Het kapitalisme gaat met pensioen

Beter wordt het niet

Al zo lang het kapitalisme bestaat, wordt het verdwijnen ervan aangekondigd. Is het nu dan echt zo ver? De digitale revolutie en het einde van de groei dirigeren het kapitalisme langzaam in de richting van de coulissen.

Small 01 appleboom euros

Op 15 september 2008 stond Paul Mason, samen met tientallen andere journalisten, voor het hoofdkantoor van Lehman Brothers in New York. Druk pratend en gebarend richtten ze hun telefoons op de glazen wolkenkrabber om vast te leggen wat hier gebeurde: het failliet van een grote investeringsbank, ten val gebracht door een geknapte huizenzeepbel die de gehele wereldeconomie in de malaise stortte. Later besefte Mason dat niet de bankiers die één voor één het gebouw verlieten, maar de smartphone in zijn hand en het gratis wifi-signaal van de Starbucks achter hem de werkelijke illustratie waren van wat hij op dat moment meemaakte: de ineenstoring van het kapitalisme.

‘Al het nieuw geschapen geld, en het hele momentum van de financiële sector zoals dat de afgelopen 25 jaar is opgebouwd’, zo schrijft Mason in zijn recente boek Postkapitalisme: Een gids voor de toekomst, ‘moeten worden afgewogen tegen de mogelijkheid dat het kapitalisme de “waarde” niet kan vangen die door de nieuwe technologie wordt gegenereerd.’ Informatietechnologie, betoogt Mason, doet waar volksopstand, rode dictatuur en een lange mars door de instituties nooit in slaagden: het kapitalisme (‘een systeem gebaseerd op markten, eigendom en handel’) op de knieën dwingen.

Wacht even. We leefden toch in een tijd ‘waarin bijna alles te koop is en verkocht kan worden’, zoals Harvard-filosoof Michael Sandel schrijft in What Money Can’t Buy? De Volkskrant liet afgelopen weekend een verslagen Jan Terlouw aan het woord. ‘Het kapitaal is nu helemaal de baas’, somberde de oud-minister van Economische Zaken. En zelfs uit zijn eigen tegenslagen weet het kapitalisme munt te slaan. Honderdduizenden mensen over de hele wereld kochten afgelopen maand een bioscoopkaartje voor The Big Short, de verfilming van het gelijknamige boek van financieel journalist Michael Lewis die de kredietcrisis presenteert als een corporate avonturenverhaal, waarin geslepen investeerders miljarden binnenslepen dankzij een financieel stelsel dat in duigen valt.

Maar als we Mason moeten geloven kijkt het bioscooppubliek naar het verkeerde spektakel, net zoals hijzelf destijds tijdens de val van Lehman Brothers. Het financiële kaartenhuis dat zich sinds de crisis weer langzaam opbouwt, vertegenwoordigt niet werkelijk het economisch stelsel, maar is juist een hint dat kapitalisme als mondiaal ordenend principe op de laatste benen loopt. Hij citeert de Franse historicus Ferdinand Braudel, die meende dat als financiële instrumenten hun intrede doen het einde van een tijdperk nabij is: ‘Iedere kapitalistische ontwikkeling van deze aard lijkt, door het stadium van het financiële kapitalisme te bereiken, in zekere zin blijk te hebben gegeven van zijn volwassenheid: het [is] een signaal dat duidt op de herfst.’

Mason zelf ziet de signalen dat het kapitalisme afbrokkelt online, waar miljoenen vrijwilligers gratis en voor niks de online encyclopedie Wikipedia onderhouden. Waar ze goederen uitwisselen die ooit een hele industrie overeind hielden. Wie muziek koopt sponsorde tot voor kort een lange keten met de muzikant aan het begin en de platenzaak aan het eind. Daartussen zaten de groothandel, de fabriek die hoesjes maakte, plus de chauffeurs die alles van A naar B reden. Wordt muziek digitaal verspreid, dan valt het hele midden weg. Hetzelfde geldt voor boeken. Een ware bibliotheek van Alexandrië staat ter beschikking van iedereen met een internetaansluiting, waarvan een groot deel ook nog eens voor niks verkrijgbaar is. En al dat goedkope, massale delen ondermijnt het centrale businessmodel van het kapitalisme: de bereidwilligheid van mensen om te betalen voor alles wat schaars is: grondstoffen, arbeid, kennis. En zonder businessmodel wordt het tijd voor wat nieuws.

Postkapitalisme. Het lijkt een idee waarvoor de tijd gekomen is. Of beter gezegd: opnieuw gekomen is. Want al zo lang als het kapitalisme bestaat, verkondigen zijn critici het einde ervan. Paul Masons Postkapitalisme komt daarmee in aanmerking om het nieuwste handboek te worden voor de permanente oppositie tegen het kapitalisme. Dankzij Mason is de term ‘postkapitalisme’ ingeburgerd in het Britse publieke debat. En dat is veelzeggend. Bijna tien jaar nadat de kredietcrisis in 2007 begon, is het grote publiek in toenemende mate bereid om de gedachte toe te laten dat kleine aanpassingen van het kapitalisme niet voldoende zijn, maar dat het hele systeem bij het grof vuil kan. Zelfs de zakenpers is aangehaakt. Boven een welwillende bespreking van Masons boek stelde Forbes de vraag: ‘Is capitalism ending?’

De intellectuele voorhoede die deze vraag met ‘ja’ beantwoordt wordt gevormd door denkers voor wie het geen kwestie is of het kapitalisme sneuvelt, maar hoe dat zal gebeuren. ‘How will capitalism end?’ schreef de Duitse politiek wetenschapper Wolfgang Streeck in een veelgelezen artikel in The New Left Review in 2014. Volgens Streeck doet vastgelopen groei in combinatie met oplopende schulden en groeiende ongelijkheid het kapitalisme de das om. De trucendoos waarmee dit probleem bezworen moet worden is volgens Streeck zo goed als leeg. De enige reden dat het kapitalisme nog kan doorpruttelen is dat centrale banken geld in de economie blijven pompen – en ook dat kan niet eeuwig doorgaan.

De enige reden dat het kapitalisme nog kan doorpruttelen is dat centrale banken geld in de economie blijven pompen

Ook voor Paul Mason is de vraag stellen hem beantwoorden. Hij ziet drie grote ontwikkelingen die in de afgelopen 25 jaar stilletjes bezig zijn geweest om het kapitalisme van binnen leeg te vreten en nu op het punt staan om door de overgebleven schil naar buiten te barsten. Het begint ermee dat er dankzij robotisering en informatietechnologie steeds minder werknemers nodig zijn, stelt Mason. Op die manier verdwijnt arbeid (voor de werknemer om te verkopen, voor de kapitalist om te exploiteren) als steunpilaar van het kapitalisme. Daarbij gooit de IT-revolutie het prijsmechanisme in de war, aldus Mason: ‘Dat komt doordat markten zijn gebaseerd op schaarste, terwijl informatie in overvloed beschikbaar is.’ En overvloed laat zich lastig prijzen.

Ten slotte signaleert Mason een ‘spontane opmars van coöperatieve productie: goederen, diensten en organisaties steken de kop op, die zich niet langer houden aan de dictaten van de markt en de bestuurlijke hiërarchieën’. Hij bezingt de nieuwe commons, de alternatieve munteenheden, de online deelplatforms waar mensen gratis (of tegen een kleine vergoeding) spullen aan elkaar beschikbaar stellen. Ging de strijd in een vorig tijdperk om een arbeidersklasse versus de bezitters van kapitaal, in de 21ste eeuw wordt de slag om het kapitalisme uitgevochten tussen netwerken en hiërarchieën, concludeert Mason. De hiërarchie, dat is de structuur van het oude kapitalisme waarin ‘monopolies, banken en overheden alles geprivatiseerd, schaars en commercieel probeerden te houden’. Het netwerk is de manier waarop mensen zich aan de greep van het kapitalisme proberen te onttrekken. Door elkaar onderling te betalen in bitcoins, bijvoorbeeld, door een energiecorporatie te beginnen of door kennis online gratis aan anderen ter beschikking te stellen.

Mason geeft grif toe dat hij niet zelf het wiel heeft uitgevonden. Als Brit uit een links nest kent hij zijn Marx. Zo goed zelfs dat hij zwaait met een obscuur fragment uit het werk van de beroemdste ondergangsprofeet die het kapitalisme heeft gehad. Mason is in de ban van een passage in de losse aantekeningen in de dagboeken van Marx die in West-Europa pas in de jaren zestig opdoken. Het gaat om het Fragment over machines waarin Marx tot het inzicht komt dat als fysieke arbeid door machines gedaan kan worden kennis de ware drijvende kracht van het kapitalisme is. Maar het is lastig om een prijs aan kennis te hangen. Je kunt er veel minder makkelijk eigenaar van zijn, zoals bij machines en fabrieken wél het geval is. En dus komt Marx uit op een van de vele interne contradicties die critici in het kapitalisme hebben aangewezen: het kapitalisme heeft een grondstof die niet tastbaar is en zich alleen kunstmatig laat opdelen in verhandelbare eenheden. En daarmee zijn de ‘materiële voorwaarden aanwezig om de fundamenten van het kapitalisme volledig op te blazen’, concludeerde Marx.

Anderhalve eeuw lang werd er nauwelijks aandacht besteed aan deze zijstraat in het werk van Marx. De technologie was simpelweg nog niet zo ver ontwikkeld dat zijn analyse al in de praktijk terug te zien was. In plaats daarvan vormde zijn denken de basis voor een linkse stammenstrijd met als inzet de vraag op welke manier het kapitalisme zou vastlopen. Sommige marxisten dachten dat overproductie een natuurlijke rem op het kapitalisme was, anderen meenden dat wanneer door koloniale expansie de hele wereld één grote markt was geworden de rek uit het systeem zou zijn. Marxisten van het meer activistische soort meenden dat marktprocessen actief verstoord moesten worden, door een arbeidersklasse die de middelen van productie overnam, door middel van revolutie of de stembus. En anderhalve eeuw lang hield links bij iedere economische crisis de adem in: zou dit het begin van het einde zijn?

Toch werden er keer op keer nieuwe markten ontdekt, nieuwe markten binnen markten bedacht. Keer op keer waren er nieuwe ondernemers die manieren verzonnen om goederen en diensten te prijzen en met winst aan anderen te verkopen. Kapitalisme, op die manier, was de machine die zichzelf draaiende hield. Verkoop betekende groei, en groei betekende meer inkomsten die vervolgens weer gebruikt konden worden om meer te consumeren. Maar nu is de rek eruit, daarvan is Mason overtuigd. Hij heeft het this time is different-gevoel waarmee de financiële sector in de jaren voor 2008 haar optimistische prognoses deed overgenomen en als wapen ingezet. ‘Kapitalisme is een complex, adaptief systeem dat de grenzen van zijn aanpassingvermogen heeft bereikt’, schrijft hij. ‘Als het kapitalisme zich niet langer kan aanpassen aan technologische veranderingen wordt het postkapitalisme noodzakelijk.’

‘Vooruitgang sinds 1970 is versmald tot het domein van vermaak, communicatie en het verwerken van informatie’

Op het eerste gezicht zit er een vreemde vertraging in de opkomst van het postkapitalistisch denken. Je zou verwachten dat zo’n idee een glorieuze entree maakte vlak na 2008, toen de financiële sector in de touwen hing en iedereen de pijn in de portemonnee voelde. Maar blijkbaar waren de geesten toen minder rijp voor het idee dat het wel eens over kon zijn met het kapitalisme. In het geval van Mason komt dat vooral doordat de technologische veranderingen die het kapitalisme ondermijnen toen nog behoorlijk nieuw waren. De journalisten die de val van Lehman Brothers met hun telefoon vastlegden, waren voorlopers. De eerste iPhone kwam op de markt in 2007, de eerste Android-smartphone in 2009. Deelplatforms als Uber en Airbnb bestonden nog niet. Pas in de afgelopen tien jaar is het Westen een echte informatie-economie geworden. Tussen 2006 en 2012 vertienvoudigde de jaarlijkse informatieproductie van de mensheid, meldt Mason.

Wat het postkapitalisme ook de wind in de rug geeft, juist nu, is dat echt herstel nog steeds op zich laat wachten. De economische groei in Europa en de Verenigde Staten is al bijna een decennium minder dan twee procent, en noch hard bezuinigen noch de economie stimuleren lijkt het kapitalisme uit zijn kwakkelende staat te kunnen verlossen. Tot nu toe was het de grootste troef waarmee het kapitalisme zijn critici terug in het hok kreeg: uiteindelijk trok de groei altijd weer aan, vonden werklozen weer een baan en kwamen er nieuwe producten op de markt om te kopen waardoor het spelletje weer van voren af aan kon beginnen. Inmiddels groeit de overtuiging dat economische groei tot het verleden behoort. Of beter gezegd: tot het recente verleden: want groei, echte groei, van meer dan zeg één procent, is iets wat de wereld eigenlijk pas kent sinds de geboorte van het industriële kapitalisme halverwege de negentiende eeuw. In de eerste achttien eeuwen van onze jaartelling groeide de wereldeconomie met niet meer dan gemiddeld 0,06 procent per jaar, oftewel met zes procent per eeuw. En wellicht keren we terug naar die natuurstaat.

Medium 03 appel euro worm

stel je het volgende voor: een Amerikaan uit 1940 wordt per tijdmachine een eeuw terug gestuurd om te kijken hoe zijn overgrootouders leefden. Waarschijnlijk zou hij het vreselijk primitief vinden: geen stromend water, geen elektrische verlichting, geen gas om op te koken, allemaal dingen die in de jaren veertig in een doorsnee Amerikaans huishouden te vinden waren. Reizen, dat ging aan het begin van de negentiende eeuw niet veel sneller dan te voet of te paard. Een groot deel van de gezinnen in 1940 had een auto, kon gebruik maken van de trein of, bij beschikking over een iets dikkere portemonnee, een ticket kopen voor de commerciële passagiersvluchten die hun intrede hadden gedaan. Simpel gesteld: in een eeuw tijd is het leven spectaculair comfortabeler, luxer en sneller geworden. Stel je dan iemand voor van nu die een bezoekje brengt aan 1940. Natuurlijk, er was geen internet, maar wat betreft materiële omstandigheden was het leven driekwart eeuw geleden niet fundamenteel anders.

Bovenstaand gedachte-experiment vormt de basis voor The Rise and Fall of American Growth: The US Standard of Living van Robert J. Gordon. Volgens deze econoom zijn de Verenigde Staten ten onrechte gewend geraakt aan constante vooruitgang. Wie de lange duur van de geschiedenis bekijkt, ziet dat er welgeteld één eeuw van spectaculaire verbetering en groei is geweest, van grofweg 1870 tot 1970. In die ‘special century’ hebben alle ‘great inventions’ hun intrede gedaan, waardoor het leven nu zo prettig is: in transport (treinen, vliegtuigen, auto’s), in het huishouden (koelkasten, wasmachines), in de infrastructuur (riolering, gas- en elektriciteitsnetwerken), in de gezondheidszorg (verdovingen, antibiotica) en ga zo maar door. Na 1970 draaide de economie vooral om het verspreiden en verbeteren van die ‘great inventions’ zelf: een goedkopere wasmachine, een snellere auto.

‘Wat de periode 1870-1970 bijzonder maakt’, betoogt Gordon, ‘is dat de uitvindingen van die tijd niet herhaald kunnen worden.’ Dat komt simpelweg doordat de eerste meters het zwaarst zijn. In de ‘special century’ kwam een einde aan het vuil, de kou en de zware arbeid. Reizen werd eenvoudig, communiceren over grote afstanden ook. Op al die terreinen, zo betoogt Gordon, valt niet veel winst meer te behalen. Bijna iedereen heeft dagelijks een douche, verwarming in de winter, airco in de zomer. Sneller internet klinkt mooi, maar het verschil met de eerste trans-Atlantische kabel die in 1858 werd gelegd is marginaal. Ook toen al ging een telegraafbericht binnen één seconde de oceaan over.

Gordon schrijft over de Verenigde Staten, maar je kunt hetzelfde verhaal vertellen over West-Europa, waar de zegeningen van de ‘special century’ iets langer op zich lieten wachten. Op de puinhopen van naoorlogs Europa werd ook een welvaartsparadijs gecreëerd. Halverwege de jaren vijftig was bijna heel Europa op het elektriciteitsnet aangesloten. Twintig jaar later had negentig procent van de huishoudens een koelkast. Ook dit continent werd een samenleving met vrije tijd en een pleziereconomie. Groei was de grote aanjager van alle verandering. Groei van de bevolking, groei van het besteedbaar inkomen en groei van de manieren waarop het kon worden uitgegeven. De Nederlandse economie groeide van 1950 tot 1970 met 3,5 procent per jaar, zeven keer het gemiddelde van de halve eeuw daarvoor.

De jaartallen die Gordon kiest zijn niet toevallig. In zowel de Verenigde Staten als Europa ging die speciale eeuw gepaard met de hoogtijdagen van het kapitalisme. Het begon in de negentiende eeuw met de industriële revolutie die enorme productiviteitsgroei met zich meebracht. Het eindigde in de twintigste eeuw, met nog een technologische revolutie, de digitale ditmaal. Ook mooi, maar vergeleken met de great inventions niet zo ingrijpend. ‘Economische groei sinds de jaren zeventig is tegelijk schitterend en teleurstellend’, schrijft hij. ‘Die paradox is opgelost zodra we beseffen dat vooruitgang sinds 1970 is versmald tot het domein van menselijke activiteit dat te maken heeft met vermaak, communicatie en het verzamelen en het verwerken van informatie.’ En dat, zo wil Gordon maar zeggen, is heel wat minder indrukwekkend dan een continent vol spoorlijnen leggen of twee continenten met elkaar verbinden door middel van een telefoonlijn.

Op het oog lijkt wat Gordon betoogt in The Rise and Fall of American Growth haaks te staan op de technologische omverwerping van het kapitalisme die iemand als Mason voorziet. Voor hem zijn de digitale revolutie en de netwerkeconomie juist revolutionair omdat ze de bestaansvoorwaarden van het kapitalisme vernietigen. Toch leggen deze twee denkers de basis voor dezelfde conclusie: de nabije toekomst lijkt geenszins op het recente verleden. Het kapitalisme is na anderhalve eeuw futloos geworden, en is niet meer in staat de dynamiek te creëren waarmee het zichzelf bezighield. En nu het kapitalisme niet langer de prestaties levert die mensen ervan gewend zijn, wordt het langzaam in de richting van de coulissen gedirigeerd.

‘Het infokapitalisme heeft een nieuwe drager van verandering gecreëerd: de goed opgeleide en verbonden mens’

De grote vraag is natuurlijk wat er eventueel in de plaats komt van het kapitalisme en de opwaartse beweging die er anderhalve eeuw lang bij hoorde. Paul Mason houdt zich bij zijn beschrijving van hoe het postkapitalisme er precies uitziet enigszins op de vlakte. Deze nieuwe fase in de geschiedenis is vooral het fotonegatief van alles wat het kapitalisme nu is: het getover met financiële producten, grote schulden, de 1 versus de 99 procent, de goedkope banen. Hier en daar tilt hij de sluier even op: een einde aan de privatisering van publieke goederen, het laten oplopen van inflatie zodat schulden langzaam kleiner worden, een verbod op monopolies (dwing Google een staatsbedrijf te worden en maak iedereen aandeelhouder, is een zijn van radicale voorstellen).

Ook pleit Mason voor wat inmiddels het lievelingsproject van de alternatieve economie is geworden: een basisinkomen. Maar dat zijn, zo benadrukt Mason, allemaal vooral instrumenten om te breken met de bestaande economische orde. Wat daarna komt, laat zich niet in blauwdrukken vatten. De toekomst is volgens hem een known unkown. Dat ziet hij niet als een zwaktebod. ‘In plaats van op zoek te gaan naar een eindstadium is het belangrijker ons af te vragen hoe we kunnen omgaan met tegenslagen – of aan een doodlopende steeg kunnen ontsnappen’, aldus Mason.

Wat Mason wél zeker weet is dat het bijna zo ver is. ‘Voor de ontwikkelde wereld is het beste van het kapitalisme verleden tijd, en voor de rest van de wereld zal het tijdens ons leven voorbij zijn’, schrijft hij in Postkapitalisme. Een tweede zekerheid voor hem is dat bij een nieuw kapitalisme ook een nieuwe mens hoort. Zoals het traditionele kapitalisme werd vertegenwoordigd door de deugdzame bourgeois en het communisme door de gemeenschapsgezinde arbeider is het volgens Mason de vernetwerkte, technofiele mens die het postkapitalisme belichaamt. Op dezelfde manier waarop de sovjets met bombarie verkondigden dat in hun fabrieken een nieuwe mens geboren zou worden, kondigt Mason de stoottroepen van het postkapitalisme aan: ‘Door miljoenen via netwerken verbonden mensen in het leven te roepen, financieel uitgebuit maar met het geheel van menselijke intelligentie onder hun vingertoppen, heeft het infokapitalisme een nieuwe drager van verandering gecreëerd: de goed opgeleide en verbonden mens.’

Robert J. Gordon is minder positief gestemd. Hij ziet vooral het aanzwellen van ‘de tegenwinden’ die het kapitalisme in het gezicht blazen, nu de grote sprong voorwaarts is gemaakt en er hooguit nog kleine stapjes mogelijk zijn: de toename van de ongelijkheid, stagnerende inkomens, stijgende kosten van het hoger onderwijs. Het zijn de grote sociaal-economische problemen die op dit moment het publieke debat in de Verenigde Staten bepalen. En als Gordons these van een vertraagde ‘special century’ voor Europa klopt, is dat waar de rest van het Westen de komende jaren mee te maken krijgt.

Ook hier grijpen het technologische optimisme van het postkapitalisme en het einde van de vooruitgang in elkaar. Beide wijzen erop dat de combinatie van groei, consumptie en vooruitgang haar nut heeft bewezen en nu voorbij is. Samen met een ongekend hoog percentage van de bevolking dat ervan profiteerde gaat het kapitalisme nu met pensioen. In het geval van Mason is dat een gedwongen pensionering, omdat een dynamische jonge werknemer met digitale skills zich aandient. In het geval van Gordon is het pensioen omdat het werk voltooid is, althans in het Westen. De levensverwachting is hoog, het leven comfortabel. Het kan in feite alleen maar minder worden.

Of de oude dag van het kapitalisme ook vredig zal zijn, valt te bezien. De nabije toekomst die Gordon schetst wordt getekend door ‘stagnerende inkomens en sociale disfunctionaliteit’, als gevolg van het feit dat de weg omhoog tot een einde is gekomen. Maar ook de postkapitalistische samenleving die Paul Mason aan de horizon ziet opdoemen, zal niet zonder slag of stoot ter wereld komen. De vervanging van het postkapitalisme waar hij reikhalzend naar uitziet lijkt weinig ruimte te bieden voor iedereen die de informatiesamenleving niet als een utopie beschouwt. De grote tegenstander, dat zijn volgens Mason de banken, de monopolies en de overheden die alles commercieel, schaars en privé hopen te houden. En dat klinkt bekend. Ook de critici die aan het begin van de vorige eeuw met Marx in de hand de ondergang van het kapitalisme voorspelden, wezen op de grote machten die gebroken moesten worden, waarna een heilstaat van gelijkheid en harmonie zou ontstaan.

Mason is een onversneden idealist, vertegenwoordiger van een intellectuele stroming die verkondigt dat utopisch denken weer helemaal mag. Voor het gemak veronderstellen deze denkers consensus over hoe die utopie eruitziet. Het postkapitalisme is volgens Mason ‘gebaseerd op de rede’ en zal worden gevormd door ‘testbare ontwerpen’ in de praktijk te brengen. ‘Als intelligente wezens’ moeten we volgens hem een beeld schetsen van ‘het ideale leven, de perfecte samenleving’. Als anderhalve eeuw touwtrekken tussen kapitalisme en antikapitalisme één ding heeft laten zien, dan is het dat een ideale samenleving zonder dwang nooit heeft kunnen bestaan.


Paul Mason, Postkapitalisme: Een gids voor de toekomst verschijnt eind deze maand bij uitgeverij De Bezige Bij