We zien een verstild tafereel aan de oever van water, kale bomen en struiken, een motorbakfiets, touw en gereedschap, een paar balken, een parasolhouder, een fietswiel en maf genoeg een speelgoedfiguurtje met hoed en koffer, in een curieuze, cowboy-achtige pose. Het tafereel doet denken aan een onopgeruimd erf, een verwaarloosd achtertuintje, een vergeten plek waar achterlaten wordt wat we niet meer nodig hebben, maar het is onduidelijk waar we precies naar kijken. De tekening verscheen in 2019 in De Groene Amsterdammer, te midden van het nieuws, als vreemde eend in de bijt, en ik vraag me af hoe lezers er indertijd naar keken. Ik kan me er van alles bij voorstellen, verbazing, irritatie, verwondering, fascinatie en wie weet een vaag gevoel van opluchting om voor even verlost te worden van de herrie van het nieuws.

Ik zag de tekening zonder die herrie en mijn eerste associatie was een kort gedicht van de Amerikaan W.C. Williams. Williams beschrijft in een enkele regel een erf met een rode kruiwagen, nat van de regen, en een paar witte kippen. Het zijn de eerste vijf woorden die het gedicht dragen: ‘zo veel hangt af van/ een rode kruiwagen/ nat van regenwater/ naast de witte kippen’.

Waarom hangt er zo veel af van een doordeweeks tafereel? Ik denk dat Williams aandacht bepleit voor iets waar we normaal gesproken aan voorbijgaan, dat we reflexmatig kwalificeren als onbeduidend, als banaal, en dus niet de moeite waard om aandacht aan te besteden. Williams draait het om: het is niet het tafereel zelf dat banaal is, maar onze sleetse blik, het gemakzuchtige kijken waar we zo vaak in vervallen. Niet die kruiwagen en kippen zijn doordeweeks, maar wij, met onze dulle blik. Door die eerste vijf woorden krijgt de regel iets van een moreel appèl: ze manen ons om beter te kijken, langer, met aandacht, en zo te ontdekken dat zelfs in het allergewoonste tafereel schoonheid te vinden is, waarheid, waarachtigheid, of wat er verder ook de moeite waard kan zijn.

Dat is naar mijn idee precies wat Floris Tilanus doet: hij kijkt beter, langer, met meer aandacht, en tekent vervolgens zo goed dat wij dat ook kunnen doen. De gewaarwording dat Tilanus mijn blik assisteert heb ik vaak als ik naar zijn werk kijk, ook bij zijn illustraties, maar in deze verzameling is die gewaarwording sterker. Dat komt misschien omdat de tekeningen op zichzelf staan: ze zijn losgehaakt van de actualiteit waarin ze werden gepubliceerd en van de verhalen die Tilanus illustreerde. Er is geen afleiding. Hier hebben we alleen maar zijn blik, alleen maar pen en inkt of potlood, alleen maar tekeningen.

Nou ja, we hebben ook de nogal ongebruikelijke uitsnede: het formaat van de plek die de tekeningen in De Groene Amsterdammer kregen toebedeeld. Tilanus maakt daar vaak dankbaar gebruik van. Kijk maar naar deze kalkoen. Er zijn niet veel lelijker dieren dan de kalkoen en daar windt de tekening geen doekjes om. Maar tegelijk maakt Tilanus de schoonheid van het dier zichtbaar. Dat zit hem in de naar mijn indruk zwaarmoedige blik, in de licht shockerende maar toch waardige uitgroei van of aan de snavel, maar vooral in de uitsnede die dat donkere lichaam zo majestueus maakt. Hoe goed die tekening is laat zich afleiden uit de overweging dat Tilanus ons niet laat kijken naar de mooie kanten van een lelijke vogel: hij maakt het onderscheid domweg irrelevant.

Ook in dit portret maakt hij dankbaar gebruik van de ongewone uitsnede, zij het met een heel ander effect. Er is niet meer dan een klein deel van het gezicht van de vrouw zichtbaar, de ogen, de neus en een deel van de wang. De rest is weggevallen door de uitsnede en door de hoofddoek die ze draagt, waarvan niet meer dan een paar lijnen zijn getekend. Het resultaat is een heel intiem portret. We zien elke nuance van het licht op de huid, in de ogen, van de wimpers. Er komen reflexmatig vragen in me op als ik naar de vrouw kijk, wat ze ziet, wat ze denkt, wat voor leven ze heeft gehad, maar de tekening weerhoudt me ervan om ze te beantwoorden: simpelweg kijken is hier meer dan genoeg.

Geregeld is het een ongebruikelijk perspectief waarmee Tilanus mijn aandacht weet te vangen. Bij wie ligt het perspectief hier? Bij een heel jong kind dat nog te jong is om zelf naar school te gaan en de stoet voorbij ziet komen met een mengeling van angst en afgunst? Bij een bejaarde man of vrouw die vanuit een klapstoeltje in het voortuintje toekijkt, mijmerend over de eigen schooltijd? Of ligt het bij dat jong op de voorgrond? Dat laatste kan natuurlijk niet maar het tafereel verbeeldt precies hoe kinderen de wereld van de volwassenen ervaren, in elk geval zoals ik me dat herinner, en zoals ik me van dat jong voorstel: als iets dat zich boven mijn hoofd afspeelde, iets waarmee ik me weliswaar moest verhouden, waarin ik me vaak genoeg moest schikken, aan tafel, bij visites, in de kerk, maar waar ik geen werkelijke belangstelling voor had.

Een ongebruikelijk perspectief is er ook in de tekening van een wachtkamer in een ziekenhuis, deze keer met een verontrustend effect. We zien een tableau van onderbenen, schoenen en tassen, stoelpoten, de vloer. Juist dat perspectief roept onmiddellijk op hoe ik mij in zo’n wachtkamer voel en gedraag: ongemakkelijk, onrustig, niet goed in staat om anderen aan te kijken, bang voor het onheil dat in die andere ogen te vinden kan zijn, als spiegel van het onheil dat in mijn eigen ogen schemert.

Ik heb nooit beseft dat je stilte kunt tekenen. Tilanus is er goed in. Een voorbeeld is het tafereel van een perron met een trein. Er wachten mensen maar die zien we alleen omdat ze lange schaduwen werpen die over het perron en op de trein vallen. Het is op zichzelf niet moeilijk om je hier geluid bij voor te stellen, maar iets in het tafereel ontmoedigt dat, misschien omdat we niet zozeer naar een perron en een trein kijken, maar naar een abstracter patroon van licht en donker, van tegels, ramen, schaduwen. We kijken naar een diepere structuur van de wereld, net even onder wat we normaal gesproken waarnemen, en dat geeft misschien die gewaarwording van stilte – ongeveer zoals je dat hebt wanneer je in water onderduikt.

Kijkend naar de tekeningen in deze bundel heb ik vaak gedacht aan een uitspraak van de Amerikaanse schrijver John Updike, die het als zijn taak zag om het alledaagse te tooien met de schoonheid die het toekomt, ‘to give the mundane its beautiful due’. Tilanus laat ons graag kijken naar voorwerpen die bijna baldadig alledaags zijn: de inhoud van een etui; de schaduw van een pianostoel; een vishaakje; een afgekauwd potlood; een tandenstokertje; een blad met druppels. In dit soort tekeningen heeft hij iets van een patholoog-anatoom: iemand die de elementen van een tafereeltje uiteenrafelt om ze beter te begrijpen. Hoe verhouden de delen zich tot elkaar? Wat is precies het effect van de lichtval? Hoe vervormt een druppel wat eronder ligt? Het is hier niet zozeer dat er nieuwe werelden voor me opengaan, dat ik nieuwe lagen vind, dat er een of andere associatieve stroom op gang komt, maar dat ik eindelijk eens goed kijk naar wat ik al zo vaak zag, naar het ding zelf, en zo wordt verlost van de slordige schets die ik er met mijn vluchtige blik van maakte.

Deze leeggeknepen tube is een voorbeeld. Er is nauwelijks een onbeduidender voorwerp denkbaar. De tube is bijna leeg. Restwaarde is er niet. De prullenbak wacht. Normaal gesproken zou er geen spoor van overblijven maar daar steekt Tilanus een stokje voor en dus hebben we een tekening, zodat we kunnen kijken naar de nuances van het licht, vloeiend en scherp, zacht en hard, subtiel op de dop maar rauw op het vrijwel leeggeknepen lichaam, in de kronkels en hoeken en plooien die al het knijpen heeft achtergelaten, als de sporen van een misdaad.

Tilanus raakt mij het meest als hij een natuurlijk voorwerp of tafereel tekent, zoals de kalkoen die ik al noemde, maar er zijn er veel meer. Een van mijn favoriete tekeningen in de bundel is die van een stel schapen. Het zijn er drie. We zien ze alsof we zelf in het gras liggen, min of meer oog in oog. De rechter draait net de kop weg. Van de middelste is eigenlijk alleen het lijf te zien: de kop verdwijnt deels achter het dier aan de rechterkant. De derde, links, staat iets meer naar achter en kijkt ons aan met een fraaie zwarte kop. Alles is raak aan deze tekening, het perspectief, de omlijsting van bladeren en takken, de compositie van het drietal, dat wollige van ze, de rechthoekige pupillen die de uitsnede van de tekening lijken te echoën, de verlegen blik van het schaap rechts en de strenge, nogal vorsende van het schaap links. Kijkend naar het tafereel is het onmogelijk om niet voor eeuwig van deze dieren te houden.

In het verloop van de drie jaar die de tekeningen beslaan laat Tilanus zich minder leiden door actualiteit en worden zijn tekeningen persoonlijker, niet op een particuliere of anekdotische manier, maar eigenzinniger. Steeds vaker laat hij de wereld zien zoals die door ons is achtergelaten, vergeten, als een slachtoffer van onze onverschilligheid. Zo bezien hebben de tekeningen een vergelijkbaar moreel appèl als het gedicht van Williams. Laten we beter kijken, langer, met meer aandacht. Laten we met die aandacht onze vluchtige ervaringen zo nu en dan in de kraag grijpen. Laat onze verbeelding een wapen zijn tegen sleets kijken.

Dat heeft iets van een bevrijding. Kijken naar deze tekeningen resulteert bij mij steevast in een gevoel van opluchting, van gemakkelijker kunnen ademhalen, gemakkelijker bewegen, precies zoals ik dat heb als ik in een museum ben geweest, een concert heb beluisterd, ballet gezien of poëzie gelezen. Met zijn tekeningen bevrijdt Tilanus me met een opgewekte, pesterige, bloedmooie, schokkende, goedmoedige, grappige, onverwachte, vileine, lompe of intelligente por in de ribben van een reflexmatig en enkelvoudig perspectief. Hij haakt me los van mijn altijd maar jengelende ik en mijn al te vaak herhaalde verhalen. Zo maakt hij de wereld groter en rijker: een plek waarin ik opgewonden als een kind kan ronddwalen.


Dit is een voorpublicatie van de inleiding in de de bundel van Floris Tilanus dat nu in de boekhandel ligt