Bevende sporen

Toon Verhoef schilderde een elegie voor een gestorven vriend. De bewegingen erin zijn langzaam, zoals de beweging van woorden in een gedicht.

Medium toon 20verhoef

Hoofdzakelijk wil ik het over een recent schilderij (2016) van Toon Verhoef hebben dat Geen titel heet. Hoe het eruitziet, kunt u zelf zien. Het is blauw. Dat wil zeggen, de wat onzekere rechthoek rechtsonder is blauw. Wat voor soort blauw, daar kom ik zo aan toe. De randen ervan, in het interieur van het doek, lijken op lijnen van gescheurd papier. Dat stuk blauw maakt een klein kwart uit van de smalle, staande rechthoek die het schilderij groot is. Zo lijkt het beeld een samengaan van vier delen die hooguit atmosferisch met elkaar verwant zijn. Zo tenminste begon ik het eerst te zien. Ik begon bij die blauwe rechthoek die wonderlijk smal is en werd ertoe verleid die vorm als een module te zien die vervolgens bij een vierdelige compositie uitkwam. Dat krijg je: je bent kunsthistoricus en dus wil je een schilderij eigenlijk eerst ordenen – zodat het zien ervan niet rommelig wordt.

De slierten verf werden zo, terwijl ze vielen, vluchtige slingers die uit de lucht op het doek spatten

Maar schilders zijn anders. Toen hij aan het schilderij begon, denk ik niet dat Toon dacht hoe hij dat moest ordenen, die verschillende passages vorm die aan het samenkomen waren. Hooguit dacht hij op een rommelige manier aan ordening. Bij nader inzien bestaat het beeld uit rechte, staande fragmenten die tegen en onder elkaar hangen. Elk van die fragmenten is een voorzichtig samengaan van bevende sporen, eigenlijk, van een handschrift. In de passage boven het stuk blauw verloopt het handschrift horizontaal: aan die strepen kun je ook zien dat het lijnen zijn die abrupt stoppen. Die indruk heb ik ook bij de verder overwegend verticale sporen. Eerst vloeien ze, dan raken ze gestremd. Hun loop wordt stil. Wat nu ook duidelijk wordt is dat de rechthoek blauw zoiets als de onderkleur is van het schilderij.

Die kleur is hemelsblauw maar iets getemperd. Elders in het schilderij wordt het blauw bedekt door die rechte, kort gehouden handschriftelijke vegen. Daar raakt het vermengd met het natte wit van de strepen – alsof over het volle blauw een doorzichtige, geplooide doek getrokken wordt. Terwijl dat gebeurt zien we het schilderij bleker en smaller worden. Wat beweegt komt stil te liggen. Dit schilderij Geen titel is een elegie die de schilder maakte voor zijn vriend Milco Onrust, de galeriehouder, die vorig jaar gestorven is.

Medium pollock 20reflection 20of 20the 20big 20dipper 20uit 201947 24a 202971def

Wat ik bedoel zie je als die elegie naast Reflections of the Big Dipper van Jackson Pollock zou hangen. In dat schilderij zijn de kleuren gestrooid over een oppervlak dat ooit iets groter was en toen bijgesneden is tot zijn huidige maat. Het is kleiner dan het schilderij maar oogt ruimer. Dat komt door de luchtigheid van zijn vormgeving. Die begint met rommelig zwevende vlekken blauw en rood en geel. Een wirwar van bochtige lijnen is daar overheen gedruppeld. Het doek lag op de grond. De schilder liet dunne verf uit een blikje naar beneden vallen. Tegelijkertijd werd het blikje heen en weer bewogen. De dunne slierten verf werden zo, terwijl ze vielen, vluchtige slingers die uit de lucht op het doek spatten. De beweging van kleur bleef zo luchtig en onmatig levendig omdat, anders dan bij Verhoef, de verf niet werd bewogen met de lichte druk van een spatel of een kwast.

Verhoefs schilderij Geen titel is met een andere beheersing ontstaan. De schriftstrepen (wit doorheen blauw) beginnen binnen de vage begrenzing van een stuk vorm en houden daarbinnen ook weer op. De bewegingen zijn langzaam – zoals de beweging der woorden in hun regels in wellicht de mooiste elegie in onze cultuur. Die is van Vondel, over de dood van Burgemeester Hooft, en het begint zo: Treckt om ’t Raedsheerlyck lyck geen’ droeve toorenklock/ Het burgerlyck beklagh sal dese baer geleyen/ De balling, weeu, en wees beluyen hier met schreyen/ Hunn’ waerd, haer’ man, haer vooghd: daer ’t leven uyt vertrock. Dat is prachtig zwaar. Maar het dunne blauw van Verhoefs schilderij is bleker en smaller. Een kort gedicht van Remco Campert over de dood van Gerrit Komrij eindigt ook heel stil. Hij liep op straat en dacht aan Gerrit stervende: De straat gaat door/ Het weer speelt mooi/ maar onweer dreigt/ en mijn hart doet pijn. Deze karige regels van een tijdgenoot klinken toch beter bij het haperende blauw van het schilderij.


PS. Het schilderij van Toon Verhoef is te zien in de herdenkingstentoonstelling voor Milco, met werken van andere kunstenaars van de bemanning van Galerie Onrust in Amsterdam

Beeld: (1) Jackson Pollock, Reflection of the Big Dipper, 1947. Olieverf op doek, 111 x 91,5 cm (Collectie Stedelijk Museum Amsterdam); (2) Toon Verhoef, Geen titel, 2016. Acryl en olieverf op linnen, 180 x 110 cm(Jaring Lokhorst, Courtesy Galerie Onrust, Amsterdam)