Zo werkt herinneren: mijn moeder, staand bij het aanrecht, vertelt dat mijn vader, met een bakbeest van een camera op zich gericht, de gracht over moest steken. ‘Steeds opnieuw, want hij had een heel raar loopje.’ Het is hoogzomer, ik lepel zilveruitjes uit een potje en zij kneedt een zalmsalade in de vorm van een vis. Ik ben een jaar of elf, beginnend romanticus, en houd van de manier waarop ze over mijn vader praat, met de adoratie die ze na zijn vroege dood heeft weten te conserveren tot iets strikt persoonlijks waar ze me soms een flintertje van toeschuift: dat ze geliefden waren, lang vóór ik bestond, dat ze samen waren. De gloed die over haar gezicht trekt maakt haar jong, mooi, zorgeloos.

Ze beschrijft de oplopende ergernis van de regisseur, de jas die mijn vader moest dragen en het teleurstellende resultaat van zijn eendaagse figurantencarrière: een seconde in beeld. Met haar duimen drukt ze twee kuiltjes in de kop van de vis. Daar komen zilveruitjes in, bij wijze van ogen.

Toen ik, 25 jaar later, gevraagd werd een gedicht te schrijven met als thema ‘De grachten’ wist ik direct dat ik dit verhaal zou benutten. Het was geschikt materiaal, leek mij. Ik zou het particuliere vastknopen aan het publieke, mijn jonge, verloren vader aan andermans behouden uitzicht. Het zou de waarheid zijn zonder op de waarheid te lijken; zo werkt poëzie. Na voltooiing las ik het mijn moeder voor. Nu geef ik haar iets terug, dacht ik, iets wat ze zelf mogelijk alweer vergeten is, wat ze terloops, tijdens het vormen van een vis, heeft gedeeld en wat ik zo goed had opgeslagen.

‘Kind’, zei mijn moeder, na een korte stilte. ‘Hoe krijg je het toch allemaal bij elkaar verzonnen. Knap, hoor.’ Waarop ik, verward, hakkelend, uitlegde dat ik dat juist helemáál niet had gedaan, dat ik het me allemaal woordelijk herinnerde, het hele verhaal, precies zoals ze het toen in de keuken verteld had. Maar het was niet Amsterdamned geweest, zei mijn moeder. Het was de verfilming van Het bittere kruid van Marga Minco, waarin mijn vader ‘Jood 1’ had gespeeld, zoals dat in het scenario stond, en een steegje uit moest lopen, met ‘Jood 2’. Daar was geen gracht aan te pas gekomen. Waar ik die eend, jas en fiets vandaan had gehaald was haar een raadsel. De zalmsalade die ze zomers vaak maakte kon ze zich overigens wél voor de geest halen. ‘Ik krijg er nu weer zin in.’

Het merkwaardige is dat ik volstrekt niet twijfelde aan haar correcties, nog altijd niet, maar dat het niets veranderde. Er bestaan nu twee films waarin mijn vader ontbreekt – met Amsterdamned had hij nooit iets te maken en ‘Jood 1’ is in de montage gesneuveld. Hij had betrokkenheid, zou je kunnen zeggen, maar hij was niet betrokken. Zo werkt blijven.

Amsterdamned

Ik zag de film waarin mijn vader heeft gefigureerd: één shot
waarin hij langsloopt en niets doet – nou ja, hij steekt,
een herenfiets aan de hand, de gracht over
en kijkt even naar een eend.

Die fiets was niet van hem, weet ik.
Het jasje dat hij draagt geleend.

Mijn moeder is erbij geweest. Hij moest, zegt ze, zes keer
oversteken
voor het hem lukte te lijken op wat elke regisseur graag ziet:
een doodgewone man met een doodgewone fiets.

Hij haalde het einde van de zomer, mijn zevende verjaardag en
bijgevolg ook de première niet. Ik zag hem twintig jaar daarna:
moordenaar die door de grachten snijdt en vrouwen grijpt
en dan, naast de klopjacht, een flits van dat gezicht.

Een man met een fiets die de gracht oversteekt.
De eend, zag ik, is er nog uitgeknipt.

Gedicht: Ester Naomi Perquin. Meervoudig afwezig, 2017