Beter echt dan namaak

IN KORTE TIJD is dit het derde boek dat van de Turkse schrijver Orhan Pamuk (1952) in het Nederlands wordt vertaald. Het is al van 1990 en het zou interessant zijn te weten hoe zo'n roman in de Turkse literatuur past.

Istanbul speelt een grote rol in de roman, maar dan vooral als uitgewoonde stad, een stortplaats waar iemand die er oog voor heeft uit het afval iets over het verleden te weten kan komen. Wat dat betreft, lijken de historische verhalen in deze roman soms een Osmaanse tegenhanger van die van de Albanees Kadare. Maar terwijl Kadare het heden in oude verhalen lijkt te vertalen, kan bij Pamuk in elk verhaal iets anders gelezen worden - daar gaat het boek zelfs voor een belangrijk deel over: ‘Het was alsof de zinnen die hij las tegelijkertijd zichzelf betekenden en iets anders.’ Daar slaat de titel ook op. Een lokale bandiet schrijft een wedstrijd uit voor het beste schilderij van Istanbul. De winnaar is degene die bij de rechterdeurpost een spiegel aanbrengt waarin men de geschilderde stad ertegenover kan zien, maar die ziet er in de spiegel anders uit.

Pamuk sluit technisch en thematisch veel directer dan Kadare aan bij moderne westerse auteurs. De geschiedenis van geheime mystieke genootschappen doet aan Eco’s De slinger van Foucault denken, en de idee van een schaduwwereld, het thema van de dubbelganger en de kopie die minstens even echt is als het origineel verwijst zelfs rechtstreeks naar Borges. Neem een zinnetje als dit: 'Want ik realiseerde me dat er niets zou veranderen als ik aantoonde dat het leven dat wij leiden de droom van iemand anders is.’

DE ROMAN MAG dan een spiegelkabinet van bekende thema’s lijken, Pamuk weet in elk geval wat hij doet. Zo komt meer dan eens de verhouding Oost-West ter sprake, als een wedstrijd die nu eens ten voordele van de een en dan weer van de ander wordt beslist. 'Het gejeremieer over wat het westen van het oosten gestolen heeft of omgekeerd, brengt me op deze vergelijking: stel dat dit dromenrijk dat wij “wereld” noemen een huis is dat wij, gedesoriënteerd als een slaapwandelaar, zomaar binnen zijn gelopen. Dan zijn de diverse literaturen de klokken aan de muren van dit huis waar wij onze weg moeten vinden.’ Wie maakt dan uit welke klok goed staat of welke vóór loopt, of dat de tweede klok de eerste imiteert als hij iets later dezelfde tijd aangeeft. De gedachte is van een columnist die gedurende de dertig jaar dat hij dagelijks in de krant een stuk van zo'n pagina of acht afscheidt, bijna niets anders doet dan overschrijven, waarvoor hij zijn stof ontleent aan oude bronnen, zijn familie, lezers of zelfs aan eigen vroegere stukken. Dat verheelde hij ook niet, omdat het er volgens hem ook niet om ging iets nieuws te 'scheppen’, maar datgene waar al duizenden jaren briljante geesten mee bezig geweest waren 'hier en daar op elegante wijze wat aan te passen en op die manier iets nieuws te kunnen zeggen’.

Het kan zijn dat Pamuk via zijn over- en naschrijvende personages het postmodernisme de Turkse literatuur heeft willen binnenloodsen, het wordt niet duidelijk of dat met instemmende of satirische bedoelingen gebeurt. Nabootsen, nadoen, namaken is een thema dat op alle niveaus ter sprake komt. Het verval van Turkije is te wijten - dat beweren althans enkele hoofdpersonen in de roman - aan de neiging van de Turken tot nabootsing. Zo is er een voormalige linkse activist die op die veronderstelling niet alleen een theorie maar ook zijn verdere leven baseert. Er was een eeuwenoude beweging die erop uit was in deze contreien een nieuwe staat te stichten en bij wijze van voorproef van de mensen die er al woonden 'nieuwe mensen’ wilde maken. Een milde, maar duurzame methode vond men in westerse films en bioscoopmuziek. 'Zou er werkelijk niemand zijn geweest die het verval van Istanbul in verband had gebracht met de opkomst van de bioscopen?’ vraagt de voormalige activist zich af, en om aan de hersenspoeling te ontkomen heeft hij zelf een nieuw gezin gesticht dat leeft zoals traditionele Turkse gezinnen al sinds mensenheugenis leefden.

Hetzelfde motief komt aan de orde in het verhaal van de poppenmaker. Ooit kreeg de eerste poppenmaker de opdracht voor het Marinemuseum poppen te maken die zo levensecht waren dat ze de toorn van de opperschriftgeleerde wekten, die vond dat God concurrentie werd aangedaan. Toen de poppenmaker er desondanks mee doorging, vond hij er zelfs geen emplooi voor in de eerste golf van verwestering, omdat de modehuizen liever de pasklare westerse modellen in hun etalage zetten dan levensechte Turken. Later blijkt de kleinzoon met het maken van zulke echte kopieën te zijn doorgegaan, en hij vult daarmee een complete onderaardse stad die zich sinds de Byzantijnen onder Istanbul bevindt.

HET VERVELENDE van deze op zich curieuze verhalen is dat ze tot in de kleinste details een symbolische betekenis hebben, en dat krijgt de lezer ingeprent, dubbel en dwars. Het is een dikke roman die zich niet zo snel laat lezen; de lezer die snel thuis wil wezen neme daarom grote stappen. Alles wordt minstens twee keer verteld, nog afgezien van alle uitleg en spiegeleffecten.
De handeling speelt zich af in één week hedendaags Istanbul. Galip, een jonge advocaat van 33, vindt een afscheidsbriefje van zijn vrouw Rüya en vermoedt dat zij naar haar halfbroer gegaan is, de oudere neef en zwager van Galip. Deze neef, Celal, vult al z'n hele leven dagelijks een hoekje in de krant. Galip ontdekt nu dat er al ettelijke dagen oude columns worden herdrukt, maar de schrijver zelf is en blijft spoorloos. Galip weet door te dringen tot een verborgen appartement van Celal, brengt daar dagenlang door met het neuzen in wat hij de 'geheugenbank’ van Celal noemt: aantekeningen, foto’s, documenten, materiaal voor oude en nog te schrijven stukken. In het ene hoofdstuk wordt Galips speurtocht beschreven, in het andere staat een column van Celal, in extenso, zeventien stukken van zes tot tien pagina’s. Ten slotte, dat zal geen verrassing zijn, identificeert de jongeman zich zo volledig met de oudere schrijver, hoewel diens beeld hem steeds vreemder wordt, dat hij in staat is voortaan de column zelf te schrijven. Op dat moment wordt de even beroemde als geheimzinnige columnist op straat neergeschoten - door een woedende lezer. Daarmee wordt de droom van een columnist werkelijkheid: voor een deel schreef hij naar het leven, voor een ander, steeds groter deel voegde het leven zich naar wat hij schreef. Dat was het thema dat Celal na dertig jaar als het enige echt belangrijke naar voren bracht: Kun je jezelf zijn, en hoe, wat is daarvoor nodig?

Deze vraag wordt uitputtend behandeld, mag je wel zeggen. Het is maar goed dat het antwoord uitblijft of opgaat in een veelheid aan antwoorden. Het is zelfs de vraag of iemand zichzelf wordt door een ander te worden, of via een ander, met behulp van verhalen of juist door alle verhalen te vergeten. 'Was het niet veel beter om de slechte imitatie van een ander te zijn dan iemand die zijn verleden, zijn herinneringen, zijn dromen kwijt is?’

In het rollenspel van verdubbelingen, spiegelbeelden en dubbelgangers is er uiteraard niet één oplossing. En Pamuk spreekt zichzelf bij monde van zijn personages zo veelvuldig tegen dat de lezer zelf nog wat te puzzelen overhoudt. Die vrijheid geeft de schrijver hem letterlijk wanneer hij op pagina 466 persoonlijk tussenbeide komt en de mogelijkheid oppert dat de zetter een aantal pagina’s zwart maakt opdat hij, de lezer, zich de gebeurtenissen op zijn manier kan voorstellen. 'Het zwarte boek dat de schilder subtiel in de handen van een blinde bedelaar gedrukt had, bleek in de spiegel een dubbel boek te zijn, in tweeën gedeeld, met twee betekenissen, twee verhalen, en als je dan opnieuw naar het schilderij zelf keek zag je dat het boek daarin weer één geheel was, en dat het mysterie verdwenen was.’

Een mooie metafoor die Pamuk daar als wensbeeld voor zijn eigen roman schilderde.