt geen keuzen. Mijn irritatie is niet verwonderlijk, de auteur zelf kijkt meewarig neer op Hans Castorp.
DE TOVERBERG is in parodie en ironie gedrenkt, en dat irriteert mij juist het meest. Niet omdat literatuur geen spel mag zijn, omdat een schrijver niet met zijn personages mag jongleren, maar omdat het boek in z'n geheel net als Hans Castorp keuzen uit de weg gaat. Als zoveel parodieert Mann ook de rol van de alwetende verteller. De verteller van De Toverberg zweeft boven het verhaal volgens het realistische negentiende-eeuwse boekje. Het lot van Hans Castorp lijkt hem in het geheel niet te deren. Net zo goed als de uitkomsten van de debatten tussen Settembrini en Naphta hem onverschillig laten: voortdurend relativeren zij elkaar. Het belang van de een boet door de aanwezigheid van de ander aan betekenis in.
De verteller bepaalt met zijn hautaine onthechtheid de ironische toon van De Toverberg; Hans Castorp is met zijn vrijblijvende distantie de belichaming van het ironische principe. Nergens in de roman wordt een gedachte hartstochtelijk verdedigd, nergens toont de verteller zich begaan met het tragische lot van de held, nergens word ik dan ook echt ontroerd. Thomas Mann stelde de kunst van de epiek dan ook gelijk met ironie. De 'Genius der Epik’ was voor hem mild, rustig, helder en wijs, de beschermgeest hield van nature afstand en keek lachend op de dingen neer. De o zo harmonieuze, onpartijdige blik van de verteller, de koele zienswijze van Mann, het evenwicht en de relativering, mij kunnen ze gestolen worden. Geef mij liever een schrijver die onredelijk, partijdig, hartstochtelijk, betrokken, onvoorspelbaar en warm is. Die niet boven de wereld zweeft maar er middenin staan. Niet minzaam op zijn personages neerziet, maar naast ze staat.