Hoofdcommentaar

Beter uitleggen

Het was de allerlaatste motie die afgelopen zaterdag op het pvda-congres in stemming werd gebracht. De handen hoefden er pas voor omhoog toen al duidelijk was dat de pvda-afgevaardigden hun bewindslieden en Tweede-Kamerleden niet voor de voeten zouden lopen bij politiek heikele onderwerpen als het referendum over het nieuwe Europese Verdrag en de verlenging van de missie in de Afghaanse provincie Uruzgan. Mocht in de media de indruk zijn gewekt dat het op deze twee punten een spannend congres zou worden, doorgewinterde pvda-congresgangers wisten beter: als het erop aan komt, is de pvda een echte bestuurderspartij waarvan het kader weet dat je compromissen moet sluiten als je regeert. Dat referendum komt er dus niet en de troepen in Uruzgan worden niet door het pvda-congres naar huis verordonneerd.

Toen kwam dus die allerlaatste motie. Ze was ingediend door de afdeling Hoorn en werd vurig aan de man gebracht. De afgevaardigde had het over de onrust op straat bij de gewone kiezer over het pvda-optreden, duidde die reactie als emotioneel en verstoken van rationele argumenten en voegde daaraan toe dat veel actuele onderwerpen ook te complex zijn. Ze kreeg applaus. Of zoals de dagvoorzitter het verwoordde: wie durft hier tegen te zijn. Dus stemden alle afgevaardigden voor een motie die in essentie hierop neer komt: de pvda moet het kabinetsbeleid en het eigen optreden beter gaan uitleggen. Betere politieke communicatie als wapen tegen het onbegrip van de kiezer op straat. Niemand die daar op het congres iets vreemds aan vond.

De pvda’ers blijken kort van memorie. Ze zijn vergeten hoe groot hun hoon was toen de cda-, vvd- en d66-bewindslieden van het kabinet-Balkenende II nog maar een paar jaar terug de massale kritiek op de hervormingen in de vut en het prepensioen keer op keer pareerden met de opmerking: ‘We moeten het beter uitleggen.’ Dat werd toen arrogant gevonden; het kabinet deed alsof de kiezer er niks van begreep en dom is. De pvda-senator Trude Maas schreef in september 2006 nog in een stuk: ‘Hoe vaak hebben we niet gehoord: we moeten het beter uitleggen. Onzin. De mensen snappen de politiek als nooit tevoren. Maar ze herkennen zich er niet meer in.’ Maar ja, toen voerde de pvda nog oppositie.

Het blijft worstelen in Den Haag met de kloof tussen de kiezer en de politiek. Niet alleen bij de pvda overigens, ook bij de andere partijen. Over die kloof wordt al tientallen jaren na elke verkiezingsuitslag gesomberd, maar de zorgen erover zijn pas echt groot geworden toen de kiezers zich in 2002 in groten getale van de gevestigde partijen afkeerden.

Beter luisteren. Beter uitleggen. Het referendum. De gekozen burgemeester. Ander kiesstelsel. Het Belevingsonderzoek. Van alles is als middel geopperd om die kloof te dichten. Sommige middelen zijn ook uitgeprobeerd, veel institutionele wijzigingen zijn inmiddels echter ook weer in de ijskast gezet. Bestuurlijke Vernieuwing, in het vorige kabinet nog een aparte minister waard, is niet de prioriteit van pvda-minister Guusje ter Horst van Binnenlandse Zaken.

Inmiddels is de trend de kloof te beschouwen als horend bij onze representatieve democratie. De kloof accepteren vermindert echter niet het cynisme waarmee een groot deel van de kiezers naar de politiek kijkt. Het eerste mag inherent zijn aan het politieke systeem, het tweede is daarvoor juist gevaarlijk.

De Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (rmo) benadert in het vorige week uitgebrachte rapport Vormen van democratie dit probleem van een andere kant. Kijk nu eens niet naar democratische middelen, zoals het referendum, zegt de raad, maar naar de democratische gezindheid van die kiezer zelf. Het klinkt als een jij-bak: al dat cynisme ligt niet aan de politici, maar aan de kiezers. Maar de raad wijst met de vinger naar de overheid. Die heeft het bevorderen van een democratische mentaliteit onder haar burgers verwaarloosd. Nota bene in een tijd dat de samenleving veel pluriformer is geworden, waardoor het samen democratisch tot een besluit komen moeilijker is dan toen Nederland eenvormiger was.

De rmo pleit niet voor de restauratie van de inspraakcultuur, maar oppert eens te kijken naar bijvoorbeeld de Duitse Planungszellen. Daarin leren burgers om in een groep een maatschappelijk probleem bij de kop te pakken, van alle kanten te bekijken en er samen een advies over op te stellen. Zelf doen doet de burger beseffen hoe verschillend over zaken gedacht kan worden en hoe moeilijk het is dan tot een gezamenlijke oplossing te komen.

De raad zegt zelf dat dit opvoeden tot democratisch gezind burger misschien weinig pretentieus is. Maar na jaren waarin in Den Haag menige ruzie is uitgevochten over grote bestuurlijke vernieuwingen, die vervolgens toch niet van de grond kwamen, doet dit advies in zijn bescheidenheid juist realistisch aan.

De pvda en de andere politieke partijen kunnen in dat ‘opvoeden’ ook zelf een rol spelen. Dan nemen ze de kiezer serieuzer dan wanneer ze bij desastreuze opiniepeilingen roepen dat het beleid beter moet worden uitgelegd. Niet dat uitleggen fout is. Maar ‘beter uitleggen’ riekt naar ‘de kiezer is dom’ en draagt het risico in zich van politieke propaganda. Hoongelach als een politicus zegt het nog eens te willen uitleggen overigens ook.