Islamitische Indo’s in Nederland

Beter geen moslim

In het begin van de vorige eeuw maakte Nederland al kennis met islamitische migranten: uit Indonesië. Dit wordt veelal vergeten, en de meeste betrokkenen willen er niet over praten.

HOE WAS HET voor Indonesische en Indische moslims om destijds in te burgeren in Nederland? Sommige Indonesische Nederlanders geven direct te kennen er niet op in te willen gaan: ‘Dat is al zo lang geleden’ of 'dat is niet interessant’. Anderen verwijzen naar de groep van islamitische Molukkers als 'de’ Indonesische moslims bij uitstek, en die hoefden nu eenmaal niet in te burgeren. In Indische kringen is men vrijwel unaniem van oordeel dat islamitische Indo’s nooit bestaan hebben of zo'n zeldzaam verschijnsel waren dat een zoektocht naar hun geschiedenis onzinnig is.
Een andere gedeelde opinie: Indonesische moslimmigranten deden nu eenmaal niet zo veel aan godsdienst, toen, daar al niet, en nu, hier, ook beslist niet. Zeker niet zo veel als de 'fanatieke’ christelijke Indonesiërs of de 'spirituele’ Balinese hindoes. Geen van de benaderde Indonesische moslims wil desondanks met zijn of haar naam in de krant. Ook wordt bot gevangen bij de Haagse moskee voor Indonesiërs, Al Hikmah, evenals bij de islamitische organisatie voor Indonesische jongeren, PPME, die mails en telefoontjes onbeantwoord laten.
Een van origine islamitische Indonesische man van begin tachtig, die als student in 1953 naar Nederland kwam, wil kwijt dat de studerende landgenoten die hij hier toen kende vooral nationalistisch waren georiënteerd en dat van geloofsijver weinig te bespeuren was, als deze mensen al religieus waren. Opmerkelijk is zijn commentaar dat zijn eigen interesse in moslims en hun kunst en cultuur 'eindelijk’ is gewekt door de vooringenomenheid van Wilders en Verdonk - waarvoor dank. Een oudere Indonesische vrouw meldt dat je een goed moslim kan zijn zonder dat je elke dag in een moskee zit, en een man mag af en toe best ook een biertje drinken.
Een vrouw die in 1992 als twintigjarige vanuit een streng-islamitische provincie in Kalimantan in Amsterdam-Noord neerstreek, pasgetrouwd met een Nederlander, weet nog dat ze thuis in haar flat meermalen per dag bad; in een moskee kwam ze nooit. Haar jonge echtgenoot was weliswaar bekeerd (en besneden) - een voorwaarde om haar te kunnen trouwen - maar had verder niet veel op met religie. Hij at wel halal met haar mee, maar deed bijvoorbeeld geen puasa (vasten) en bleef bier drinken. Dat vond ze geen probleem.
Het oude en vertrouwde beeld van de Indonesische, of beter Javaanse islam als een tamelijk oppervlakkig vernis, op tolerante wijze vermengd met andere invloeden en gedachtegangen, weerklinkt in deze reacties: rechtlijnigheid en fanatisme zijn er ver van. Maar het aandringen op anonimiteit en de algemene terughoudendheid om iets persoonlijks over dit onderwerp te zeggen bij Indonesische Nederlanders maken veel duidelijk over het verschil tussen vroeger en nu. De status van deze wereldgodsdienst is in de ruim honderd jaar van aanwezigheid in Nederland ingrijpend veranderd - van het waasje van interessant cultureel exotisme uit de beginjaren is niets meer over.

DE EERSTE KENNISMAKING met grote groepen islamitische migranten vond veel eerder plaats dan in de obligate jaren zestig en zeventig, toen de Turkse en Marokkaanse gastarbeiders hier kwamen werken. Al aan het begin van de vorige eeuw vonden tal van Indonesiërs - meest Javaanse moslims - hun weg naar Nederlandse havens. Ze kwamen omdat ze meereisden met Hollandse gezinnen op verlof, als kokki, baboe (kinderjuf) of 'trouwe’ hulp in de huishouding. Een groot deel behoorde daarnaast tot de bemanning van de vele Indië-mailboten. Een belangrijke categorie in opkomst was ten slotte die van de Indonesische studenten. Die waren bijna allemaal van voorname, zo niet adellijke afkomst en om die reden grootgebracht met een grote dosis Nederlandse taal en cultuur: de onmisbaar geachte mores van de overheerser. Studeren in Delft, Leiden of Amsterdam behoorde voor deze bevoorrechte klasse tot de standaardopvoeding.
Net zoals destijds bij de Turkse en Marokkaanse gastarbeiders werd het verblijf van deze nieuwkomers als tijdelijk beschouwd en voor de meesten ging die verwachting ook op. Hun aantallen zijn lange tijd niet bijgehouden. De volkstelling van 1910 - zonder de passanten dus - leverde voor heel Nederland slechts 54 moslims op. De Indonesiërs die wél bleven vonden een baan als djongos (kelner), kokki of keukenhulp in de groeisector van de Indische restaurants. De studenten onder hen trouwden Nederlandse vrouwen, meestal medestudenten: een bijzonder en nog onderbelicht verschijnsel.
Het is opmerkelijk dat bij de misverstanden en problemen die deze interculturele contacten ongetwijfeld opleverden godsdienst zelden of nooit een rol van betekenis speelde. Ook niet toen vanaf ongeveer 1918 Javaanse rooms-katholieke priesters missiewerk gingen doen onder de islamitische Indonesische studenten in Nederland. Deze 'radicale’ praktijk werd na veel gedelibereer overgenomen door de protestantse kerk. 'Javanen komen in Holland zonder een vast beginsel. Nu ja, zij hebben wel een godsdienst, het mohammedanisme, maar dit is slechts in naam’, zo verdedigde ten slotte ook de gereformeerde kerk in 1923 de zendingsactiviteiten in eigen land.
Een Javaanse afdeling van het Leger des Heils had in Rotterdam al in 1914 getracht zieltjes te winnen onder de burgerbevolking, getuigend van hun bekering tot Jezus 'op de melodie van een Mohammedaansch gezang’. Islamitische Javanen waren eigenlijk 'nog groote kinderen’, zo lieten de bekeerde heilsoldaten aan de Rotterdammers weten. Zo ongeveer dacht ook het gros van Nederland er in die tijd over, want de islam boezemde alleen angst en ontzag in bij de landgenoten in Nederlands-Indië. Deze laatsten brachten de onbekende godsdienst in verband met griezelige zwarte-magiepraktijken én met de groeiende en dreigende nationalistische beweging, die onder meer opereerde onder islamitische vlag. De koloniale samenleving vreesde onder de voet te worden gelopen door moordzuchtige moslimhorden.
De islam was ook geen issue onder de in Nederland verblijvende Indonesische werknemers zelf en degenen die zich om hen bekommerden. De vraag of, hoe en waar zij hun godsdienst moesten belijden viel weg tegen de achtergrond van hun soms zeer slechte werkomstandigheden, uitmondend in ziekte (vooral tbc), uitbuiting en niet zelden mishandeling. Rond 1916 waren er enkele honderden 'inlandse bedienden’ in het land van wie de positie volgens een ambtelijke nota neerkwam op 'lijfeigenschap’. Een deel daarvan werd redelijk behandeld: ze kregen bijvoorbeeld van hun mevrouw schoenen en winterkleren.
Toch werd in 1919 in Den Haag een tehuis voor dakloze baboes opgericht dat tevens fungeerde als uitzendbureau. Het drukbezochte tehuis was opgericht door bezorgde notabelen die aan alles gedacht hadden, behalve aan godsdienstige voorzieningen voor hun pupillen. Ook de Indonesische zeelieden, die soms met fatale gevolgen honger en kou leden in perioden van werkloosheid, konden rekenen op liefdadigheid en vakbondsacties, maar niet op gebedsruimten, halal voedsel of imams.
Steun van de studerende Indonesische elite ondervonden de sociaal-economisch zwakkere landgenoten niet. Van gezamenlijke religieuze oefeningen was om te beginnen geen sprake. Onder de studenten waren nogal wat stevig drinkende feestvierders en de idealisten waren behalve vurige nationalisten vaak aanhangers van het 'javanisme’, een syncretische wereldbeschouwing waarin maar een kleine plaats voor de islam was weggelegd. Ze 'deden er niets aan’; nog minder dan in de levens van de huisbedienden, keukenhulpen en zeelieden was de islam voor hen een geloof dat gedisciplineerd en gebroederlijk beleden moest worden. Alleen lebaran, het einde van de vastenperiode, werd door alle islamitische Indonesiërs gevierd op een manier die veel gemeen had met de huidige westerse kerstbeleving. Bij huwelijken, geboorten of begrafenissen in het Haagse tehuis voor bedienden werd meestal een selamatan gehouden, een Javaanse rituele maaltijd, waarbij de godsdienstige handelingen, volgens de onderzoeker Harry Poeze in het boek In het land van de overheerser, door steeds dezelfde vrijwilliger, Anang, werden verricht.
Op de keper beschouwd waren het dus alleen de christelijke kerken die zich in die tijd opwonden over de komst van de islam naar Nederland. Omdat missie en zending op het eiland Java altijd met beperkingen te kampen hadden gehad was er immers een buitenkans om onder de toekomstige leiders van het Indonesische volk, zoals de paters en dominees de studenten niet onterecht beschouwden, zieltjes te winnen.

PAS IN 1932 kwam er de eerste Nederlands-islamitische organisatie, opgericht door J. van Beetem, een Nederlander die moslim was geworden en die zich bekommerde om zijn Indonesische geloofsgenoten. Hij wilde vooral een eigen begraafplaats en gebedsruimte realiseren (tijdens de oprichtingsvergadering werd koningin Wilhelmina uitgebreid gehuldigd vanwege haar goedkeuring aan de onderneming). Al twee maanden na de oprichting kon in Den Haag de eerste moslim begraven worden in gewijde grond. In 1935 werd een islamitische gebedsruimte ingericht, eveneens in de hofstad. De organisatie, Perkoempoelan Islam, groeide hard en werd het trefpunt voor alle Haags-Indonesische moslims, van hoog tot laag.
In 1939 kwam er een onderafdeling, de Committee for Islamic Lectures, die was bedoeld om met inzet van een uit Londen overgekomen imam het islamitisch geloof onder de Indonesische studenten te versterken - ruim twintig jaar nadat de christenen hun netten over hen hadden uitgegooid. Poeze veronderstelt dat de oprichting van de Committee for Islamic Lectures en de inschakeling van de Brits-Indische, pro-Duitse imam initiatieven waren van de Pakistaans-Indiase Ahmadiyyabeweging, die tijdens de oorlog kantoor hield in Berlijn. Deze beweging had de imam, die meermalen naar Berlijn afreisde, de opdracht gegeven een moskee in Nederland te stichten, wat uiteindelijk in 1955 aan de Oostduinlaan in Den Haag is gelukt: de zogenaamde Mobarakmoskee, de allereerste van Nederland, is nog steeds in handen van de Ahmadiyyabeweging.
Tijdens de oorlog verleende de Perkoempoelan Islam actief steun aan het ondergrondse verzet, vooral door huisbedienden als koeriers in te zetten. Kennelijk had de imam geen weet van deze vaderlandslievendheid. Acht Indonesiërs sneuvelden door hun verzetsactiviteiten.
De oorlog had in Nederlands-Indië een heel ander effect op religieuze verhoudingen en identiteiten. Omdat herkenbaar Nederlanderschap gevaarlijk was onder de Japanse bezetting, zochten Indo’s - met of zonder Nederlandse nationaliteit - naar een 'versterking’ van hun inheemse achtergrond. Jongens werden door hun moeder of grootmoeder naar familie in de kampong of dessa (dorp) van herkomst gestuurd.
'Getallen weten we niet’, vertelt Peter Bouman, medewerker van de Indische welzijnsstichting Pelita. 'Maar het gebeurde omdat de Indische moeders ineens voor geld en eten moesten gaan zorgen, hun mannen waren immers krijgsgevangen. Zijzelf bleven buiten de kampen. Hun zonen stuurden ze naar de kampong als opvangplek en omdat dan minder monden te voeden waren. Maar ook omdat het een goede onderduikplek was. In de kampong kon je makkelijker voor Indonesiër doorgaan zodat je geen risico liep opgepakt te worden door de Japanners. Hoe donkerder je was, hoe veiliger. De Japanners wilden geen blanke gezichten meer op straat.’
In de kampong was het dagelijks leven voor de mannelijke inwoners geschoeid op islamitische leest, vooral in West-Java. 'Jongens die in de kampong of dessa terechtkwamen werden ook besneden, ze raakten uiteindelijk gewoon moslim, zoals iedereen daar. Veel jongens zijn dat gebleven, ook door met Indonesische vrouwen te trouwen. Naar Nederland komen was bijna uitgesloten voor deze mensen, vanwege het ontmoedigingsbeleid van de regering. Als je op de repatriëringsformulieren invulde dat je moslim was sloeg de deur voor je neus dicht. Dan was je te “oosters”.’ Bouman vermoedt dat deze islamitische Indo’s hoe dan ook niet veel animo hadden om naar Nederland te vertrekken, omdat ze zich goed thuis voelden in de Indonesische samenleving.
Sommigen zetten zich na hun kampongperiode juist af tegen het 'inlandse’ stukje dat in hun leven was geslopen. Dat was het geval bij de Amsterdamse Johannes J., geboren in 1925 in een stadje in de buurt van Bandoeng. Zijn Indische vader, een beroepsmilitair van rooms-katholieke origine, overleed voor de oorlog. Een paar maanden na de Japanse inval in 1942 raadde zijn Indonesische moeder hem aan naar een nabije kampong te gaan waar zij familie en vrienden had wonen. Omdat J. al Soendanees (de streektaal) sprak, was het niet moeilijk voor hem om zich aan te passen aan het dorpsleven. Hij noemde zich Yoessoef, werkte op het land, ging op blote voeten lopen, een kopiah (islamitische baret) dragen en bezocht net als de anderen de moskee, waar hij jarenlang aan de rituelen deelnam.
Na de Japanse capitulatie in 1945 keerde J. weer terug naar zijn moeder. Toen de bersiap even later uitbrak - de gewelddadige opstand tegen het Nederlandse gezag - meldde J. zich als vrijwilliger bij het Knil. Later, tijdens de zogenaamde politionele acties, heeft hij naar eigen zeggen 'er veel doodgeschoten’. In 1954 vertrok hij met zijn gezin vanuit Nieuw-Guinea naar Nederland, waar hij nooit meer een kerk of moskee van binnen heeft gezien. J. ontkende ooit in zijn leven moslim te zijn geweest. Waarschijnlijk omdat hij zijn kampongtijd beschouwde als pure onderduik, met de bijbehorende culturele en religieuze vermomming.
Maar wat evengoed een rol kan spelen is het idee dat je hier maar beter geen moslim kan zijn, niet nu en evenmin in het verleden. In dit opzicht lijkt de Nederlandse samenleving wel een beetje op de laat-koloniale gemeenschap in Nederlands-Indië: de angst 'overgenomen’ te worden door 'de islam’ steekt steeds weer de lelijke kop op en leidt de aandacht af, net als toen, van de werkelijke problemen.