Beter navoelen dan navertellen

Maartje Wortel, Half mens, € 18,50

Het decor is Los Angeles, om precies te zijn het cliché dat we van deze metropool kennen: mensen die zich alleen per auto verplaatsen over vierbaanswegen, tallozen die zich tezamen eenzaam voelen en existentieel verloren wanen, de schrijnende behoefte aan en de onmogelijkheid van wezenlijk contact, gigantische supermarkten waarover treffend wordt opgemerkt dat het ziekenhuizen lijken, ze zijn er om mensen in leven te houden.
Dit is de troosteloze stedelijke achtergrond van Half mens, de eerste roman van Maartje Wortel, die eerder de Anton Wachterprijs won met haar verhalenbundel Dit is jouw huis. Op de voorgrond staan een 41-jarige Mexicaanse copywriter, Michael Poloni, en een 20-jarige Nederlandse studente, Elsa Helena van der Molen, van Nederlandse komaf. Het boek opent met een narrige derde, ene James Dillard, die op een tof toontje vertelt over een rechtszaak waarvoor hij was opgeroepen als jurylid. ‘Het was fucking freaky. Ik had nog nooit van zoiets gehoord.’
Over wie of wat er wordt rechtgesproken in die zaak is aanvankelijk niet duidelijk. Het verhaal herneemt zich met een uitvoerige beschrijving van Michaels dagelijkse activiteiten. Uit de handeling moeten we de mens leren kennen, dus lezen we hoe Michael een taxi naar zijn werk neemt, zijn collega’s groet, consciëntieus zijn werk doet, en daarna weer terugkeert naar huis om natuurprogramma’s op tv te kijken. Opwindender dan dit wordt het niet. Het is een half leven, gaande gehouden door mechanische handelingen, gevoelsarm. In een gesprek dat Michael met zijn dokter heeft wordt dit nog eens expliciet gemaakt: ’“Ik wil graag horen wat je ziet als je naar binnen kijkt.” Een seconde was het stil. “Een half mens”, zei Michael.’
Onafhankelijk van Michaels verhaal is dat van Elsa, dat opent met: 'Ik wist dat het zou gaan gebeuren.’ Dat is de kalme constatering die ze doet als ze door een taxi van haar fiets wordt gereden. Kalm van toon is ook haar beschrijving van de momenten daarna. Onthecht beschrijft ze de omgeving, waaronder een van afschuw krijsende omstander, de taxi die boven op haar ligt, als gevolg waarvan ze verlamd zal raken en een been zal verliezen, en ook registreert ze uitvoerig een slungelige man die onaangedaan en met zijn handen in zijn zakken toekijkt. Dat is Michael Poloni, raad je meteen, en direct dient zich een vermoeden aan over het mogelijke verloop van het verhaal: die 'fucking freaky’ rechtszaak is een gevolg van dit ongeluk en Elsa is de andere helft die Michael heel moet maken, ze moeten elkaar alleen nog zien te krijgen.
Maar dat zou de al te simpele narratief zijn van een soap. Wortel heeft een andere inzet dan de platgetreden navertelling van een zoetsappig sprookje. Wat precies die inzet is, toont zich uiteindelijk het krachtigst in het verhaal van Elsa en minder in dat van Michael. Ze 'krijgen elkaar’ uiteindelijk wel, maar daar gaat een lange weg aan vooraf die eerder contemplatief dan romantisch van aard is. Wortel beschrijft uitvoerig de ziekenhuisopname van Elsa waar ze met vertienvoudigde kracht verlies moet leren accepteren en een karaktergroei moet doormaken. Vooral de laatste ontwikkeling is subtiel weergegeven in het contact tussen Elsa en haar verstikkend zorgzame ouders. Haar fysieke toestand dwingt haar blik inwaarts en tot reflectie over wie ze nu moet zijn nu ze niet meer het jonge, lekkere ding is dat van jongen naar jongen fladderde. De mijmeringen resulteren niet in makkelijke berusting, maar eerder in een licht melancholische grondhouding. Sadder but wiser.
Elsa’s verhaallijn lijkt Wortel veel strakker in de hand te hebben dan die van Michael. Zijn tragiek en zijn sociale onaangepastheid zijn vaak iets te expliciet verwoord, soms zelfs op het drammerige af, alsof we aan een suggestie niet genoeg hebben. In de consequente herhaling van zijn onhandige maniertjes lijkt het eerder een autist. Dat zijn verhaal desondanks lezenswaardig blijft, is te danken aan Wortels vermogen om ontregelende poëzie te maken van niet meer dan een handjevol simpele woorden. 'Hij stak een sigaret op en dacht aan de onbegaanbare diepte van de oceaan waar geen mens durfde te komen, waar dieren leefden die op monsters leken, waar wrakken lagen zonder weg te rotten: het was daar te donker, te koud, te diep. Hij dacht aan de jurken van zijn moeder.’
Elsa’s en Michaels pad kruisen elkaar voor een tweede keer als de rechtszaak dient die Elsa’s ouders tegen de taxichauffeur hebben aangespannen. Getuige in de rechtszaak is Michael, hij was immers passagier in de noodlottige taxi. De tweede ontmoeting betekent de bezegeling van hun beider lot en leidt tot de ontknoping die in het eerste hoofdstuk nog 'fucking freaky’ is genoemd. Hier de plot uit de doeken doen zou niet alleen het leesgenot bederven, maar is ook simpelweg onmogelijk omdat de plot aan een soort poëtische logica gehoorzaamt die eerder nagevoeld dan naverteld kan worden. Michael vindt de vervolmaking waar hij zo naar snakte, maar de methode daartoe is macaber en raadselachtig in motivering. Dat wordt in metaforiek benadrukt bij monde van James Dillard, aan wie de eer is om nog een keer op te komen als deus ex machina. Hij haalt een filmpje (Selective Attention) aan dat gemaakt is door twee Amerikaanse psychologen. In het filmpje gooit een groep mensen een bal naar elkaar over. Aan de kijker de vraag hoeveel keer de bal is overgegooid. Elke kijker mist het feit dat iemand in gorillapak door het beeld loopt. Conclusie: kennelijk hebben wij als lezers ook een spreekwoordelijke gorilla gemist. Eentje die zijn licht zou kunnen laten schijnen op dit ongerijmde slot, misschien? Of is het een vermomde belediging: mis ik de juiste gevoeligheid om dit einde op waarde te schatten? U ziet: vragen te over. Als dat Wortels bedoeling was, dan is ze daar tergend goed in geslaagd.

MAARTJE WORTEL
HALF MENS
De Bezige Bij, 192 blz., € 18,50