De illusie van de zelfzucht

Beter polderen dan polariseren

Wie wéér een topmanager een extravagante bonus ziet ontvangen of Wilders krasse taal hoort uitslaan, kan niet anders concluderen dan dat egoïsme de samenleving toenemend in de greep heeft. Toch is dat niet waar.

LATEN NEDERLANDERS zich louter leiden door afgunst en eigenbelang?
Onze samenleving lijkt te bestaan uit inhalige patsers en materialistische burgerlieden. Nederlanders zijn hebberig geworden en we laten ons niets meer gelegen liggen aan hulpbehoevende minderbedeelden als vluchtelingen, bijstandsgerechtigden of ouden van dagen. We worden grimmiger en uiten ons ongenoegen steeds vaker en in niet mis te verstane bewoordingen.
Dit is althans de indruk die we krijgen als we politici, beleidsmakers en de media moeten geloven. Maar is die indruk op feiten gebaseerd, of is het een collectieve dwaling? Hoe valt deze indruk te rijmen met de constatering van het Sociaal en Cultureel Planbureau dat meer Nederlanders vrijwilligerswerk doen, de uitslag van de 21MINUTEN.NL-enquête dat Nederlanders gelukkiger zijn dan ooit tevoren en solidariteit en bescheidenheid hoog in het vaandel hebben? Hoe verhoudt het zich tot de cijfers van het ministerie van Justitie dat de veiligheid op straat alleen maar toeneemt en tot de onderzoeksbevinding van de Raad voor de Maatschappelijke Ontwikkeling dat allochtone en autochtone Nederlanders steeds vaker vreedzaam en respectvol samenleven?
Hoe zit het nou, laten Nederlanders zich leiden door afgunst en egoïsme, of klopt het wat de sociaal-wetenschappelijke vorsers stellen: dat we nog steeds prosociaal zijn, respect hebben voor andersdenkenden, en de minderbedeelden het nodige gunnen? Want los van het feit dat gelukkige en vreedzaam samenlevende mensen een doel op zich kunnen vormen, zijn zij ook de noodzakelijke basis voor een creatieve, productieve samenleving.
Met Darwins The Origin of the Species in de hand, of terugvallend op de onder economen zo populaire rationele keuzetheorie, poneren veel wetenschappers, politici en beleidsmakers dat menselijk gedrag eerst en vooral gestuurd wordt door overwegingen van eigenbelang. Voor solitair levende wezens is dit geen onredelijke aanname. Voor al die levende wezens die in groepsverband leven is deze aanname problematischer. Binnen elke samenleving zijn er constant afwegingen te maken tussen persoonlijke belangen en die van anderen, inclusief de samenleving als geheel. Persoonlijke belangen kunnen niet los gezien worden van die andere, meer prosociale belangen. Veel van ons gedrag is ‘multi-finaal’ – het dient verscheidene doelen en belangen tegelijk. Het is dus ondoenlijk om te bepalen of prosociaal gedrag, zoals een collega helpen, vrijwilligerswerk doen of geld doneren, wordt ingegeven door eigenbelang.
Even goed valt te beredeneren dat het vooral voortkomt uit prosociale overwegingen. Die mogelijkheid wint aan kracht door inzichten uit wetenschappelijk onderzoek. Daaruit blijkt dat prosociaal gedrag in veel gevallen niet bepaald wordt door zelfzuchtige overwegingen. Veel van ons gedrag – prosociaal of niet – is namelijk helemaal niet bewust en weloverwogen; het is ‘onnadenkend gedrag’ dat voortkomt uit gewoonte of een direct gevolg is van de waan van de dag. We dringen voor bij het koffiezetapparaat omdat we geïrriteerd zijn door een lange file. Of we stoppen geld in een collectebus omdat we de buren zojuist ook iets zagen geven. In beide voorbeelden zijn we ons helemaal niet bewust van de aanleiding voor ons gedrag. Dit geldt net zo goed voor ogenschijnlijk hebberig gedrag als voor prosociaal gedrag.

DAARNAAST IS wetenschappelijk aangetoond dat een plezierige omgang leidt tot een verhoogd niveau van oxytocine in de hersenen. Vrijkomende oxytocine bevordert het vertrouwen dat men in anderen stelt, de neiging om anderen te bevoordelen en de neiging andermans nare gedrag door de vingers te zien. Dit alles gebeurt zelfs als men die anderen niet kent en het prosociale gedrag anoniem is en blijft. Er is dus een stevig neurologisch netwerk in ons brein dat prosociaal gedrag aanstuurt zonder tussenkomst van beredeneerde overwegingen van eigenbelang. Knuffelen, vertrouwen en vergeven worden rechtstreeks aangestuurd door hormonen die vrijkomen wanneer we op een prettige manier met soortgenoten omgaan.
Ten slotte weten we dat zelfzuchtig gedrag veel minder vaak voortkomt uit hebzucht, maar vooral ingegeven wordt door de angst door anderen uitgebuit te worden. Mensen vertonen prosociaal gedrag tenzij er reden is aan te nemen dat dit niet gewaardeerd of zelfs afgestraft wordt. Anders gezegd: het niet vertonen van prosociaal gedrag wordt ingegeven door overwegingen van eigenbelang. Dat is fundamenteel anders dan dat het wel vertonen van prosociaal gedrag door overwegingen van eigenbelang wordt aangestuurd.
Interessant is nu dat we ons zelden bewust zijn van de werkelijke redenen voor ons gedrag – we weten niet zeker of we iets deden uit gewoonte of vanuit zelfzuchtige of juist meer prosociale overwegingen. We moeten maar afgaan op onze eigen indrukken en op wat anderen ons vertellen – en precies daar zit ’m de kneep. Want door de eeuwen heen hebben we geleerd eerst dreiging te traceren en te neutraliseren alvorens ons aan allerhande plezierige bezigheden over te geven. En dus zijn we geneigd te denken dat onze gesprekspartner, onze buurman, vooral opereert vanuit zelfzuchtige motieven. Deze evolutionair verankerde neiging heeft tot gevolg dat we onze medemens vaak tekortdoen, in die zin dat die medemens veel minder vaak vanuit zelfzuchtige overwegingen handelt dan we geneigd zijn te denken. We overschatten schromelijk de mate van zelfzuchtig gemotiveerd gedrag. Tegelijk onderschatten we de mate van prosociaal gemotiveerd gedrag.
De oorzaak van dit laatste is vooral cultureel van aard. Zo bleek uit onderzoek in zowel de Verenigde Staten als Nederland dat mensen vaak hun eigen prosociaal gemotiveerde gedrag uitleggen als ingegeven door en goed voor het eigenbelang. We doen vrijwilligerswerk ‘omdat je dan tenminste weer onder de mensen komt’, we doneren geld ‘omdat je het zo rottig vindt om nee te zeggen’. We doen dit vaker dan nodig en terecht is, wellicht omdat we bang zijn voor ‘slapjanus’ versleten te worden. Het is deels aan mode onderhevig en deels cultureel bepaald. Zo was het in de softe jaren zeventig van de vorige eeuw juist gewild om te zeggen dat je iets voor de gemeenschap deed en in sommige culturen, zoals die in Zuidoost-Azië, wordt zelfopoffering als belangrijke waarde met de paplepel ingegoten. Maar in de beschaafde westerse wereld geldt dit niet meer: we doen vaak prosociaal gedrag af als ingegeven door eigenbelang. Daarmee doen wij onszelf, onze medeburgers én de samenleving als geheel onrecht. Als we niet oppassen verwordt de illusie van zelfzucht tot een self-fulfilling prophecy, een harde werkelijkheid.

DIT IS TE VOORKOMEN. Om te beginnen zou het helpen als we de ons omringende (illusoire) zelfzucht minder benoemen en daarentegen het prosociale, coöperatieve, op gezamenlijkheid gerichte gedrag wél benadrukken. Want naast extravagante zelfverrijking doen mensen aan vrijwilligerswerk, naast belastingfraude zien we maatschappelijk bewogen ondernemers, naast segregatie en gettovorming zien we toenadering en integratie. Niet alleen Bill Gates, maar ook Nederlandse captains of industry als Paul Fentener van Vlissingen en Pieter Geelen investeren hun vermogen in maatschappelijke doelen, zoals natuurbehoud en scholing van kinderen in de Derde Wereld. Organisaties als Fortis geven hun medewerkers betaald verlof om vrijwilligerswerk te doen. En hoeveel mensen dragen niet belangeloos bij aan het tot stand komen van gratis software, aan de voor elke internetgebruiker toegankelijke Wikipedia, of aan Visie21.nl? Hoeveel vrijwillige collectanten kent Nederland niet, aan wie de meeste mensen graag en gul geven?
Ook is een verandering van nationaal en lokaal beleid nodig. Te vaak en te gemakkelijk worden op het individu afgestemde straffen en beloningen bedacht om prosociaal gedrag te bevorderen. Zo experimenteert Verkeer en Waterstaat met kleine geldelijke beloningen voor diegenen die de ochtendspits mijden en met de trein reizen. De belastingdienst beboet fraudeurs en wanbetalers, en de milieupolitie slingert vervuilers op de bon. De minister van Financiën zoekt naarstig naar mogelijkheden om de asociale bonuscultuur een halt toe te roepen, de werkgevers proberen door middel van financiële prikkels mensen langer te laten doorwerken, en de CDA-fractie probeert immigranten beter te laten integreren door aanvragen voor een uitkering kritischer te bekijken. Telkens wordt prosociaal gedrag gestimuleerd door via straf en beloning het directe eigenbelang van betrokkenen aan te spreken. Het gevolg is dat mensen prosociaal gedrag vertonen zolang het goed is voor hun eigenbelang. Zodra de prikkel wegvalt, verdwijnt ook het prosociale gedrag als sneeuw voor de zon. We realiseren ons te weinig dat dit soort beleid ervoor zorgt dat mensen niet langer uit zichzelf prosociaal gedrag vertonen, gewoon omdat ze dat belangrijk vinden en van jongs af aan hebben geleerd, maar om zelfzuchtige redenen.
Zowel lokaal als nationaal zullen we toe moeten naar beleid dat de voorwaarden waaronder mensen uit zichzelf prosociaal gedrag vertonen bevordert. Een paar concrete ideeën en voorstellen. De huidige camera’s in winkelstraten wekken de indruk dat het er gevaarlijk is, waardoor mensen bang, zelfzuchtig en soms zelfs agressief worden. Weghalen is een eerste stap, en zorgen voor een schone, groene omgeving een tweede. Wetenschappelijk onderzoek wijst uit dat in een schone omgeving agressie en gevoelens van onveiligheid afnemen. Men moet zich voorts richten op relatief kleine groepen, buurten en gemeenschappen, want we weten dat op dat kleinschalige niveau prosociaal gemotiveerd gedrag gemakkelijker tot stand komt, zichtbaarder is en sneller resultaat heeft. In overeenstemming met het pleidooi van de Nationale Ombudsman moet beleid rechtvaardig zijn en dus moeten politici en beleidsmakers openheid, eerlijkheid en procedurele zorgvuldigheid hoog in het vaandel dragen. Onderzoek toont keer op keer dat procedurele rechtvaardigheid vertrouwen stimuleert, aanzet tot constructief omgaan met conflicten en samenwerking bevordert.
Om diezelfde reden kan het geen kwaad om lokale en nationale problemen aan te pakken door met belanghebbenden te onderhandelen (polderen) in plaats van toe te geven aan de veelgehoorde wens van snelle en ‘daadkrachtige’ besluitvorming. Want ook hier blijkt uit studies dat polderen draagkracht, onderling begrip en actieve participatie van burgers veel sterker bevordert dan polariserende taal en bevoogdende politiek.
Het probleem is dat we onszelf en elkaar te veel aanpraten dat de zelfzuchtige drijfveren de boventoon voeren. Deze illusie van de zelfzucht staat aan de basis van allerhande beleid dat die illusie in stand houdt.
We pleiten nu niet voor een terugkeer naar de ‘softe’ jaren zeventig, of voor een totale afschaffing van beleid dat door middel van straf en beloning gedrag stimuleert dat in ieders belang is. Wél pleiten we voor een kritischer houding ten aanzien van de onderliggende aannames – die van de zelfzuchtige Nederlander incluis. Vaak zijn er alternatieven die ruimte scheppen voor spontaan, oorspronkelijk en waarachtig prosociaal handelen. Het voorkomt bovendien dat de illusie van de zelfzucht verwordt tot een harde en grimmige werkelijkheid.

Carsten K.W. De Dreu is hoogleraar psychologie aan de Universiteit van Amsterdam en president van de European Association for Social Psychology. Aukje Nauta is bijzonder hoogleraar sociale en organisatiepsychologische aspecten van prosociaal gedrag aan de Universiteit van Amsterdam en senior consultant bij Randstad HR Solutions